ECLI:NL:RBZWB:2026:763
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- S. Hindriks
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking jachtakte wegens vrees voor misbruik
Eiser ontving op 15 februari 2024 een jachtakte voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025. Op 3 maart 2024 werden in zijn tuin vogelvangkooien aangetroffen, waarvan één met een gevangen ekster. De korpschef trok de jachtakte op 20 maart 2025 in en de minister handhaafde deze intrekking op 27 juni 2025 na administratief beroep.
Eiser voerde aan dat hij niet op de hoogte was van het verbod op vogelvangkooien en dat hij al 55 jaar zonder incidenten een jachtakte had. De minister stelde dat een jachtaktehouder een bijzondere positie heeft en dat geringe twijfel aan betrouwbaarheid voldoende is voor intrekking. Het bezit van vogelvangkooien is een misdrijf gerelateerd aan jacht, verboden sinds 2016, en eiser had opzet omdat hij de kooien langere tijd in bezit had.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht (ten minste) geringe twijfel had over het verantwoord kunnen toevertrouwen van wapens aan eiser. De minister hoefde niet af te wijken van de hoofdregel dat intrekking volgt bij dergelijke twijfel. De belangenafweging faalde omdat de wet een dwingende intrekking voorschrijft bij aanwijzingen van onbetrouwbaarheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de jachtakte wordt ongegrond verklaard vanwege gegronde vrees voor misbruik door het bezit van verboden vogelvangkooien.