ECLI:NL:RBSGR:2008:BD5011
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
De zaak betreft het beroep van een Chinese vreemdeling tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie op grond van artikel 59, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser betoogde dat er geen zicht is op uitzetting omdat de Chinese autoriteiten sinds april 2007 geen laissez passers meer verstrekken, ondanks vele ingediende aanvragen. Verweerder stelde dat er wel zicht op uitzetting bestaat en dat de bewaring daarom rechtmatig is.
De rechtbank stelde vragen aan verweerder, die bevestigde dat er tot juni 2008 circa 950 aanvragen voor laissez passers bij de Chinese autoriteiten in behandeling waren zonder dat daar antwoord op was gegeven, en dat sinds april 2007 geen laissez passer meer was afgegeven. Dit leidde tot het oordeel dat er slechts een theoretische kans op uitzetting bestaat, onvoldoende voor het opleggen van bewaring.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring van meet af aan onrechtmatig was wegens het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting binnen afzienbare termijn. De maatregel werd per direct opgeheven, schadevergoeding toegekend van € 2.100,- en verweerder veroordeeld in de proceskosten van € 644,-.
Uitkomst: De maatregel van vreemdelingenbewaring wordt per direct opgeheven wegens ontbreken van reëel zicht op uitzetting en eiser ontvangt een schadevergoeding van € 2.100,-.