Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Griffierecht en proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een besloten vennootschap die haar zetel in 2010 naar Malta verplaatste, kreeg aanslagen vennootschapsbelasting (VPB) en naheffingsaanslagen dividendbelasting (DB) opgelegd over de jaren 2011 tot en met 2014. De inspecteur handhaafde deze aanslagen, waarop belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende, ondanks de zetelverplaatsing, voor Nederlandse belastingheffing als inwoner van Nederland moet worden aangemerkt. De rechtbank onderzocht onder meer de vestigingsplaatsficties in de Wet VPB en Wet DB, de toepasselijkheid van belastingverdragen met Malta en Zwitserland, en de feitelijke uitoefening van de leiding over belanghebbende.
De rechtbank concludeerde dat belanghebbende niet als inwoner van Malta kan worden beschouwd, omdat de werkelijke leiding niet op Malta wordt uitgeoefend. De formele aanwezigheid van bestuurders en vergaderingen op Malta volstaat niet. Ook het beroep op de vrijheid van vestiging faalde, omdat het EU-recht een omgekeerde discriminatie toestaat. De belastingverdragen met Malta en Zwitserland belemmeren de Nederlandse heffing niet.
De rechtbank matigde de opgelegde boete wegens onjuiste aangifte VPB 2013 van € 25.000 naar € 21.250 vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Tevens werden de aanslagen VPB 2011 en 2012 verminderd vanwege toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Het beroep op vernietiging van de naheffingsaanslagen dividendbelasting werd afgewezen. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Aanslagen VPB 2011 en 2012 verminderd, boete VPB 2013 gematigd tot € 21.250, overige beroepen ongegrond verklaard.