AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen intrekking jachtakte wegens vrees voor misbruik
Eiser ontving op 15 februari 2024 een jachtakte voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025. Op 3 maart 2024 werden in zijn tuin vogelvangkooien aangetroffen, waarvan één met een gevangen ekster. De korpschef trok de jachtakte op 20 maart 2025 in en de minister handhaafde deze intrekking op 27 juni 2025 na administratief beroep.
Eiser voerde aan dat hij niet op de hoogte was van het verbod op vogelvangkooien en dat hij al 55 jaar zonder incidenten een jachtakte had. De minister stelde dat een jachtaktehouder een bijzondere positie heeft en dat geringe twijfel aan betrouwbaarheid voldoende is voor intrekking. Het bezit van vogelvangkooien is een misdrijf gerelateerd aan jacht, verboden sinds 2016, en eiser had opzet omdat hij de kooien langere tijd in bezit had.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht (ten minste) geringe twijfel had over het verantwoord kunnen toevertrouwen van wapens aan eiser. De minister hoefde niet af te wijken van de hoofdregel dat intrekking volgt bij dergelijke twijfel. De belangenafweging faalde omdat de wet een dwingende intrekking voorschrijft bij aanwijzingen van onbetrouwbaarheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de jachtakte wordt ongegrond verklaard vanwege gegronde vrees voor misbruik door het bezit van verboden vogelvangkooien.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3850
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C.P. van Kollenburg),
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het intrekken van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit (hierna: jachtakte). Eiser is het hier niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de jachtakte in mocht trekken.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de jachtakte mocht intrekken. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 27 juni 2025 op het administratief beroep van eiser heeft de minister de intrekking door de korpschef in stand gelaten.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en mr. R.P. Stehouwer namens de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 15 februari 2024 een jachtakte gekregen voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2025. [1]
3.1.
De korpschef heeft op 13 februari 2025 een voornemen tot het intrekken van de jachtakte verstuurd. Op 3 maart 2024 zijn in de tuin van eiser vogelvangkooien aangetroffen. In één van de kooien zat een ekster gevangen.
3.2.
Op 12 maart 2025 heeft eiser een zienswijze ingediend. Op 20 maart 2025 heeft de korpschef de jachtakte van eiser ingetrokken. Met de beslissing van 27 juni 2025 op het administratief beroep heeft de minister de intrekking van de jachtakte in stand gelaten.
Toetsingskader
4. Artikel 5:39 vanPro de Omgevingswet bepaalt dat het bevoegd gezag een vergunning in kan trekken in gevallen die bij algemene maatregel van bestuur zijn bepaald. Dit artikel is voor de jachtgeweeractiviteit uitgewerkt in artikel 8.104 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin is onder andere bepaald dat de jachtakte kan worden ingetrokken als er aanwijzingen zijn dat aan de aktehouder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Deze vrees voor misbruik is uitgewerkt in artikel 1.2 van het Bijzonder deel (B) van de Circulaire wapens en munitie 2019.
4.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Heeft de minister kunnen concluderen dat sprake is van vrees voor misbruik?
5. Eiser betoogt dat er geen aanwijzingen zijn dat het voorhanden hebben van wapens en munitie niet langer aan hem kan worden toevertrouwd. Hij was er niet van op de hoogte dat hij de vogelvangkooien niet mocht hebben. Hij heeft die in de jaren ‘70 zelf gebouwd. Hij heeft direct verantwoordelijkheid genomen en afstand gedaan van deze kooien. Formeel is het wel een overtreding, maar eiser is verder nooit in verband gebracht met enig incident op het gebied van de jacht, terwijl hij al 55 jaar een jachtakte heeft.
5.1.
