ECLI:NL:GHAMS:2025:3438

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
23/479
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag BPM en belastingrente met betrekking tot een Jaguar XE

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 16 december 2025 uitspraak gedaan in hoger beroep over een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) die was opgelegd aan belanghebbende, een particulier die een Jaguar XE 2.0 Prestige had geregistreerd. De rechtbank Noord-Holland had eerder het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarop hij in hoger beroep ging. De zaak draait om de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende betoogde dat de auto meer dan normale gebruiksschade vertoonde, maar het Hof oordeelde dat hij niet voldoende bewijs had geleverd om dit te onderbouwen. Het Hof concludeerde dat de inspecteur de handelsinkoopwaarde van de auto correct had vastgesteld en dat de koerslijstmethode voor de BPM-berekening van toepassing was. De rechtbank had ten onrechte de historische nieuwprijs vastgesteld op basis van een referentievoertuig in de koerslijst, terwijl deze moest worden gebaseerd op de netto catalogusprijs van de auto zelf. Het Hof heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.779 en de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van kosten en immateriële schade aan belanghebbende. De uitspraak van de rechtbank is vernietigd en het hoger beroep is gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 23/479
16 december 2025
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X], wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) van 16 mei 2023 in de zaak met kenmerk HAA 22/3160 in het geding tussen
belanghebbende
en

1.de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur, en

2.
de Staat der Nederlanden, de minister van Justitie en Veiligheid, de Staat.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
In de bestreden uitspraak heeft de rechtbank het beroep van belanghebbende betreffende een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) en een daarbij gegeven beschikking belastingrente ongegrond verklaard.
1.2.
Het beroepschrift waarmee het hoger beroep is ingesteld, is bij het Hof ingekomen op 20 juni 2023. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2.Feiten

