ECLI:NL:RBDHA:2014:3438
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J. Jue
- L. van Gijn
- B.J. Zippelius
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken feitelijke gezinsband in nareisprocedure
Eisers, Somalische nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor verblijf bij referente, die zelf in het kader van nareis met een verblijfsvergunning asiel in Nederland verblijft. Verweerder wees de aanvragen af omdat eisers niet aannemelijk maakten dat zij feitelijk tot het gezin van referente behoorden ten tijde van het vertrek uit het land van herkomst.
De rechtbank toetste het besluit aan de relevante wet- en regelgeving, waaronder artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000. Daarbij werd overwogen dat referente met een mvv voor verblijf bij haar vader Nederland is binnengekomen en feitelijk tot diens gezin behoorde, waardoor een feitelijke gezinsband met eisers werd uitgesloten.
Eisers voerden aan dat het beleid ten onrechte werd toegepast en dat het besluit in strijd was met Europese richtlijnen en het IVRK. De rechtbank verwierp deze betogen, onder meer omdat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing was op subsidiaire beschermingsstatus en het IVRK geen direct toepasbare norm bevat voor het geschil. Ook werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was een DNA-onderzoek aan te bieden.
Het beroep werd ongegrond verklaard, omdat verweerder zich op een redelijke en wettige wijze op het standpunt kon stellen dat eisers niet tot het gezin van referente behoorden. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken van een feitelijke gezinsband wordt ongegrond verklaard.