De minister geeft aan dat eiser zich als houder van een jachtakte in een bijzondere positie bevindt ten opzichte van andere burgers, die geen wapens voorhanden mogen hebben. Hij moet zich daarom onthouden van ernstige overtredingen van de rechtsorde. Er worden zeer zware eisen gesteld aan de betrouwbaarheid van een jachtaktehouder. Geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken uitzondering is volgens vaste rechtspraak [2] voldoende reden om de jachtakte in te trekken. De minister vindt dat eiser op de hoogte had moeten zijn van de regelgeving rondom de vogelvangkooien. Het plaatsen van deze kooien is al sinds 2016 verboden.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat het hebben van een jachtakte een bijzondere positie met zich brengt. Een houder van een jachtakte mag namelijk over een vuurwapen en munitie beschikken, terwijl daar in Nederland een verbod op geldt. De wet schrijft voor dat een jachtakte in ieder geval wordt ingetrokken als het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer aan iemand kan worden toevertrouwd. [3]
5.3.
Het begrip “niet langer kan worden toevertrouwd” wordt nader uitgelegd in de Circulaire wapens en munitie 2019 (Circulaire). Volgens de Circulaire zijn “het niet langer kunnen toevertrouwen” en “vrees voor misbruik” twee verschillende omschrijvingen voor dezelfde situatie. [4] Vrees voor misbruik kan volgens de Circulaire onder andere blijken uit een veroordeling en andere rechterlijke uitspraken of uit andere omtrent de aanvrager bekende feiten. [5]
5.4.
Volgens vaste rechtspraak is de geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van het onder zich hebben van wapens en munitie voldoende grond om een jachtakte in te trekken. Deze twijfel moet objectief toetsbaar zijn. Bij de beoordeling of (ten minste) deze geringe twijfel aanwezig is, mogen de korpschef en de minister ook niet uit veroordelingen gebleken informatie, zoals processen-verbaal en de feiten en omstandigheden die daaruit naar voren komen, bij hun besluitvorming betrekken. [6]
5.5.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat sprake is van (ten minste) geringe twijfel om aan eiser het voorhanden hebben van wapens en munitie langer toe te vertrouwen. Het voorhanden hebben van vogelvangkooien is namelijk een misdrijf – en anders dan eiser heeft bepleit dus geen overtreding – dat gerelateerd is aan de jacht. Dit is namelijk verboden op grond van artikel 4.3, eerste lid onder l van de Omgevingswet. Artikel 1a, tweede lid van de Wet op de economische delicten (WED) bepaalt dat overtreding van dit artikel een economisch delict is. Artikel 2, eerste lid van de WED bepaalt dat overtreding van dit artikel een misdrijf is voor zover dit opzettelijk is begaan. Eiser heeft niet betoogd dat er geen sprake was van opzet. Daarnaast wist hij al gedurende langere tijd dat hij vogelvangkooien in zijn tuin had staan. Of hij wist dat dit verboden was, is niet van belang voor de vraag of hij de vogelvangkooien opzettelijk voorhanden had. Het feit dat veren van een vermoedelijk inheemse beschermde vogelsoort in de kraaienvangkooi lagen en er ook daadwerkelijk een ekster is aangetroffen in een lokcompartiment van de ekstervangkooi, versterkt dit. Ook stond een ander deurtje van de kooi open en lagen er lokeieren in. Juist van iemand die al 55 jaar over een jachtakte beschikt, mag verwacht worden dat hij op de hoogte is van het verbod om, behoudens met een ontheffing, een vogelvangkooi te gebruiken. Als jachtaktehouder had hij zich op de hoogte moeten houden van de verander(en)de regelgeving rond het vangen en doden van dieren. Dat sprake is van een misdrijf in plaats van een overtreding blijkt, zoals de minister heeft aangehaald, ook uit de justitiële documentatie van eiser. Hierop is de strafbeschikking die hij opgelegd kreeg voor dit feit opgenomen bij afgedane misdrijven.
Had de minister kunnen volstaan met een waarschuwing?
6. Eiser stelt dat er slechts sprake was van een lichte overtreding. De Circulaire geeft ruimte om gemotiveerd af te wijken. De minister had dat, gelet op de geringe ernst van de overtreding, moeten doen door te volstaan met een waarschuwing.
6.1.