2.1.
Op 10 juli 2020 heeft belanghebbende een aangifte bpm ingediend met het oog op de registratie in het kentekenregister van een gebruikte Jaguar XE 2.0 Prestige met meldcode [0000] (hierna: de auto). De auto is nieuw geproduceerd in het Verenigd Koninkrijk voor de Amerikaanse markt, is van modeljaar 2017 en is als gebruikte auto uit de Verenigde Staten van Amerika afkomstig.
2.2.
In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld:
Datum eerste toelating
28-02-2017
CO2-uitstoot
231 g/km
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 53.436
Bruto bpm
€ 43.390
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 83.348
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 2.970
Verschuldigde bpm
€ 1.544
2.3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport, met als opschrift ‘Expertiseverslag’, gevoegd van het bedrijf Expertise- en Taxatiebureau [bedrijf 1] B.V. Dat taxatierapport, met datum 8 juli 2020, is ondertekend door [naam] , onder vermelding van de titel ‘Register Taxateur [bedrijf 2] ’. In het rapport is vermeld dat de expertise heeft plaatsgevonden op 22 mei 2020 tussen 12:00 uur en 12:20 uur te [plaats] .
2.3.2.
In het taxatierapport is vermeld dat de algemene indruk van de auto ‘redelijk’ is, gelijk de indruk van het onderstel, van de carrosserie, van het interieur en van de banden. Alleen de indruk van de technische staat is ‘goed’. De vermelde herstelkosten zijn € 14.148,97. Een deel van dat bedrag (72%) is in mindering gebracht op een aan een koerslijst van Xray ontleende handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 13.152, zodanig dat een waarde van de auto van € 2.970 resteert. Onder ‘opmerkingen’ is in het taxatierapport vermeld dat “meer dan normaal te verwachten (gebruiks)beschadigingen op dit voertuig aanwezig [zijn], niet zijnde een schadevoertuig als bedoeld in WVW 1994, artikel 1 1e lid, onderdeel u.” In de koerslijst van Xray is voor de referentieauto een CO2-uitstoot van 171 gram per kilometer opgegeven.
2.3.3.
Verder is bij aangifte gevoegd een factuur van een Nederlands veilinghuis van 12 mei 2020 betreffende de (ver)koop van de auto (aan een andere persoon dan belanghebbende) voor een bedrag € 12.250, vermeerderd met 17% opgeld. Als afhaallocatie is een adres in [plaats B] vermeld. Onder de omschrijving is onder meer vermeld “kenteken: US Salvage title (rebuild)”.
2.4.
De auto is op 16 juli 2020 geschouwd door Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ). In het verslag van die schouw heeft DRZ de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte:
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 34.634
Historische nieuwprijs
€ 55.415
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 12.887 (koerslijst Xray)
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 12.887
2.5.
Bij brief van 2 april 2021 heeft de inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat hij voornemens was hem een naheffingsaanslag op te leggen uitgaande van de gegevens in het verslag van DRZ. De werkelijke afschrijving bedraagt dan 76,75% ((€ 55.415 - € 12.887) / € 55.415 x 100%). Na vermindering van een bedrag aan bruto BPM van € 43.390, zijnde de bruto BPM uitgaande van het tarief per 1 januari 2017, met dat percentage, resteert – aldus de inspecteur in het voornemen – een verschuldigde BPM van € 10.088. Dat is € 8.544 meer dan het bedrag van € 1.544 dat op aangifte is voldaan.
2.6.
Belanghebbende heeft niet op het voornemen tot naheffing gereageerd, hoewel daartoe uitdrukkelijk door de inspecteur in de gelegenheid te zijn gesteld. Daarop heeft de inspecteur de naheffingsaanslag met dagtekening 21 mei 2020 opgelegd conform zijn voornemen.
2.7.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 7.843, omdat de verschuldigde BPM € 9.387 zou belopen. Het lagere bedrag aan verschuldigde BPM is te verklaren door de opvatting van de inspecteur bij nader inzien dat de bruto BPM moet worden berekend op € 40.375, uitgaande van het tot 1 januari 2017 geldende tarief.
2.8.
In hoger beroep heeft belanghebbende facturen voor banden (€ 567,96), voor een schakelpook (€ 150) en voor de reparatie van een velg (€ 302,50) overgelegd, die zijn gedateerd tussen 17 juni 2020 en 6 juli 2020. Daarnaast is een stuk overgelegd met de meldcode van de auto, onderdelen die zijn omschreven als “kaartgeheugen” en “ondervorm” en een totaalbedrag van € 491,90. Op dat stuk is geen datum vermeld.

3.Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is, net als in eerste aanleg, in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Partijen zijn het wel eens dat de inspecteur bij het bepalen van de kosten voor de behandeling van het bezwaar ten onrechte van de lage puntwaarde als vermeld in onderdeel B2 van de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht is uitgegaan.

