Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Achtergrond
Indicatie voorgestane motivering claims tot en met 2007’ als volgt geantwoord: “
Met betrekking tot de vervangende betaling is het primaire standpunt van de fondsen dat deze als zodanig in strijd is met het EU-recht. Subsidiair gaan de fondsen voorwaardelijk akkoord met de vervangende betaling”. De gemachtigde voert daarbij in de kern aan dat het rechtsherstel waarin de Hoge Raad voorziet op diverse onderdelen onverenigbaar is met het Unierecht. Verder heeft de gemachtigde onder meer aangevoerd, kort gezegd, de beslissing van de Hoge Raad van 9 april 2021 [3] (de beslissing van de Hoge Raad van 9 april 2021) inzake de afdrachtsverminderingsregeling (Unierechtelijk) onjuist te achten.
2.Beoordeling
zoals omschreven door de Hoge Raad. Uit de gegeven toelichting blijkt namelijk dat (subsidiair) ingestemd wordt met een vervangende betaling die op een wezenlijk andere wijze wordt berekend dan de Hoge Raad heeft uiteengezet, namelijk over – kort gezegd – de Nederlandse winst in plaats van de wereldwinst. De rechtbank ziet, in deze procedures, geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt, reeds omdat niet een voldoende – concreet op een zaak betrekking hebbende – berekening is ingebracht. [10]
3.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
geenuitspraak gedaan omdat deze vooralsnog worden aangehouden (zie ook de brief van 14 december 2021 aan de inspecteur):
Uit de bijlage bij de brief van de rechtbank van 24 september 2021
geenuitspraak gedaan omdat deze vooralsnog worden aangehouden (zie ook de brief van 14 december 2021 aan de inspecteur):
geenuitspraak gedaan. Deze was abusievelijk vermeld in de brief van 13 december 2021.