De minister wijst erop dat het plaatsen van vogelvangkooien een overtreding is van artikel 4.3, eerste lid onder l van de Omgevingswet in samenhang met artikel 11.72, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat is een misdrijf en alleen al daarom geen overtreding die zo licht is dat met een waarschuwing kan worden volstaan. Een dergelijk misdrijf verhoudt zich ook slecht met iemand die over een jachtakte beschikt.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet geen reden waarom de minister af had moeten wijken van de Circulaire. Dit is een vrije beleidsbevoegdheid van de minister. Het misdrijf waarvoor eiser is beboet, is gerelateerd aan de jacht en niet dusdanig gering dat de minister af had moeten wijken van de hoofdregel dat de jachtakte ingetrokken moet worden.
Belangenafweging
7. Eiser betoogt dat de belangenafweging die de minister gemaakt heeft onevenredig uitvalt en daarom niet deugt. De nadelige gevolgen voor eiser mogen niet onevenredig zijn in verhouding met de met het besluit te dienen doelen. Er moet daarom een belangenafweging plaatsvinden. Dat blijkt ook uit de jurisprudentie. [7] Eiser geeft een aantal voorbeelden uit de jurisprudentie waarbij het intrekken van de jachtakte onevenredig werd gevonden. Voorbeelden zijn onder andere het rijden onder invloed van alcohol [8] , het niet gescheiden opslaan van wapens en munitie, wat geen geringe overtreding werd bevonden, [9] het niet goed bevestigen van een wapenkluis [10] en het niet goed opbergen van een wapen in de wapenkluis. [11]
7.1.
De minister geeft aan dat de genoemde zaken niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. Hij wijst ter zitting op recente uitspraken van de rechtbank Gelderland waaruit blijkt dat als er sprake is van geringe twijfel, de jachtakte ingetrokken moet worden. [12] Alle feiten en omstandigheden zijn al meegewogen in de vraag of er sprake is van geringe twijfel over de betrouwbaarheid.
7.2.
De rechtbank begrijpt dat de persoonlijke gevolgen van de intrekking van de jachtakte voor eiser groot zijn, zeker gelet op de lange periode dat hij over een jachtakte heeft beschikt en de rol die het jagen in zijn leven inneemt. Als er aanwijzingen zijn dat aan de houder van een jachtakte het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, dan schrijft artikel 8:104, eerste lid, onder c, van het Bkl echter voor dat de korpschef de jachtakte in ieder geval intrekt. Dit is een dwingende formulering. Als er zulke aanwijzingen zijn, is er geen ruimte meer voor een afzonderlijke belangenafweging. Dit is een heel andere situatie dan in het geval van een handhavingsbesluit waar eiser ter zitting naar verwijst en waar deze dwingende formulering ontbreekt. [13] Dat doet niet af aan het feit dat alle relevante omstandigheden van het geval moeten worden betrokken bij de beoordeling of er zulke aanwijzingen zijn. De rechtbank heeft in overweging 5.5 geoordeeld dat de minister mocht concluderen dat sprake is van (ten minste) geringe twijfel voor vrees voor misbruik. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren, omdat de korpschef en de minister vrees mochten hebben dat eiser de jachtakte zou misbruiken.
8.1.
Omdat het beroep ongegrond is, is er ook geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten of het terugbetalen van het griffierecht.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, rechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 10 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: [.]
f. een jachtgeweeractiviteit, [.]
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. [.]
Artikel 5.39. (verplichting tot wijziging voorschriften omgevingsvergunning en intrekking omgevingsvergunning)
Het bevoegd gezag wijzigt de voorschriften van een omgevingsvergunning of trekt een omgevingsvergunning in:
in gevallen of op gronden die bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald,
voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.3 of 5.4: in gevallen of op gronden die in de waterschapsverordening respectievelijk de omgevingsverordening zijn bepaald.
1. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt alleen verleend als de aanvrager:
met goed gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd dat is erkend door Onze Minister voor Natuur en Stikstof of dat is erkend door de bevoegde autoriteit van een andere staat en door Onze Minister voor Natuur en Stikstof als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt;
de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt;
jachthouder is van een jachtveld dat voldoet aan de daaraan gestelde eisen, bedoeld in artikel 11.76 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en lid is van de wildbeheereenheid waarbinnen zijn jachtveld ligt, of toestemming heeft van een jachthouder met dat lidmaatschap tot uitoefening van de jacht in zijn jachtveld;
een geldig bewijs van de verzekering, bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, heeft overgelegd;
heeft meegewerkt aan een door Onze Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 6a, eerste lid, onder b, van de Wet wapens en munitie aangewezen onderzoek; en
in persoon aanwezig is geweest bij de controle door de korpschef van de op het adres van de aanvrager getroffen voorzieningen voor de opslag van wapens en munitie.
2. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt, ondanks voldoening aan de eisen, bedoeld in het eerste lid, geweigerd, als:
er grond is om aan te nemen dat de aanvrager van de bevoegdheid een geweer en munitie voorhanden te hebben, van de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen of van de hem toekomende bevoegdheden in het kader van het beheren van populaties van in het wild levende dieren of het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik zal maken, of zodanig gebruik zal maken dat hij een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of de veiligheid kan gaan vormen;
er grond is om aan te nemen dat de aanvrager nalatig zal zijn te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht;
aan de aanvrager de bevoegdheid om de jacht uit te oefenen is ontzegd bij een rechterlijke uitspraak die voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, en de tijd waarvoor die bevoegdheid is ontzegd nog niet is verstreken;
e aanvrager in de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is veroordeeld voor een strafbaar feit wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens de wet of wegens gedragingen als bedoeld in artikel 2.1, 2.2, 2.3, 2.5, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 of 2.15 van de Wet dieren, tegen hem daarvoor een strafbeschikking is uitgevaardigd of als hem wegens overtreding van het bepaalde bij of krachtens die artikelen van de Wet dieren een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 8.7 van die wet is opgelegd; of
de aanvrager in de acht jaar voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet.
3. Voor de berekening van de periode van acht jaar, bedoeld in het tweede lid, onder e, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
4. Een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit wordt in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder a, niet geweigerd als de aanvrager niet met gunstig gevolg een examen voor een jachtgeweeractiviteit heeft afgelegd, als hem vanwege het met gunstig gevolg behalen van een krachtens de Jachtwet erkend jachtexamen:
in de periode van 1 januari 1977 tot en met 31 maart 2002 een jachtakte als bedoeld in de Jachtwet is uitgereikt; of
in de periode van 1 april 2002 tot en met 30 september 2004 een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet is uitgereikt.
5. Het eerste lid, aanhef en onder e en f, is niet van toepassing als de aanvrager een nog geldende omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit heeft, tenzij de toepassing van die onderdelen naar het oordeel van de korpschef noodzakelijk is voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid, onder a.
Artikel 8.104. (specifieke gronden intrekking omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteiten en valkeniersactiviteiten)
1. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit trekt die omgevingsvergunning in ieder geval in, als:
de bij aan aanvraag om die omgevingsvergunning verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat, als de juiste gegevens waren verstrekt, de vergunning zou zijn geweigerd;
blijkt dat de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, bedoeld in artikel 11.78 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet langer met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens dat artikel en artikel 11.78, tweede tot en met zevende lid, van dat besluit is gedekt;
de houder misbruik heeft gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of als er andere aanwijzingen zijn dat aan hem het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;
na de verlening van de omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit de houder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 92, 95, 95a, 108 tot en met 110, 115 tot en met 117, 121, 121a, 123 tot en met 124a, 131, 140 tot en met 141a, 142, 157, 164, 166, 168, 170, 179, 180, 242 tot en met 247, 248f, 249, 250, 273f, 274, 279, 281 tot en met 282b, 284 tot en met 285b, 287 tot en met 292, 300 tot en met 303, 307, 312, 317, 350, 352 of 381 tot en met 387 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf op grond van de Wet wapens en munitie of een misdrijf op grond van de Opiumwet; of
de houder in het bezit is van een magazijn voor een vuurwapen als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 mei 2017 tot wijziging van Externe link:Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PbEU 2017, L 137/22), zonder hiervoor een verlof of ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie te hebben.
2. Het eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een valkeniersactiviteit.
3. Het bevoegd gezag voor een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of een valkeniersactiviteit kan die omgevingsvergunning intrekken, als:
er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheid om de jacht uit te oefenen misbruik maakt;
de houder nalatig is te doen wat een goed jager betaamt bij de uitoefening van de jacht; of
er grond is om aan te nemen dat de houder van zijn bevoegdheden in het kader van beheren van populaties van in het wild levende dieren en het bestrijden van schadeveroorzakende dieren misbruik maakt.
