ECLI:NL:RBZWB:2023:4389
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €3.426, die na bezwaar werd verminderd tot €2.955. De kern van het geschil betrof de waardevermindering van de auto door schade, de toepasbaarheid van een herleidingsmethode en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank overwoog dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van hogere schade dan reeds erkend. Het taxatierapport en fotomateriaal werden onvoldoende geacht om de hogere schade te onderbouwen. De herleidingsmethode werd verworpen conform eerdere jurisprudentie.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden met twee maanden, waardoor belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding van €500. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot betaling van proceskosten van €837 en het griffierecht van €184. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de naheffingsaanslag in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 wegens termijnoverschrijding.