4.Beoordeling van het geschil in hoger beroep

Taxatiemethode
4.1.
De rechtbank heeft belanghebbende niet erin geslaagd geacht de aanwezigheid van meer dan normale gebruiksschade aan de auto aannemelijk te maken. Voor verminderingen van de door de inspecteur gehanteerde handelsinkoopwaarde van de auto, die is overgenomen uit de koerslijst van Xray, heeft de rechtbank ook overigens geen aanleiding gezien.
4.2.
In hoger beroep heeft belanghebbende opnieuw betoogd dat de auto meer dan normale gebruiksschade vertoonde, zelfs nog bij de schouw bij DRZ. In het bijzonder heeft zij op schade aan de velgen en versleten banden gewezen.
4.3.
De klachten van belanghebbende falen. Toepassing van de taxatiemethode stuit reeds af op de omstandigheid dat het taxatierapport dat is gevoegd bij de aangifte BPM, niet strookt met de staat van de auto ten tijde van het doen van die aangifte (vgl. HR 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1). Het Hof vermag, gelijk de rechtbank, op de foto’s bij het rapport van DRZ niet de schade te zien die daarop aanwezig zou moeten zijn, uitgaande van de vermeldingen in het taxatierapport. Daarbij ontbreekt elke aanwijzing dat de auto in de tijd tussen het doen van de aangifte en de schouw door DRZ is hersteld. De in het rapport vermelde handelsinkoopwaarde (€ 2.970, inclusief BPM) valt bovendien volstrekt niet te rijmen met de prijs die nog geen maand eerder voor de auto is betaald (€ 14.769,83, exclusief BPM; zie 2.3.3). Zou overigens wel een bepaling in goede justitie door de rechter van de waarde van de auto mogelijk zijn geweest, dan zou die niet lager zijn uitgekomen dan de koerslijstwaarde van Xray (zie hierna).
Koerslijstmethode
4.4.
Bij deze stand van het geding stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de waarde van de auto moet worden ontleend aan de koerslijst van Xray die DRZ bij zijn verslag heeft gevoegd, en dat met toepassing van de koerslijstmethode de afschrijving van de auto moet worden bepaald. De inspecteur meent dat slechts de forfaitaire afschrijvingstabel kan worden toegepast om de in aanmerking komende vermindering van de bruto BPM vast te stellen. Het referentievoertuig in de koerslijst betreft namelijk de Europese variant van de Jaguar XE 2.0 Prestige en daarmee volgens de inspecteur een ander type dan wel een andere uitvoering dan de auto. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft de inspecteur gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472.
4.5.1.
Het Hof stelt voorop dat de Hoge Raad in het in 4.4 genoemde arrest inderdaad heeft overwogen dat de wetgever per 1 januari 2015 de mogelijkheid om de afschrijving van een te registreren motorrijtuig te berekenen met gebruikmaking van een koerslijst heeft beperkt tot een in een koerslijst voorkomend gebruikt motorrijtuig van hetzelfde merk, model, type, uitvoering en leeftijd. In het verlengde daarvan is overwogen dat onder die omstandigheden ervan kan worden uitgegaan dat de koerslijstwaarde een representatieve benadering oplevert van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. Het standpunt van de inspecteur stelt het Hof voor de vraag wat in die context wordt bedoeld met ‘type’ en ‘uitvoering’.
4.5.2.
Naar het Hof voorkomt, verwijzen ‘type’ en ‘uitvoering’ niet naar de gelijknamige begrippen in de Uniewetgeving over EU-typegoedkeuringen. De parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31 en 32) duidt juist erop dat de wetgever bij de terminologie van het Hof van Justitie van de EU in zijn rechtspraak over artikel 110 van het VwEU heeft aangesloten. In die rechtspraak gaat het om factoren die de afschrijving of althans de waarde van een te registreren voertuig kunnen beïnvloeden dan wel die kunnen wijzen op het bestaan van een concurrentieverhouding tussen twee voertuigen (zie bv. HvJ 19 december 2013, X, C437/12, ECLI:EU:C:2013:857, punt 23, en HvJ 22 februari 2001, Gomes Valente, C393/98, ECLI:EU:C:2001:109, punt 28). Verder is van betekenis dat wanneer de koerslijstmethode niet mag worden gebruikt, de taxatiemethode in beeld komt, en dat de wetgever per 1 januari 2015 voornamelijk heeft beoogd het gebruik van de taxatiemethode te beperken om fraude en misbruik bij het gebruik van taxatierapporten te bestrijden. Een strikte uitleg van ‘type’ en ‘uitvoering’, die de weg naar het gebruik van de taxatiemethode juist voor een groter aantal gevallen zou openen, is daarom niet passend.
