ECLI:NL:RVS:2011:BU4106
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid toepassing Terugkeerrichtlijn bij vrijheidsontneming vreemdeling
De zaak betreft hoger beroep van de minister tegen een uitspraak van de rechtbank die de vrijheidsontnemende maatregel tegen een vreemdeling onrechtmatig achtte omdat de Terugkeerrichtlijn niet correct zou zijn toegepast. De vreemdeling had op 3 januari 2011 bij de Koninklijke Marechaussee kenbaar gemaakt een aanvraag voor permanent verblijf te willen indienen, waarna hem de toegang werd geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd.
De minister stelde dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing was omdat Nederland gebruik maakte van de keuzemogelijkheid in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van de richtlijn om deze niet toe te passen op vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd. De Raad oordeelde echter dat deze keuzemogelijkheid slechts rechtsgeldig kan worden toegepast indien dit is vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur, hetgeen niet het geval was. De enkele inroeping door de minister en publicatie in de Staatscourant volstaan niet.
Daarnaast werd vastgesteld dat de vreemdeling, door zijn persoonlijke uiting van de wens om internationale bescherming te verkrijgen, als asielzoeker moet worden beschouwd en daarmee rechtmatig verblijf heeft volgens artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Hierdoor valt hij niet onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn voor illegaal verblijvende vreemdelingen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard; de vrijheidsontnemende maatregel blijft van kracht.