Circulaire Wapens en Munitie 2019, Bijzonder deel (B)
1. Geen vrees voor misbruik
1.1.
Algemeen
Artikel 7, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (WWM), stelt dat de in de WWM genoemde vergunningen (erkenningen, consenten, verloven en ontheffingen), onverminderd de bijzondere gronden tot weigering daarvan, worden geweigerd indien (onder meer) er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het onder zich hebben van wapens of munitie niet kan worden toevertrouwd of er reden is om te vrezen dat daarvan dan wel van wapens of munitie misbruik zal worden gemaakt.
Het tweede lid van artikel 7 steltPro dat de in de WWM genoemde vergunningen, onverminderd de bijzondere gronden tot wijziging of intrekking daarvan, door het bestuursorgaan of de Minister van Justitie en Veiligheid kunnen worden gewijzigd of ingetrokken indien (onder meer) er aanwijzingen zijn dat aan de houder daarvan het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd of in geval van misbruik daarvan dan wel van wapens of munitie.
Voor verloven tot het voorhanden hebben van wapens en munitie van categorie III bepaalt artikel 28, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWM, dat een verlof slechts wordt verleend indien de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. Omdat het begrip ‘vrees voor misbruik’ reeds een ruime uitleg kent worden die gevallen waarin iemand anderszins een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen, niet in dit hoofdstuk nader uitgewerkt.
‘Vrees voor misbruik’ en ‘het niet langer kunnen toevertrouwen’ zijn twee verschillende omschrijvingen voor in feite dezelfde situatie. Hetgeen hierna wordt opgemerkt met betrekking tot de invulling van het ‘vrees voor misbruik-criterium’ kan daarom analoog worden toegepast indien het de intrekking of weigering van een vergunning betreft om reden dat het voorhanden hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd.
1.2.
Invulling van het ‘vrees voor misbruik’
Wapens en munitie vormen een potentieel ernstige bedreiging voor de veiligheid in de samenleving indien zij in handen komen van personen die onvoldoende betrouwbaar zijn om wapens en munitie voorhanden te hebben. Derhalve wordt er een restrictief beleid gevoerd waar het de toepassing van het criterium ‘geen vrees voor misbruik’ betreft.
Degene aan wie een vergunning wordt verleend voor het voorhanden hebben van wapens en/of munitie komt in een bijzondere positie te verkeren ten opzichte van zijn medeburgers, voor wie immers het algemene wettelijke verbod geldt om wapens of munitie voorhanden te hebben. Die positie brengt met zich mee dat van de vergunninghouder stipte naleving van de (wapen)wettelijke voorschriften moet kunnen worden verlangd en dat van hem tevens wordt verwacht dat hij zich onthoudt van overtredingen die kunnen worden beschouwd als een (ernstige) aantasting van de rechtsorde.
Het weigeren dan wel intrekken van een verlof is uitdrukkelijk geen strafrechtelijke sanctie, maar is een maatregel ter bescherming van de veiligheid in de samenleving. Tegen de achtergrond van het eerdergenoemde maatschappelijke belang, is daarom reeds geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de te maken (of gemaakte) uitzondering – ook naar de vaste jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – voldoende reden om een verlof niet te verlenen respectievelijk in te trekken. Het spreekt voor zich dat die twijfel gebaseerd moet zijn op een objectief toetsbare motivering (zie hierna).
Voor de beoordeling van de vraag of in een bepaald geval vrees voor misbruik bestaat worden in dit onderdeel een aantal concrete criteria gegeven. De korpschef zal aan de hand van deze criteria in elk geval afzonderlijk moeten bezien of er sprake is van ‘vrees voor misbruik’.
Bij het onderzoek in verband met de vraag of er vrees voor misbruik bestaat kan gebruik worden gemaakt van informatie afkomstig uit de registers van de justitiële documentatie en van andere, politiële informatie, die afkomstig kan zijn uit verschillende bronnen. [.]
Voetnoten
1.Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder f, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.74t van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).