4.5.3.
In het licht van hetgeen in 4.5.2 is overwogen, dient het begrip ‘type’ naar het oordeel van het Hof conform het normale spraakgebruik te worden uitgelegd als een verwijzing naar de carrosserievorm (sedan, hatchback, SUV, station, etc.). Omdat de carrosserievorm kan worden geacht van betekenis te zijn voor de waarde van een motorrijtuig, is die uitleg tevens in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever.
4.5.4. ‘
Uitvoering’ heeft een minder duidelijke betekenis in het normale spraakgebruik. Een zinvolle en aan de bedoeling van de wetgever recht doende uitleg van dat begrip is naar het oordeel van het Hof de volgende: gegeven dat de overige door de Hoge Raad genoemde kenmerken (zie 4.5.1: merk, model, type en leeftijd) van het te registreren motorrijtuig en het motorrijtuig in de koerslijst gelijk zijn, is de uitvoering (ook) hetzelfde als verschillen, met name in afstellingen en uitrusting, niet of niet duidelijk voor de waarde relevant zijn, vooral niet in opwaartse zin voor het te registreren motorrijtuig. In dat geval kan de koerslijst immers onverminderd worden geacht een representatieve benadering te geven van de werkelijke waarde van het te registreren motorrijtuig. Verschillen die wel aanleiding kunnen geven een andere uitvoering aan te nemen, zijn in het bijzonder een ander soort aandrijving of andere brandstofsoort, een ander soort transmissie en een (meer dan marginaal) afwijkend vermogen (vgl. HR 22 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 4.2.3). Verder valt, onder meer, te denken aan speciale, rijker uitgeruste of sterk geïndividualiseerde versies die het te registreren motorrijtuig onderscheidend, en in beginsel gewilder, maken ten opzichte van het voertuig in de koerslijst.
4.5.5.
Over de import van gebruikte motorrijtuigen uit de Verenigde Staten, zoals in dezen aan de orde, overweegt het Hof verder het volgende. Waar in zaken over de BPM dergelijke motorrijtuigen figureren, valt het op dat het niet zelden voertuigen betreft van een merk en model dat ook in de EU is verkocht, terwijl de Amerikaanse versie niet duidelijk bepaalde gunstiger eigenschappen heeft. In beginsel lijkt het daarom niet economisch verantwoord om die voertuigen naar Europa te verschepen. Naar het Hof heeft begrepen, betreft het evenwel veelal schadeauto’s die in de Verenigde Staten onverkoopbaar en/of onverzekerbaar zijn door een
salvage title. Na herstel van de schade, al dan niet deugdelijk, enige aanpassingen voor het gebruik in de EU (andere lichtarmaturen en wijziging van de mijlenteller in een kilometerteller) en een individuele keuring, worden de desbetreffende voertuigen in de EU op de markt gebracht, mogelijk niet steeds met vermelding van het schadeverleden. Voor die handel lijkt het juist belangrijk dat de voor de Verenigde Staten geproduceerde versie van het merk, model en type auto voor de consument zeer vergelijkbaar is met de voor de EU geproduceerde versie.
4.6.
Met inachtneming van hetgeen in 4.5.1 tot en met 4.5.5 is overwogen, faalt het verweer dat de koerslijstmethode in dezen geen toepassing kan vinden. De inspecteur heeft niet voldoende gemotiveerd betwist de stelling van belanghebbende dat de referentieauto in de koerslijst van Xray naar merk, model, type, uitvoering en leeftijd (toereikend) met de auto overeenkomt. De auto is naar merk (Jaguar), model (XE), type (sedan) en leeftijd duidelijk gelijk aan de auto in de koerslijst. Daarnaast is de enkele omstandigheid dat de auto een voor de Verenigde Staten geproduceerde variant betreft van de Jaguar XE 2.0 Prestige, onvoldoende om te concluderen dat hij van een andere uitvoering is dan de Europese Jaguar XE 2.0 Prestige. Het Hof volgt evenmin het betoog van de inspecteur dat de hogere CO2-uitstoot en massa van de auto als zodanig tot een hogere waarde leiden. En die gegevens hoeven evenmin te indiceren dat de auto anderszins gunstigere eigenschappen heeft dan de referentieauto in de koerslijst. De hogere geregistreerde CO2-uitstoot en massa kunnen immers zeer wel zijn terug te voeren op de omstandigheid dat de auto individueel is gekeurd en dat de CO2-uitstoot en de massa daarbij niet op dezelfde wijze zijn vastgesteld als die van een Jaguar XE die is geproduceerd conform een EUtypegoedkeuring. Kortom, aanwijzingen ontbreken dat de auto zodanig verschilt ten opzichte van een Europese Jaguar XE 2.0 Prestige, dat het voor de consument verschillende uitvoeringen zijn met uiteenlopende waarden. Daarom bestaat geen reden om te veronderstellen dat de koerslijstwaarde voor de Europese variant van de Jaguar XE 2.0 Prestige voor de auto minder representatief is.
