ECLI:NL:RBROT:2025:15312

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
ROT 22/5717, ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugwijzing van vier bestuursrechtelijke zaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met betrekking tot niet tijdig beslissen en schadevergoeding

Deze uitspraak betreft de terugwijzing van vier zaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In twee van de zaken had de rechtbank verzuimd uitspraak te doen, terwijl in de andere twee zaken de Afdeling tot een ander oordeel kwam dan de rechtbank. De rechtbank doet nu deels alsnog en deels opnieuw uitspraak in deze vier zaken, die oorspronkelijk de zaaknummers ROT 18/6136, ROT 18/6137, ROT 19/3464 en ROT 20/1173 hadden en na terugwijzing zijn omgenummerd naar ROT 22/5719, ROT 22/5717, ROT 22/5718 en ROT 22/5720. De rechtbank oordeelt dat zij in één zaak onbevoegd is, omdat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt op welk besluit het beroep wegens niet tijdig beslissen betrekking heeft. In een andere zaak is het beroep ongegrond, omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens gebrek aan een primair besluit. De derde en vierde zaak zijn met elkaar verbonden. De rechtbank concludeert dat het beroep in de derde zaak moet worden geconverteerd naar een beroep wegens niet tijdig beslissen, en dat de beslissing van het college van 6 augustus 2019 de beslissing op bezwaar vormt. Dit besluit kan standhouden, maar het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk wegens het ontvallen van procesbelang. Eiseres krijgt echter een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. De uitspraak bevat ook beslissingen over terugstorting en vergoeding van griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 22/5717, ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaken tussen

[naam eiseres] ( [naam eiseres] ), uit [plaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de terugwijzing van een viertal zaken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In twee van de in de uitspraak van de Afdeling genoemde zaken had de rechtbank verzuimd uitspraak te doen en in twee andere zaken kwam de Afdeling tot een ander oordeel dan de rechtbank. Daarom doet de rechtbank deels alsnog en deels opnieuw uitspraak in vier zaken. Deze zaken hadden oorspronkelijk de zaaknummers ROT 18/6136, ROT 18/6137, ROT 19/3464 en ROT 20/1173 en hebben na terugwijzing respectievelijk de volgende zaaknummers gekregen: ROT 22/5719, ROT 22/5717, ROT 22/5718 en ROT 22/5720.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat zij in één zaak onbevoegd is, omdat [naam eiseres] niet duidelijk heeft gemaakt op welk te nemen besluit het beroep wegens niet tijdig beslissen ziet. In een andere zaak is het beroep ongegrond, omdat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard bij gebrek aan een primair besluit. De derde en vierde zaak horen bij elkaar. Volgens de rechtbank moet het beroep in de derde zaak worden geconverteerd in een beroep wegens niet tijdig beslissen en vormt de beslissing van het college van 6 augustus 2019 (de vervolmaking van) de beslissing op bezwaar. Dit besluit kan standhouden en het beroep wegens niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk wegens het ontvallen van procesbelang. Wel krijgt [naam eiseres] een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de rechtbank. Verder bevat de uitspraak beslissingen omtrent terugstorting en vergoeding van griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze beslissingen is gekomen.

Procesverloop

3. Op 9 april 2021 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in een groot aantal zaken tussen partijen (ECLI:NL:RBROT:2021:3034; de uitspraak van de rechtbank). Een deel van de zaken zag op inzage in persoonsgegevens of stukken en een ander deel zag op bijstandgerelateerde zaken. Gelet op de verschillende onderwerpen waarop de uitspraak van de rechtbank zag, heeft de rechtbank twee hoger beroepsclausules opgenomen in haar uitspraak.
4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2053) de uitspraak van de rechtbank vernietigd in de genoemde vier zaken en bepaald dat de rechtbank alsnog uitspraak dient te doen in de zaken ROT 18/6136, ROT 18/6137 en opnieuw uitspraak zal moeten doen in de zaken ROT 19/3464 en ROT 20/1173. Daarbij heeft de Afdeling gelast dat het college aan [naam eiseres] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.
