In deze prejudiciële beslissing beantwoordt de Hoge Raad vragen van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de teruggaaf van dividendbelasting aan een buiten Nederland gevestigd beleggingsfonds dat volgens Nederlandse fiscale maatstaven als doelvermogen wordt aangemerkt.
De Hoge Raad verwijst naar het arrest Deka van het Hof van Justitie van de Europese Unie en bevestigt dat een buitenlands beleggingsfonds dat als doelvermogen kwalificeert recht heeft op teruggaaf van ingehouden dividendbelasting, mits het fonds de uiteindelijk gerechtigde is en de aandelen niet tot een ondernemingsvermogen behoren. Tevens is van belang dat het fiscaal regime in het land van vestiging van het fonds niet relevant is voor het recht op teruggaaf.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de aandeelhouderseisen van artikel 28, lid 2, Wet Vpb 1969, die gelden voor fiscale beleggingsinstellingen, ook voor niet-ingezeten fondsen gelden en dat het niet voldoen aan deze eisen door een buitenlands fonds met slechts één aandeelhouder geen ongerechtvaardigde inbreuk vormt op de vrijheid van kapitaalverkeer. Deze eisen zijn immers niet per definitie of de facto alleen vervulbaar door Nederlandse fondsen.
De beslissing bevestigt dat het Nederlandse fiscale regime voor teruggaaf van dividendbelasting in overeenstemming is met het Unierecht en dat de voorwaarden voor fiscale beleggingsinstellingen niet discriminerend zijn ten opzichte van buitenlandse fondsen.