ECLI:NL:RVS:2009:BK4686
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over de uitleg van het vereiste van stabiele en regelmatige inkomsten bij gezinshereniging
De minister van Buitenlandse Zaken stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank die het nationale beleid inzake het vereiste van stabiele en regelmatige inkomsten bij gezinshereniging onjuist achtte toegepast. De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 3.75 van het Vreemdelingenbesluit 2000, dat voorwaarden stelt aan de duur en aard van de middelen van bestaan die een vreemdeling of diens hoofdpersoon moet aantonen.
De rechtbank had geoordeeld dat deze nationale regeling verder ging dan het Europese vereiste uit richtlijn 2003/86/EG en daardoor de afgifte van verblijfsvergunningen bemoeilijkte. De minister betoogde dat de richtlijn ruimte laat voor nationale invulling binnen bepaalde grenzen en dat het Nederlandse stelsel niet onjuist is.
De Raad van State oordeelde dat de richtlijn geen expliciete definitie geeft van stabiele en regelmatige inkomsten, waardoor lidstaten binnen de gestelde grenzen zelf criteria mogen vaststellen. Het Nederlandse systeem, waarbij de duur van de aan te tonen middelen van bestaan niet langer is dan de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, blijft binnen die grenzen. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het nationale recht onjuist was toegepast.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens stelde zij de kosten van het hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen.