ECLI:NL:RBZWB:2024:900
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarden van hotels en afwijzing beroep tegen aanslagen OZB
Belanghebbende, eigenaar van twee hotels, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarden en de daarop gebaseerde aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2021. De heffingsambtenaar had de waarden vastgesteld op respectievelijk €4.048.000 en €991.000 per 1 januari 2020. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring en een gegrond verklaard verzet, werden de beroepen op 3 januari 2024 inhoudelijk behandeld.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarden te hoog waren vastgesteld. Voor het pand dat kort voor de waardepeildatum was gekocht en verbouwd tot hotel, concludeerde de rechtbank dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde afweek van de aankoopprijs vermeerderd met verbouwingskosten. Voor het andere hotel werd de waarde bepaald met de huurwaardekapitalisatiemethode, waarbij de rechtbank oordeelde dat de gebruikte kapitalisatiefactor niet te hoog was en dat de coronapandemie geen aanleiding gaf tot een lagere waarde per de peildatum.
Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn constateerde de rechtbank een overschrijding van 11 maanden, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de vertraging mede te wijten was aan het handelen van de gemachtigde. De beroepen werden ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarden en aanslagen gehandhaafd blijven.
Uitkomst: De beroepen tegen de WOZ-waarden worden ongegrond verklaard en de aanslagen OZB gehandhaafd.