Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen BPM voor twee voertuigen, waarbij zij de taxatiemethode en afschrijvingspercentages betwistte. De inspecteur stelde naheffingsaanslagen vast op basis van een hertaxatie door de Dienst Domeinen Roerende Zaken, die geen waardevermindering wegens schade vond.
De rechtbank oordeelt dat de herleidingsmethode niet toepasbaar is en dat belanghebbende onvoldoende bewijs heeft geleverd voor een afwijkende afschrijving, mede door het ontbreken van inkoopfacturen. De hogere CO2-uitstoot leidt volgens de rechtbank tot een hogere handelsinkoopwaarde, waardoor de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.
Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de belastingrente aangevoerd, zodat deze in stand blijft. Wel is de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met dertien maanden overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.500, waarvan een deel voor rekening van de inspecteur en de rest voor de Staat komt.
De rechtbank wijst het beroep af, bevestigt de naheffingsaanslagen en veroordeelt de Staat en de inspecteur tot betaling van de immateriële schadevergoeding en proceskosten. Het griffierecht wordt niet vergoed omdat de redelijke termijn op het moment van het verzoek nog niet was verstreken.