ECLI:NL:RBZWB:2026:5320
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van € 10.103 en belastingrente van € 21 opgelegd door de inspecteur. De inspecteur baseerde de aanslag op een hertaxatie die een hogere BPM verschuldigd achtte dan de door belanghebbende opgegeven taxatiemethode.
De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende toegepaste herleidingsmethode niet gevolgd kan worden, mede gelet op een arrest van de Hoge Raad. De taxatiemethode wordt niet aanvaard omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Ook de koerslijstmethode wordt verworpen vanwege significante verschillen in uitvoering en CO2-uitstoot tussen de auto en de referentieauto.
De rechtbank stelt de historische nieuwprijs vast conform het DRZ-rapport en het arrest van de Hoge Raad. De naheffingsaanslag is terecht en niet te hoog opgelegd. Wel wordt belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 1.500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de inspecteur en de Staat ieder een deel van de vergoeding en proceskosten moeten betalen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, veroordeelt de inspecteur en de Staat tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten, en wijst het griffierecht af. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink en griffier M.J. van Balkom op 17 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.