Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2026:4953

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
25/951 en 25/952
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 27e AWRArt. 67c AWRArt. 27h AWRArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslagen omzetbelasting en verzuimboete wegens gebrekkige administratie

Belanghebbende, een onderneming die elektronische apparaten levert en repareert, werd geconfronteerd met naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2017 en 2018, een verzuimboete en belastingrente. De inspecteur stelde dat de administratie ernstige gebreken vertoonde, mede door diefstal van de administratie, en dat daardoor de aangiften te laag waren. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur de bewijslast heeft voldaan en dat de administratie niet als betrouwbare grondslag kan dienen.

De rechtbank stelt vast dat belanghebbende onvoldoende heeft aangetoond dat de omzet en verschuldigde belasting lager zijn dan door de inspecteur geschat. De schatting van de inspecteur wordt als redelijk en niet willekeurig beoordeeld. De opgelegde verzuimboete is passend, maar wordt met 10% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van de zaak.

De belastingrente wordt gehandhaafd omdat belanghebbende geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd. De kostenvergoeding in bezwaar wordt als correct vastgesteld beoordeeld. De beroepen worden ongegrond verklaard, de boetebeschikking wordt verminderd tot € 4.750, en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De beroepen tegen de naheffingsaanslagen en boete worden ongegrond verklaard, de boete wordt gematigd tot € 4.750 wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 25/951 en 25/952

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 4 juni 2026 in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigden: mr. M.C.J. Schoenmakers en mr. L.P.H. Hameleers),
en

de inspecteur van de Belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 31 januari 2025.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de tijdvakken gelegen in de hierna genoemde periodes naheffingsaanslagen in de omzetbelasting opgelegd, de volgende verzuimboete opgelegd en tot de volgende bedragen belastingrente in rekening gebracht:
Tijdvakken gelegen in de periode
Belasting
Verzuimboete
Belastingrente
01-01-2017 t/m 31-12-2017
1.292.822
243.093
01-01-2018 t/m 31-12-2018
1.156.642
5.278
230.162
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 gegrond verklaard, de naheffingsaanslag verminderd tot € 1.292.278 en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking tot € 242.991. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018, de daarbij gegeven verzuimboetebeschikking en de daarbij gegeven belastingrentebeschikking ongegrond verklaard.
1.3.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De inspecteur heeft, bij brief van 6 januari 2026, overige zaakstukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 januari 2026 op zitting behandeld (de eerste zitting). Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [directeur belanghebbende] , tot bijstand vergezeld van de gemachtigden van belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift op 27 februari 2026 aan partijen is gezonden.
1.6.
De rechtbank heeft de beroepen vervolgens op 12 maart 2026 op zitting behandeld (de tweede zitting). Hieraan hebben dezelfde personen deelgenomen als genoemd in 1.5. Van hetgeen op de zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de rechtbank gelijktijdig met deze uitspraak een afschrift naar partijen heeft verzonden.
1.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden. Verder beoordeelt de rechtbank of de naheffingsaanslagen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikkingen terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Tot slot beoordeelt de rechtbank of de kostenvergoeding in bezwaar tot een te laag bedrag is toegekend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
2.1.
De rechtbank zal de beroepen ongegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende is opgericht door de heer [directeur belanghebbende] . Hij is sinds de oprichting van belanghebbende haar directeur. Tevens is hij sindsdien (in)direct enig aandeelhouder van belanghebbende.
3.1.
Belanghebbende levert en repareert elektronische apparaten zoals tablets en telefoons.
3.2.
Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden naar, onder meer, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019. Het onderzoek heeft geleid tot een rapport van 17 oktober 2024. In het rapport staat onder meer:
“Belastingplichtige heeft tijdens het inleidend gesprek en de vervolgbespreking aangegeven dat een groot gedeelte van de administratie is gestolen. (…)
Op 13 december 2021 heeft er een vervolgbespreking naar aanleiding van het inleidend gesprek plaatsgevonden. Hierbij is aangegeven dat er geen kasadministratie is bijgehouden. (…) Aansluitend hebben wij op 14 december 2021 de fysieke administratie ingezien. De administratie bestond uit drie archiefdozen met kopieën van bankafschriften, en vier dozen met in- en verkoopfacturen en kostennota’s, alle voornamelijk betrekking hebbende op 2019.
(…)
2.2.1.1 [bvba 1]
is op 8 juni 2017 opgericht door [directeur belanghebbende] . [directeur belanghebbende] heeft twee-derde van het aandelenkapitaal, zijnde € 12.400 volgestort. (…) In de oprichtingsakte is opgenomen dat de heer [directeur belanghebbende] voor onbepaalde duur is aangesteld als niet-statutaire zaakvoerder.
Bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad:
27-09-2017 [persoon 1] (wonende te Hongkong) wordt aangesteld als zaakvoerder met ingang van 1 september 2017;
06-03-2018 [directeur belanghebbende] is met terugwerkende kracht per 8 juni 2017 ontslagen als zaakvoerder. In dit besluit is de heer [persoon 1] , (…), opgenomen als vennoot/zaakvoerder.
(…)
Uit de bankafschriften van [belanghebbende] blijkt niet dat het door hem volgestorte bedrag aan aandelen € 12.400 is terugontvangen. Uit de administratie van [belanghebbende] blijkt dat de volstorting van het aandelenkapitaal is geboekt als margeinkopen. (…)
2.2.1.2 [bvba 2]
is op 19 juli 2017 opgericht door [directeur belanghebbende] en [persoon 2] . (…) De heer [directeur belanghebbende] bezit één aandeel ter waarde van € 186. De heer [persoon 2] bezit de overige 99 aandelen ad € 18.414 (…)
Bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad:
19-07-2017 (…) De heer [persoon 2] wordt benoemd tot zaakvoerder;
19-07-2017 De bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van 31 augustus 2017 heeft met terugwerkende kracht tot 19 juli 2017 het ontslag aanvaard van [persoon 2] als zaakvoerder;
19-07-2018 De bijzondere algemene vergadering van aandeelhouders van 31 augustus 2017 benoemt tot gewoon zaakvoerder met ingang van 19 juli 2017 de heer [directeur belanghebbende] .
(…)
Uit de bankafschriften van [belanghebbende] blijkt dat [belanghebbende] op 9 mei 2017 € 15.957,40 heeft overgemaakt naar bankrekening (…) ten name van [bvba 2] , met als omschrijving “oprichting onderneming België”. Dit bedrag wijkt substantieel af van het aandelenkapitaal van de heer [directeur belanghebbende] volgens de oprichtingsakte, zijnde € 186. Ook hier is het volledige bedrag van € 15.957,40 in de administratie geboekt als marge-inkopen. (…)
Uit de banktransacties van de zakelijke bankrekening (…) van [belanghebbende] blijkt verder de volgende informatie:
[belanghebbende] leent in 2017 € 268.911,49 aan [bvba 2] CO LTD ( [bvba 2] HK)
[belanghebbende] leent in 2017 € 337.596,89 aan [bvba 1] CO LTD ( [bvba 1] HK)
[belanghebbende] leent in 2018 € 12.222,00 aan [bvba 2] CO LTD ( [bvba 2] HK)
(…)
(…) “ [bvba 1] HK” is een in Hongkong gevestigde onderneming van [persoon 1] . (…) “ [bvba 2] HK”, is een onderneming opgericht door [persoon 2] welke eveneens is gevestigd in Hongkong.
(…) Deze leningen zijn geboekt als marge-inkopen. (…)
Op 15 mei 2018 ontvangt [belanghebbende] twee overboekingen afkomstig van (…) [bvba 2] , ten bedrage van € 36.475,48 met als omschrijving “afsluiting Belgische rekening” en € 20.459,44 van (…) [bvba 1] met als omschrijving “afsluiting Belgische rekening”.
(…)
Deze ontvangsten zijn door de voormalig boekhouder gecorrigeerd op de marge-inkopen. (…)
[Belanghebbende] heeft aangegeven dat de administratie tijdens een inbraak is gestolen. De administratie zou zich in een brandkast hebben bevonden, welke tijdens de inbraak is meegenomen. De heer [directeur belanghebbende] heeft beeldmateriaal laten zien dat er een inbraak heeft plaatsgevonden. Aanvullend hebben wij van [belanghebbende] e-mailverkeer met de politie ontvangen, waaruit blijkt dat de politie in België een opengebroken kluis heeft gevonden. Bij de kluis zijn ook documenten aangetroffen, waarop de bedrijfsgegevens van [belanghebbende] stonden. (…) Er zijn nagenoeg geen primaire administratieve bescheiden aangeleverd ten behoeve van het boekenonderzoek.
(…)
De inkoopfacturen zijn in het geheel niet aangeleverd, dit geldt ook voor de orderadministratie. Zowel van de inkomende als van de uitgaande orders is niets overgelegd.
(…), is het e-mailverkeer van [belanghebbende] opgevraagd. In dit e-mailverkeer hebben wij nagenoeg geen administratieve bescheiden aangetroffen. (…)
Mogelijk speelt het niet meer beschikbaar hebben van het e-mailbestand van [email] een rol. Naast het niet meer beschikbaar hebben van de fysieke administratie is er geen back-up van de digitale administratie en e-mailverkeer van [email] gemaakt. Ook is de computer waarop het e-mailbestand van [email] (lokale kopie) heeft gestaan niet bewaard.
[Belanghebbende] heeft onzorgvuldig gehandeld door zijn provider toestemming te geven de back-up van het e-mailbestand van [email] te verwijderen, alvorens te controleren of deze gegevens voor [belanghebbende] zelf nog voorhanden waren. (…)
Daarnaast zijn er aansluitingsverschillen geconstateerd. Er kan geen aansluiting worden gemaakt tussen de administratie van [belanghebbende] en de ingediende aangiften omzetbelasting betreffende het controletijdvak. [Belanghebbende] heeft ondanks herhaald verzoek deze aansluitingsverschillen ook niet toegelicht of afdoende verklaard.
Gezien bovenstaande bevindingen voldoet [belanghebbende] niet aan de administratie- en bewaarplicht.
(…)
Er werd geen kasadministratie en privébankafschriften afgegeven aan de adviseur.
(…)
[Belanghebbende] heeft nagenoeg geen administratie aangeleverd. Om de aanvaardbaarheid van de door [belanghebbende] ingediende aangiften te controleren hebben wij daarom derdenonderzoeken ingesteld. (…)
Naast door ons ingestelde derdenonderzoeken hebben wij ook een groot aantal verzoeken uit andere lidstaten ontvangen op grond van (…).
De verzoeken zien uitsluitend op leveringen van [belanghebbende] aan de betreffende lidstaten verricht in de tijdvakken die liggen tussen 1 april 2017 en 30 november 2018.
(…)
Uit de binnengekomen verzoeken blijkt een totale mismatch van € 715.372 aan verkopen door [belanghebbende]. Hiermee wordt bedoeld dat de afnemers van [belanghebbende] € 715.372 aan verwervingen niet hebben aangegeven, terwijl [belanghebbende] dit bedrag wel intracommunautair heeft gelist.
(…)
De wijze waarop [belanghebbende] zijn verkoopfacturen heeft opgesteld roept vragen op, omdat aan de hand van deze facturen niet is vast te stellen of er sprake is van de levering van btw-goederen “VAT 0%” of van margegoederen “VAT Margin Scheme”. [Belanghebbende] heeft de termen “VAT 0%”en “VAT Margin Scheme” gelijktijdig op zijn facturen vermeld.
(…)
[Belanghebbende] koopt de telefoons in bij [bvba 1] en [bvba 2] . Deze Belgische ondernemingen betrekken de telefoons van [bvba 1] HK gevestigd te Hongkong. (…)
De Belgische ondernemingen hebben de verkopen aan [belanghebbende] aangemerkt als intracommunautaire leveringen. (…)
De telefoons komen rechtstreeks van buiten de EU en zijn binnen de EU alleen voor belaste prestaties gebruikt zodat er op deze telefoons, op het moment van levering door [belanghebbende], geen omzetbelasting drukt.
(…)
Alleen al omdat er in zijn geheel geen omzetbelasting drukt op de door [belanghebbende] geleverde telefoons kan er geen sprake zijn van de toepassing van de margeregeling.
(…)
[Belanghebbende] maakt gebruik van het [facturatieprogramma] . [Belanghebbende] heeft ten behoeve van het onderzoek het exportbestand van zijn facturatieprogramma “ [facturatieprogramma] ” aangeleverd. Uit de exportbestanden blijkt welke facturen en creditfacturen [belanghebbende] heeft aangemaakt.
Allereerst heeft een EDP-er geprobeerd een kruislingse aansluiting te maken tussen de facturen geboekt in de administratie ten opzichte van de facturen gemaakt in [facturatieprogramma] , en andersom. Een aansluiting maken is niet mogelijk gebleken. Dit omdat belanghebbende niet consequent de factuurnummers vanuit [facturatieprogramma] heeft opgenomen in de geboekte omzet in de administratie.
(…)
Uit het exportbestand van [facturatieprogramma] blijkt dat er over de controleperiode verschillende facturen ontbreken.
Jaar
Aantal ontbrekende facturen
2019
21
2018
135
2017
228
(…)
[Belanghebbende] is verzocht hiervoor een verklaring te geven. [Belanghebbende] heeft daarop een aantal ontbrekende facturen in [facturatieprogramma] aangeleverd in pdf-vorm. (…)
2017
130 ontbrekende facturen zijn niet aangeleverd. De gemiddelde factuurwaarde van de 98 aangeleverde ontbrekende factuurnummers bedraagt (afgerond naar beneden) € 4.843 per factuur in 2017.De geschatte factuurwaarde van de ontbrekende 130 facturen bedraagt 130 * € 4.843 = € 629.590.
2018
[Belanghebbende] heeft over 2018, 120 van de 135 ontbrekende facturen aangeleverd. (…)
15 ontbrekende facturen zijn niet aangeleverd. De gemiddelde factuurwaarde van de aangeleverde ontbrekende factuurnummers bedraagt afgerond naar beneden € 3.103 per factuur in 2018. De geschatte factuurwaarde van de ontbrekende 15 facturen bedraagt 15 * € 3.103 = € 46.545.
(…)
Om het belastingnadeel per maand te berekenen hebben wij de aangegeven omzet per maand afgezet tegen de in de administratie geboekte omzet hoog en omzet marge. Dit resulteert in onderstaand overzicht.
2017-1
2017-2
2017-3
2017-4
2017-5
2017-6
2017-7
2017-8
2017-9
2017-10
2017-11
2017-12
Totaal
Aangifte
Aangegeven omzet
€ 1.757
€ 2.129
€ 7.452
€ 5.095
€ 4.110
€ 2.657
€ 2.395
€ 3.805
€ 8.019
€ 4.114
€ 8.510
€ -1.305
€ 48.748
Verschuldigde OB
€ 369
€ 447
€ 1.567
€ 1.070
€ 863
€ 558
€ 503
€ 799
€ 1.684
€ 864
€ 1.787
€ -274
€ 10.237
Administratie
Omzet hoog
€ 511
€ 1.924
€ 4.650
€ 4.022
€ 3.749
€ 3.635
€ 3.830
€ 4.452
€ 4.363
€ 1.424
€ 4.742
€ 4.352
€ 41.654
Omzet marge
€ 1.694
€ 4.645
€ 10.993
€ 8.896
€ 11.925
€ 14.809
€ 3.890
€ 3.568
€ 18.571
€ 17.008
€ 11.295
€ 8.640
€ 115.934
Totaal omzet
€ 2.205
€ 6.569
€ 15.643
€ 12.918
€ 15.674
€ 18.444
€ 7.720
€ 8.020
€ 22.934
€ 18.432
€ 16.037
€ 12.992
€ 157.588
Verschil
Administratie -/- aangegeven
€ 448
€ 4.440
€ 8.181
€ 7.823
€ 11.564
€ 15.787
€ 5.325
€ 4.215
€ 14.915
€ 14.318
€ 7.527
€ 14.297
€ 108.840
Belastingnadeel
€ 94
€ 932
€ 1.718
€ 1.642
€ 2.428
€ 3.315
€ 1.118
€ 885
€ 3.132
€ 3.006
€ 1.580
3.002
€ 22.852
(…)
2018-1
2018-2
2018-3
2018-4
2018-5
2018-6
2018-7
2018-8
2018-9
2018-10
2018-11
2018-12
Suppletie
Totaal
Aangifte
Aangegeven omzet
€ 13.143
€ 7.457
€ 12.405
€ 20.376
€ 13.567
€ 10.229
€ 23.005
€ 8.910
€ 13.767
€ 23.681
€ 12.324
€ 22.719
€ -11.676
€ 169.907
Verschuldigde OB
€ 2.760
€ 1.566
€ 2.605
€ 4.279
€ 2.849
€ 2.148
€ 4.831
€ 1.871
€ 2.891
€ 4.973
€ 2.588
€ 4.771
€ -2.452
€ 35.680
Administratie
Omzet hoog
€ 13.355
€ 7.343
€ 10.028
€ 16.252
€ 16.096
€ 12.087
€ 16.218
€ 13.599
€ 11.658
€ 20.955
€ 15.013
€ 186
€ 152.790
Omzet marge
€ 5.752
€ 3.491
€ 6.082
€ 1.851
€ 1.741
€ 4.204
€ 1.485
€ 7.161
€ 26.117
€ 10.990
€ 5.916
€ 63.687
€ 138.477
Totaal omzet
€ 19.107
€ 10.834
€ 16.110
€ 18.103
€ 17.837
€ 16.291
€ 17.703
€ 20.760
€ 37.775
€ 31.945
€ 20.929
€ 63.873
Verschil
Administratie -/-
aangegeven
€ 5.964
€ 3.377
€ 3.705
€ -2.273
€ 4.270
€ 6.062
€ -5.302
€ 11.850
€ 24.008
€ 8.264
€ 8.605
€ 41.154
€ 11.676
€ 121.360
Belastingnadeel
€ 1.252
€ 709
€ 778
€ -478
€ 896
€ 1.273
€ -1.114
€ 2.488
€ 5.041
€ 1.735
€ 1.807
€ 8.642
€ 2.451
€ 25.485
(…)
De door [belanghebbende] aangegeven omzet intracommunautaire leveringen zijn nagenoeg volledig gelist. De grondslag voor de correctie bedraagt 21/121 van de door [belanghebbende] geboekte omzet op de grootboekrekeningen
8101 Omzet reparatie buitenland
8103 Omzet buitenland binnen EG, en
8109 Omzet margeregeling buitenland binnen EU.
Onderstaand overzicht geeft de correcties per maand weer [opmerking rechtbank: in het controlerapport staan ook de correcties over 2019 maar die zijn onderstaand niet opgenomen]
2018
2017
Maand
Geboekt
Omzet
OB
Maand
Geboekt
Omzet
OB
jan
€ 833.998
€ 689.255
€ 144.744
jan
€ 109.147
€ 90.204
€ 18.943
feb
€ 453.126
€ 374.484
€ 78.642
feb
€ 131.413
€ 108.606
€ 22.807
mrt
€ 305.063
€ 252.118
€ 52.945
mrt
€ 145.437
€ 120.196
€ 25.241
apr
€ 439.666
€ 363.360
€ 76.306
apr
€ 251.331
€ 207.711
€ 43.619
mei
€ 586.221
€ 484.481
€ 101.741
mei
€ 290.715
€ 240.260
€ 50.455
jun
€ 790.717
€ 653.485
€ 137.232
jun
€ 286.475
€ 236.756
€ 49.719
jul
€ 726.918
€ 600.759
€ 126.159
jul
€ 288.606
€ 238.517
€ 50.089
aug
€ 692.989
€ 572.718
€ 120.271
aug
€ 605.305
€ 500.252
€ 105.053
sep
€ 322.740
€ 266.727
€ 56.013
sep
€ 477.581
€ 394.695
€ 82.886
okt
€ 221.347
€ 182.931
€ 38.416
okt
€ 472.418
€ 390.428
€ 81.990
nov
€ 128.925
€ 106.550
€ 22.375
nov
€ 555.506
€ 459.095
€ 96.410
dec
€ 20.979
€ 17.338
€ 3.641
dec
€ 428.929
€ 354.487
€ 74.442
Eindtotaal
€ 5.522.689
€ 4.564.206
€ 958.483
Eindtotaal
€ 4.042.861
€ 3.341.208
€ 701.654
(…)
5.5
Export
(…)
Zoals in voorgaande paragraaf vermeld, heeft [belanghebbende] op geen enkele wijze aangetoond dat de goederen Nederland hebben verlaten. Er zijn enkel verzendoverzichten van [bvba 2] en [bvba 1] aangeleverd. (…) Er is geen enkele aansluiting te maken tussen de verzendoverzichten en de administratie van [belanghebbende]. (…) [Belanghebbende] heeft ten onrechte het 0% tarief toegepast. We corrigeren 21/121 van de geboekte omzet op grootboekrekening 8104 Omzet buitenland buiten EG, dit leidt per maand tot de onderstaande correcties.
(…)
Export
aangiften
omzetbelasting
Export
administratie
Verschil
Omzet
OB
januari
februari
€ 2.314
€ -2.314
€ 1.912
€ 402
maart
€ 2.314
€ 2.314
april
mei
€ 36.709
€ -36.709
€ 30.338
€ 6.371
juni
€ 194.432
€ 162.108
€ 32.324
€ 133.974
€ 28.134
juli
€ 75.293
€ 70.908
€ 4.385
€ 58.602
€ 12.306
augustus
€ 112.740
€ -112.740
€ 93.174
€ 19.566
september
€ 161.363
€ 35.820
€ 125.543
€ 29.603
€ 6.217
oktober
€ 4.260
€ 4.260
€ 3.521
€ 739
november
€ 43.053
€ 43.053
€ 35.581
€ 7.472
december
€ 20.804
€ 33.607
€ -12.803
€ 27.774
€ 5.833
Totaal
€ 501.519
€ 501.519
€ 414.479
€ 87.040
(…)”
3.3.
Uit bankafschriften van belanghebbende blijkt dat zij in 2017 voor een bedrag van € 51.275 aan contante stortingen heeft ontvangen en in 2018 voor een bedrag van € 84.890.
3.4.
Naar aanleiding van de bevindingen tijdens het boekenonderzoek heeft de inspecteur de onderhavige naheffingsaanslagen en beschikkingen vastgesteld. De inspecteur heeft daarbij een verzuimboete opgelegd wegens het niet betalen van omzetbelasting over de tijdvakken gelegen in de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.
3.5.
Bij de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 heeft de inspecteur een kostenvergoeding van € 1.294 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van het hoorgesprek, maal € 647 per punt, met een wegingsfactor van 1 voor de zwaarte van de zaak) toegekend.

Beoordeling

Heeft de inspecteur artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden?
4. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zij voert aan dat de Belastingdienst onderzoek had moeten doen naar de heren [persoon 1] en [persoon 2] en de aan hen gelieerde vennootschappen en dat de inspecteur de stukken met betrekking tot dat onderzoek had moeten inbrengen. Verder stelt belanghebbende dat zij de door de Belgische Belastingdienst gestelde vragen niet in het dossier heeft aangetroffen. Tot slot stelt belanghebbende dat van vier xml-bestanden en drie pdf-bestanden, waarover wordt gesproken in een verslag van een gesprek op 11 oktober 2023, niet duidelijk is of, en zo ja waar, deze bij de gedingstukken zijn gevoegd.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de door de Belgische Belastingdienst gestelde vragen bij het verweerschrift zijn gevoegd als bijlagen 20, 22, 24, 40 en 41. In zoverre heeft de inspecteur dus wél de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.
4.2.
De rechtbank overweegt ten aanzien van het door belanghebbende gewenste onderzoek naar de heren Aktay en de aan hen gelieerde vennootschappen dat stukken die niet bestaan geen op de zaak betrekking hebbende stukken kunnen zijn. Dergelijke stukken bestonden en bestaan niet en staan dus de inspecteur niet ter beschikking. [1]
4.3.
De rechtbank overweegt tot slot dat de inspecteur geloofwaardig heeft verklaard dat de in 4 bedoelde xml-bestanden en pdf-bestanden wél tot de gedingstukken behoren en dat belanghebbende ten aanzien van die stukken niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de stukken van enig belang kunnen zijn (geweest) bij de besluitvorming in haar zaken. [2] Zij heeft niets aangevoerd over de vraag voor welk resterend geschilpunt deze stukken mogelijk van belang zouden kunnen zijn en de rechtbank ziet dat zelfstandig ook niet in.
4.4.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank artikel 8:42 van Pro de Awb niet geschonden.
4.5.
Voor zover artikel 8:42 van Pro de Awb geschonden zou zijn door het niet overleggen van de in 4 bedoelde xml-bestanden en pdf-bestanden – het is niet duidelijk welke stukken dit precies zijn en dus of deze stukken overgelegd zijn – verbindt de rechtbank daaraan geen gevolgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat belanghebbende pas ter zitting heeft gesteld dat deze stukken mogelijk ontbreken, terwijl sprake is van een dossier van meer dan 18.000 pagina’s en belanghebbende bovendien een extra termijn heeft gekregen om deze stukken te bestuderen. Het is logisch dat de inspecteur niet ineens kan aanwijzen exact welke stukken hier bedoeld zijn met de verwijzing naar deze bestanden, nu belanghebbende het standpunt onnodig pas eerst ter zitting inneemt. Daarbij komt dat niet is gesteld welk belang van belanghebbende gemoeid is met de beschikbaarheid van die stukken en dat de inspecteur ter onderbouwing van zijn standpunten geen beroep heeft gedaan op deze stukken.
Zijn de naheffingsaanslagen terecht en niet tot te hoge bedragen opgelegd?
Vereiste aangiften
4.6.
De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan, omdat belanghebbende over de tijdvakken gelegen in de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018 tot aanzienlijke bedragen te laag aangiften heeft gedaan. Daardoor is te weinig belasting geheven zodat, aldus de inspecteur, op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) de bewijslast moet worden verzwaard. Daarbij stelt de inspecteur tevens dat de administratie van belanghebbende ernstige gebreken vertoont.
4.7.
Belanghebbende betwist deze stellingen van de inspecteur. Zij stelt dat zij alle verschuldigde omzetbelasting heeft aangegeven. Zij stelt verder dat de brandkast, waarin zij haar administratie over de onderhavige tijdvakken bewaarde, is gestolen en dat zij er alles aan heeft gedaan om die administratie te reconstrueren.
4.8.
De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur voor de onderhavige tijdvakken geen informatiebeschikking heeft genomen. Verzwaring van de bewijslast is dan alleen aan de orde als de inspecteur aannemelijk maakt dat belanghebbende de vereiste aangiften niet heeft gedaan, omdat te weinig belasting is aangegeven. Deze toets moet voor ieder tijdvak afzonderlijk worden aangelegd. Beoordeeld moet worden of het niet aangegeven bedrag aan belasting in verhouding tot het over ieder tijdvak afzonderlijk verschuldigde bedrag aan belasting zowel absoluut als relatief aanzienlijk is en of belanghebbende zich daarvan bewust was of zich daarvan bewust moest zijn.
4.9.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan zal de inspecteur aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die deze conclusie rechtvaardigen. Onderdeel van zulke feiten en omstandigheden kan zijn dat de administratie zodanige gebreken en tekortkomingen bevat dat deze niet kan dienen als grondslag voor de winst- en omzetberekening [3] en zo ook niet kan dienen voor de vaststelling van de verschuldigde omzetbelasting.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur, met zijn verwijzingen naar het controlerapport en de bijbehorende stukken, voldaan aan de hiervoor bedoelde bewijslast voor alle in geschil zijnde tijdvakken.
Allereerst heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat de administratie van belanghebbende dusdanig ernstige gebreken vertoont dat deze niet kan dienen als grondslag voor de omzetberekening. De rechtbank acht aannemelijk dat belanghebbende geen kasadministratie heeft bijgehouden, terwijl in de onderhavige jaren substantiële bedragen contant werden ontvangen (zie 3.3). De rechtbank hecht meer geloof aan de verklaring van belanghebbende tijdens de vervolgbespreking van 13 december 2021 (zie 3.2 op pagina 2 van deze uitspraak), dat geen kasadministratie is bijgehouden, dan aan haar andersluidende verklaring tijdens de tweede zitting. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat, ook na het alsnog aanleveren van een aantal ontbrekende facturen, er nog altijd 145 facturen over de onderhavige periode ontbreken (zie 3.2 op pagina 5 van deze uitspraak). De inspecteur kon dan ook volstaan met een gemotiveerde schatting van de omzet voor alle tijdvakken afzonderlijk. Gelet op de informatie uit het controlerapport, heeft de inspecteur meer dan dat gedaan. Uit de betreffende bevindingen volgt dat ook voor ieder tijdvak afzonderlijk sprake is van absoluut en relatief aanzienlijke niet aangegeven bedragen.
De rechtbank wijst daarbij op de in 3.2 opgenomen tabellen, die zijn weergegeven op pagina’s 5 en 6 van deze uitspraak. Uit deze tabellen blijkt dat belanghebbende over ieder onderhavig tijdvak steeds een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde omzetbelasting te weinig heeft aangegeven.
4.11.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende er zelf voor heeft gekozen om haar enige versie van de administratie in een brandkast te bewaren en daarvan geen kopieën of back-ups te maken, of op een andere wijze het behoud van haar administratie te borgen. Ook als het zo zou zijn dat de administratie door diefstal verloren is gegaan, dient dit daarom voor rekening en risico van belanghebbende te blijven.
4.12.
Dat belanghebbende er alles aan heeft gedaan om de administratie te reconstrueren maakt – wat er ook zij van de juistheid van deze stelling – niet dat zij aan haar administratieplicht heeft voldaan.
Redelijke schatting
4.13.
De zogenoemde verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat de inspecteur gehouden is uit te gaan van een redelijke schatting van de door belanghebbende niet opgegeven bedragen aan verschuldigde omzetbelasting. Het vereiste van de redelijke schatting strekt, in de context van de verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. [4] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. [5] Daarbij dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre er vanuit mag worden gegaan dat de belastingplichtige in staat is openheid van zaken te geven. Wanneer de schatting van de inspecteur de redelijkheidstoets doorstaat, ligt het vervolgens op de weg van belanghebbende, wanneer zij de schatting betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren. [6]
4.14.
Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur niet onredelijk of willekeurig. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de inspecteur, door de gebreken in de administratie van belanghebbende, heeft te maken met een flinke informatieachterstand. En voorts dat de schatting van de inspecteur is gebaseerd op het controlerapport, waarin de correcties minutieus en zorgvuldig zijn uitgewerkt.