4.7.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat op de koerslijstwaarde van € 12.887 geen nadere verminderingen mogelijk zijn vanwege een schadeverleden van de auto.
Artikel 110 VwEU/CO2-uitstoot
4.8.
De rechtbank heeft belanghebbende niet geslaagd geacht in het bewijs dat de auto een product van een andere lidstaat is in de zin van artikel 110 van het VwEU. Artikel 110 van het VwEU dwingt reeds daarom niet ertoe om van een lagere CO2-uitstoot van de auto uit te gaan, en daarmee een lagere bruto bpm, aldus de rechtbank.
4.9.
In hoger beroep heeft belanghebbende herhaald dat de bruto BPM voor de auto moet worden berekend op basis van een CO2-uitstoot van 179 gram per kilometer. Die waarde is in het kentekenregister vastgelegd voor 89 referentieauto’s.
4.10.
De klachten van belanghebbende falen. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen in rechtsoverweging 17 van de bestreden uitspraak, is de CO2-uitstoot die voor de auto is vermeld in het kentekenregister leidend voor de heffing van BPM (vgl. artikel 9, lid 13, van de Wet BPM 1992, gelezen in samenhang met artikel 6a, lid 1, Uitvoeringsregeling BPM 1992). Voor zover belanghebbende een beroep heeft willen doen op artikel 110 van het VwEU, faalt dat reeds omdat niet is gesteld, laat staan is bewezen tegenover de betwisting door de inspecteur, dat de auto als gebruikt voertuig een product van een andere lidstaat is.
Historische nieuwprijs
4.11.
Ten aanzien van de historische nieuwprijs, het beginpunt van de afschrijving van de auto, heeft de rechtbank geoordeeld dat moet worden aangesloten bij de nieuwprijs van het in de gehanteerde koerslijst vermelde referentievoertuig.
4.12.
Partijen zijn het in hoger beroep terecht erover eens dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De historische nieuwprijs moet worden vastgesteld uitgaande van de voor de auto zelf geldende netto catalogusprijs, btw daarover en bruto BPM (vgl. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714). Gegeven de stand van het geding die is ontstaan door de oordelen in 4.7 en 4.10, is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag op die grond dient te worden verminderd tot € 4.779. Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.
Kostenvergoeding bezwaar
4.13.
Zoals vermeld in de geschilomschrijving, zijn partijen het voorts erover eens dat de inspecteur de te vergoeden kosten in verband met de behandeling van het bezwaar had moeten berekenen uitgaande van de hoge puntwaarde in onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. Dat leidt tot een te vergoeden bedrag van € 1.294.
Slotsom
4.14.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd.

5.Verzoek vergoeding immateriële schade

Vanwege een overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting in hoger beroep met minder dan zes maanden, wijst het Hof het verzoek van belanghebbende tot vergoeding van immateriële schade toe tot een bedrag van € 500. Dat bedrag komt ten laste van de Staat.

6.Kosten

Aanleiding bestaat de inspecteur te veroordelen in de kosten van belanghebbende voor het geding in beroep en in hoger. Het betreft kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Die kosten stelt het Hof vast op € 907 voor elke instantie (2 punten, € 907 per punt en wegingsfactor 0,5), derhalve op € 1.814 in totaal voor beroep en hoger beroep.

7.Beslissing

Het Hof:
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 4.779;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende in verband met behandeling van het bezwaar, nader vastgesteld op € 1.294;
  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 500;
  • draagt de inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 184 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep heeft betaald en het griffierecht van € 274 dat belanghebbende voor de behandeling van het hoger beroep heeft betaald, en
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof en voor het geding voor de rechtbank, vastgesteld op € 1.814 in totaal.
De uitspraak is gedaan door mrs. W. J. Blokland, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. De beslissing is op 16 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: