ECLI:NL:RVS:2011:BV3584
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- M.A.A. Mondt Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake ongewenstverklaring vreemdeling wegens openbare orde
De zaak betreft het hoger beroep van de minister van Immigratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank die het beroep van een vreemdeling tegen een ongewenstverklaring gegrond verklaarde. De vreemdeling, van Tsjechische nationaliteit, was ongewenst verklaard op grond van een onherroepelijk strafrechtelijk vonnis wegens een ernstig misdrijf. De minister had deze ongewenstverklaring geactualiseerd en het bezwaar van de vreemdeling ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat het gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de Nederlandse openbare orde vormt. De rechtbank had daarbij ook richtsnoeren van de Europese Commissie betrokken, wat de minister betwistte. De Raad van State stelde vast dat deze richtsnoeren niet bindend zijn, maar wel een handvat bieden bij de interpretatie van de richtlijn en dat de rechtbank ook rekening had gehouden met relevante jurisprudentie.
Voorts verwierp de Raad van State het betoog van de minister dat de rechtbank een onjuiste uitleg had gegeven aan het begrip recidive. De rechtbank had terecht geoordeeld dat de afzonderlijke elementen van ernst en actualiteit van de bedreiging in samenhang moeten worden beoordeeld. Het hoger beroep van de minister werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling en tot betaling van griffierecht. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 december 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.