5. Nadat de rechtbank een zitting had gepland op 3 februari 2023, ontving zij via de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van partijen een verzoek om uitstel van de zitting, waarna de zitting is uitgesteld.
6. Op 1 augustus 2023 heeft de Raad uitspraak gedaan in de overige hoger beroepen van [naam eiseres] tegen de uitspraak van de rechtbank (ECLI:NL:CRVB:2023:1523). Dit betreft een finale afdoening van die zaken.
7. Om onbekende reden zijn de zaken na de uitspraak van de Raad langere tijd blijven liggen.
8. Naar aanleiding van het verzoek van [naam eiseres] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt in de zaken ROT 22/5718 en ROT 22/5720.
9. Omdat [naam eiseres] niet heeft ingestemd met het achterwege laten van een zitting, heeft op 16 december 2025 een zitting plaatsgehad. [naam eiseres] is verschenen. Het college is met bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Zaak ROT 22/5717 (voorheen ROT 18/6137)
10. De zaak ROT 22/5717 (voorheen ROT 18/6137) ziet op een door [naam eiseres] op
2 december 2018 ingesteld beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Het college heeft in zijn verweer aangegeven dat niet duidelijk is tegen welke berichtgeving of beslissing het onderliggende bezwaar is gericht. Ook de rechtbank kan uit het beroepschrift niet afleiden waartegen het niet tijdig beslissen is gericht. Mede om die reden is [naam eiseres] eerder door de rechtbank verzocht haar beroepen te verduidelijken. [naam eiseres] is daar niet in geslaagd, omdat zij daarin verwijst naar eerdere onduidelijke stukken. Ook ter zitting kon zij niet aangeven waartegen het beroep is gericht. Dit betekent dat het beroep van [naam eiseres] zonder voorwerp is. Om die reden zal de rechtbank zich in deze zaak onbevoegd verklaren (vgl. ECLI:NL:RVS:2022:2053, punten 31 en 31.1).
Zaak ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136)
11. De zaak ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136) ziet op een door [naam eiseres] (eveneens) op 2 december 2018 ingesteld beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. Hoewel uit het beroepschrift zelf niet aanstonds blijkt waartegen het onderliggende bezwaar is gericht, heeft het college kunnen achterhalen dat dit is gericht tegen een e-mailbericht van een zogenoemde matchmaker van 1 november 2017 waarin [naam eiseres] wordt meegedeeld dat haar dossier is overgedragen aan de afdeling Pre-Match voor verdere bemiddeling/begeleiding. Omdat [naam eiseres] een bijstandsuitkering ontvangt gaat de rechtbank ervan uit dat dit mailbericht ziet op de uitvoering van de Participatiewet. Op 25 februari 2020 heeft het college het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard omdat het genoemde e-mailbericht geen besluit oplevert als bedoeld in artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) nu met dit bericht de rechten van [naam eiseres] niet zijn gewijzigd.
12. Ter zitting heeft [naam eiseres] uiteengezet dat zij in de veronderstelling was dat de dossieroverdracht gevolgen had voor haar rechtspositie. De overdracht had namelijk tot gevolg dat het lopende traject dat was gericht op uitstroom werd beëindigd en zij in een ander – zwaarder – traject werd geplaatst, met verplichtingen tot gevolg. [naam eiseres] meent dat dit traject is ingezet met het oogmerk haar te straffen voor het doen van inzageverzoeken. Gelet op deze uiteenzetting die door het college – dat zich niet ter zitting heeft laten vertegenwoordigen – niet is weersproken, zal de rechtbank aannemen dat hier geen sprake is van misbruik van recht, anders dan eerder wel is aangenomen in andere zaken waarin [naam eiseres] (herhaaldelijk) rechtsmiddelen instelde tegen feitelijke berichten (zie ECLI:NL:CRVB:2023:1523, punten 4.4.9, 4.5 en 4.6). De rechtbank overweegt verder als volgt.
13. Omdat het college alsnog heeft beslist op het bezwaar, is het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk. Gelet op artikel 6:20, eerste lid, van de Awb is het beroep van rechtswege mede gericht tegen het besluit op bezwaar van 25 februari 2020. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met dit besluit het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe wordt het volgende overwogen.
