Belanghebbende, directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap, kreeg een navorderingsaanslag IB/PVV 2015 opgelegd wegens vermeende winstuitdeling. De inspecteur stelde dat een lening van de vennootschap aan belanghebbende, verminderd met een pensioenverplichting, als winstuitdeling moest worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een winstuitdeling, omdat de vennootschap haar rechten als schuldeiser niet had prijsgegeven en geen bevoordelingsbedoeling bestond. Wel stelde de rechtbank vast dat de pensioenverplichting feitelijk als zekerheid voor de lening was gaan dienen, waardoor de waarde van de pensioenaanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking moest worden belast.
De navorderingsaanslag bleef daardoor in stand op basis van interne compensatie. Daarnaast werd belanghebbende een vergoeding van € 500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, en proceskostenvergoeding van € 837. De inspecteur werd veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen en het griffierecht.