4.15.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende vervolgens niet overtuigend heeft aangetoond dat en waarom de omzet en de verschuldigde omzetbelasting lager is dan door de inspecteur berekend. Belanghebbende heeft geen bewijs overgelegd op basis waarvan kan worden geconcludeerd dan anderen misbruik hebben gemaakt van het inklaringsnummer van belanghebbende. Zij heeft, ondanks het aanleveren van aanvullende informatie in de bezwaarfase, evenmin aangetoond dat door haar geleverde goederen Nederland hebben verlaten.
Is de verzuimboete terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd?
4.16.
Het niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van belasting welke op aangifte moet worden voldaan vormt een verzuim ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige een boete kan opleggen. [7] Gelet op wat hiervoor is overwogen, is sprake van het niet betalen van omzetbelasting die op aangifte had moeten worden voldaan. Daarom kan een boete worden opgelegd van 10% van de verschuldigde belasting, met een maximum van € 5.278 per jaar. [8]
4.17.
Voor het opleggen van een verzuimboete is geen opzet of grove schuld vereist, alleen in geval van afwezigheid van alle schuld (avas) wordt geen verzuimboete opgelegd. Van avas is slechts sprake indien belanghebbende in de gegeven omstandigheden de van haar in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen. [9] De bewijslast hiervoor rust op belanghebbende.
4.18.
Belanghebbende stelt dat haar brandkast, met daarin de administratie, is gestolen. Verder stelt zij dat zij er alles aan heeft gedaan om de administratie te reconstrueren. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit, gelet op wat is overwogen in 4.11 en 4.12, niet mee dat belanghebbende avas aannemelijk heeft gemaakt.
4.19.
De rechtbank acht de opgelegde verzuimboete in dit geval passend en geboden.
4.20.
De duur van de procedure vormt voor de rechtbank aanleiding de boete te matigen, omdat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De rechtbank stelt vast dat 30 november 2023 als aanvangsmoment geldt van de redelijke termijn, nu de boete op die dag, met de aankondiging van de naheffingsaanslag, bekend is gemaakt. Sindsdien is, nu de rechtbank uitspraak doet op 4 juni 2026, afgerond twee jaar en zeven maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar hiermee is overschreden met zeven maanden. [10] De boete zal daarom worden gematigd met 10% [11] tot € 4.750.
Zijn de beschikkingen belastingrente terecht en niet tot te hoge bedragen vastgesteld?
4.21.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikkingen. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat de bedragen van de belastingrente de bedragen van de naheffingsaanslagen volgen.
Is de kostenvergoeding in bezwaar tot een te laag bedrag toegekend?
4.22.
Belanghebbende stelt (nog) dat de kostenvergoeding in bezwaar op de juiste wijze is berekend, maar dat het gewicht van de zaak niet ‘gemiddeld’ is, maar ‘zwaar’. Belanghebbende wijst er daarbij op dat zij is beschuldigd van fraude.
4.23.
De rechtbank overweegt dat de uitkomst van de beoordeling van het gewicht van de zaak in overeenstemming dient te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener. [12] Voor de beoordeling van de vraag welke wegingsfactor in aanmerking moet worden genomen, hanteert de rechtbank als uitgangspunt het door de gerechtshoven omschreven richtsnoer van 7 augustus 2024. [13] De rechtbank ziet in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd en de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak geen aanleiding om af te wijken van een gemiddelde factor. Dit betekent dat de kostenvergoeding voor de bezwaarfase, zoals deze door de inspecteur is toegekend, naar het oordeel van de rechtbank met de juiste wegingsfactor en tot het juiste bedrag is vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. De ambtshalve matiging van de verzuimboete is geen aanleiding voor een gegrondverklaringen van één van de beroepen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar die betrekking heeft op de boetebeschikking;
  • vermindert de boetebeschikking tot € 4.750.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzitter, en mr. V.A. Burgers en prof. dr. G.J. van Norden, leden, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [14]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:995, r.o. 2.3.3 en Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492, r.o. 3.2.3.
2.Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA3823, r.o. 3.5.2.
3.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.1.3.
4.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.5.
5.Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, r.o. 3.7.
6.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, r.o. 3.5.
7.Artikel 67c van de AWR.
8.Paragraaf 24, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
9.Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184, r.o. 3.3.
10.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.
11.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:2713, r.o. 4.16.
12.Hoge Raad 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2293, r.o. 3.3.3.
13.Zie bijvoorbeeld Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
14.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid, van de AWR.