14. Van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste of tweede lid, van de Awb is eerst sprake als een schriftelijke mededeling op rechtsgevolg is gericht, dat wil zeggen dat het erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel een juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen (bijv. ECLI:NL:RVS:2016:2525 en ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7946). Naar het oordeel van de rechtbank is het genoemde e-mailbericht van 1 november 2017 niet gericht op rechtsgevolg. Net zoals een uitnodiging voor een re-integratiegesprek (bijv. ECLI:NL:CRVB:2022:2151) niet op rechtsgevolg is gericht, is de enkele mededeling dat het re-integratiedossier van [naam eiseres] is overgedragen aan de afdeling Pre-Match voor verdere bemiddeling/begeleiding niet op dit gevolg gericht. Weliswaar kan het onderbrengen in een ander re-integratietraject leiden tot besluiten die een verplichting voor [naam eiseres] doen ontstaan en waartegen zij dus bezwaar kan maken, maar de enkele mededeling van dossieroverdracht heeft niet reeds zo’n gevolg.
15. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren en het beroep van rechtswege tegen het besluit op bezwaar van 25 februari 2020 ongegrond.
Zaken ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) en ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173)
16. De zaken ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) en ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173) hebben betrekking op aanvragen op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (EU) 2016/679 (AVG) dan wel de tot 2018 van toepassing zijnde Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Aan de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 ontleent de rechtbank het volgende:
“23. In zaak nr. 19/3464 gaat het om het volgende. Op 24 oktober 2017 heeft een medewerker van de gemeente, cluster Werk en Inkomen, per e-mail gereageerd op het verzoek. In de e-mail staat dat het verzoek van 24 augustus 2017 in behandeling is genomen als inzageverzoek en niet als Wbp-verzoek omdat het verzoek van [naam eiseres] daartoe geen aanleiding gaf. Inzage heeft inmiddels plaatsgevonden en de medewerker gaat ervan uit dat [naam eiseres] voldoende is geïnformeerd.
Bij besluit van 29 mei 2019 heeft het college beslist op het bezwaar dat [naam eiseres] tegen deze e-mail heeft gemaakt. Het college heeft het onbevoegd genomen bestreden besluit van 24 oktober 2017 herroepen en besloten om alsnog te beslissen op het inzageverzoek dat ziet op controle en opsporing op grond van artikel 15 van de AVG.
Zaak nr. 20/1173 is het vervolg op zaak nr. 19/3464. Bij besluit van 6 augustus 2019 heeft het college het inzageverzoek van [naam eiseres] afgewezen. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat in de gevraagde periode geen persoonsgegevens zijn verwerkt in het kader van controle en opsporing.
Op 22 januari 2020 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar door [naam eiseres] ongegrond verklaard.
24. De rechtbank heeft de beroepen tegen de besluiten van 29 mei 2019 en 22 januari 2020 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en de bezwaren van [naam eiseres] tegen de berichten van 24 oktober 2017 en 6 augustus 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het verzoek van 24 augustus 2017 geen aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid van de Awb, maar een verzoek om feitelijke inzage. Het bericht van eiseres van 22 oktober 2017, waarin zij erop aandringt dat alsnog een beslissing wordt genomen en waarin zij schrijft dat de eerdere berichten op artikel 35 van de Wbp zijn gebaseerd, kan hier niet aan afdoen. Uit de eerdere correspondentie kon niet worden afgeleid dat eiseres een verzoek in de zin van artikel 35 van de Wbp had willen doen. Naar aanleiding van het e-mailbericht van een medewerker van verweerder van 24 oktober 2017 waarin ook met zoveel woorden was vermeld dat het verzoek als een verzoek om feitelijke inzage was opgevat, had het in de rede gelegen dat [naam eiseres] alsnog een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp zou hebben ingediend in plaats van bezwaar te maken indien zij een voor bezwaar vatbaar besluit wenste te ontvangen, aldus de rechtbank.
25. [naam eiseres] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het verzoek van 24 augustus 2017 geen aanvraag is in de zin van de Awb. Het college had het verzoek niet mogen beperken door te stellen dat het alleen om een feitelijke handeling ging enkel en alleen omdat zij niet de juiste woorden had gebruikt, zoals het noemen van de Wbp. De rechtbank overweegt ten onrechte dat het in de rede had gelegen dat zij alsnog een verzoek op grond van artikel 35 van de Wbp zou hebben ingediend in plaats van bezwaar te maken als zij een appellabel besluit wenste te ontvangen. Zij voert aan dat het college juist behulpzaam had moeten zijn en haar had moeten vragen waar het om ging. De rechtbank heeft haar bezwaar ten onrechte zelf voorziend niet-ontvankelijk verklaard, aldus [naam eiseres] .
25.1.
Uit de tekst van het verzoek van 24 augustus 2017 blijkt dat [naam eiseres] inzage in dan wel afschriften van rapporten wenst te verkrijgen. Hoewel niet uitdrukkelijk is vermeld dat het gaat om rapporten met daarin over haar verwerkte persoonsgegevens, staat vast dat dat wel duidelijk is voor het college. Het gaat namelijk om uitkeringen op grond van de Wet werk en bijstand en de Participatiewet vanaf 2014. Over het re-integratietraject en deze aan haar verleende uitkeringen lopen vele geschillen tussen [naam eiseres] en het college. Nog voordat inhoudelijk op het verzoek van [naam eiseres] is gereageerd, heeft [naam eiseres] bovendien bij e-mail van 22 oktober 2017 uitdrukkelijk gesteld dat het verzoek is gebaseerd op artikel 35 van de Wbp. Bij e-mail van 24 oktober 2017 heeft de medewerker van de gemeente het verzoek desondanks expliciet niet als zodanig opgevat. In de daarna volgende besluiten van 29 mei 2019, 6 augustus 2019 en 22 januari 2020 heeft het college deze e-mail niet voor zijn rekening genomen en het verzoek alsnog opgevat als verzoek in de zin van het toen inmiddels in werking getreden artikel 15 van de AVG. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het verzoek van 24 augustus 2017 geen aanvraag is in de zin van de Awb en dat de reacties hierop geen besluiten zijn. Zij heeft ten onrechte geoordeeld dat het college de bezwaren van [naam eiseres] bij de besluiten van 29 mei 2019 en 22 januari 2020 niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Het betoog slaagt.”
17. De rechtbank komt thans in deze twee zaken tot de volgende beoordeling.
18. Artikel 7:11 van de Awb brengt met zich dat het college met de brief van 29 mei 2019 niet kon volstaan met een gegrondverklaring, maar dat het tevens een besluit op de aanvraag had moeten nemen. De enkele gegrondverklaring van het bezwaar – al dan niet met een herroeping van het e-mailbericht van 24 oktober 2017 – kan vanwege het niet in de plaats daarvan stellen van een inhoudelijke beslissing niet als een besluit worden aangemerkt. Het beroep bij de rechtbank is dan ook gericht tegen het uitblijven van een besluit op het door [naam eiseres] gemaakte bezwaar, dat op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld (vgl. ECLI:NL:RVS:2021:1695 en ECLI:NL:CRVB:2014:2133). De rechtbank converteert het beroep tegen de brief van 29 mei 2019 aldus in een beroep wegens niet tijdig beslissen. Bij zo’n converteren hoeft gelet op artikel 6:12, derde lid, van de Awb niet te worden vastgesteld of en wanneer een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden (vgl. impliciet ECLI:NL:RVS:2017:1990, punt 8.2).
19. Het besluit van 6 augustus 2019 waarin alsnog op de aanvraag is beslist vormt aldus een besluit op bezwaar als bedoeld in artikel 6:20 van de Awb. Gelet hierop was het college niet bevoegd om dat besluit nogmaals te heroverwegen, zodat het besluit van 22 januari 2020 onbevoegd is genomen. De rechtbank zal dit – tezamen met het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie (de commissie) – aanmerken als een nadere motivering van het besluit van 6 augustus 2019 (vgl. ECLI:NL:CRVB:2015:3803).
20. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het beroep van rechtswege tegen het besluit van 6 augustus 2019 had moeten betrekken in de zaak ROT 19/3464 en de zaak ROT 20/1173 dus ten onrechte is aangelegd. Gelet hierop zal de rechtbank de griffier gelasten het betaalde griffierecht in de laatstgenoemde zaak (thans ROT 22/5720) terug te storten. Niettemin zal de rechtbank om administratieve redenen beide oude en beide nieuwe zaaknummers aanhouden. Dit betekent dat het geconverteerde beroep wegens niet tijdig beslissen valt onder zaaknummer ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) en dat het beroep van echtswege tegen het besluit van 6 augustus 2019 valt onder zaaknummer ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173).
21. De rechtbank zal nu het beroep van rechtswege tegen het besluit van 6 augustus 2019 beoordelen.
22. In haar e-mailbericht van 24 augustus 2017 vraagt [naam eiseres] om het volgende:
“Ik wil u verzoeken om mij inzage te geven in, althans mij (digitale) afschriften te verstrekken van eventueel bestaande rapporten van Controle & Opsporing betreffende de aanvraag, toekenning, etc., van een uitkering WWB/Pw, etc.. Het betreft in elk geval de periode vanaf de aanmelding voor een uitkering WWB/Pw in 2014 tot en met heden.
Ook ontvang ik graag relevante informatie over het bestaan van een proces-verbaal dat door Controle & Opsporing is opgemaakt in het kader van een strafrechtelijk onderzoek t.a.v. hetgeen hierboven is vermeld en eveneens over voornoemde periode, zodat ik eventueel een verzoek tot inzage van een dergelijke proces verbaal kan richten tot het Openbaar Ministerie via de Officier van Justitie.”
23. Op 22 september 2017 bericht [naam eiseres] in reactie op een bericht van een medewerker van de gemeente onder meer als volgt:
“Met dank voor uw bericht. Mijn vraag was inderdaad niet enkel gericht op inzage/verstrekken van rapporten van Controle & Opsporing zoals verricht en opgesteld door de (afdeling) ‘Unit bijzondere onderzoeken’, maar ook op die van Werk & Inkomen, of wellicht een Unit Instroom, Unit uitstroom, etc..
Wat is er bijvoorbeeld in het kader van preventie en bestrijding van (uitkerings)fraude voor controle/opsporing/handhaving/toetsing/analyse verricht door relevante afdelingen waaronder bv. de afdeling Werk & Inkomen (of een andere Unit/afdeling) betreffende de aanvraag, toekenning, etc., van een uitkering WWB/Pw, etc..?
De periode betreft zoals gezegd in elk geval de periode vanaf de aanmelding voor een uitkering WWB/Pw in 2014 tot en met heden.
Bestaan er bijvoorbeeld in het kader daarvan (relevante) rapportages/aantekeningen gemaakt door (bepaalde) klantmanagers, kwaliteitsmedewerkers, controleurs, specialisten, e.d., of hoe de gemeente het ook noemt, al dan niet in samenspraak/overleg met afdeling Werk & Inkomen en/of andere relevante afdelingen.
Daar zou dan bijvoorbeeld ook verslagen of rapportages, aantekeningen, etc., inzake toetsing en toezicht onder kunnen vallen, bijvoorbeeld aangaande inkomensintake, herziening, verrekening/terugvordering, wijziging, rechtmatigheidsonderzoek, heronderzoek, etc., d.w.z. alle vormen van controle en opsporing (bv observaties, (online) meekijken, volgen, etc.) maar ook analyse/toetsing/toezicht/signaalfuncties (bv. risico’s), etc., mbt tot de uitkering(saanvraag/wijziging/etc.) die o.a. als doel hebben het beperken van de instroom in de uitkering en het verlagen van de gemiddelde uitkeringshoogte of anderzins bv uitkomsten van deelname aan pilots/experimenten waarbij ik ingedeeld ben, kortom de actuelere handhavingstaken van controle, opsporing, analyse en verificatie o.a. i.h.k.v. bestuursrechtelijke rechtmatigheidsonderzoeken, e.d..”
24. Het besluit van 6 augustus 2019 houdt – voor zover van belang – in dat het verzoek tot inzage op grond van artikel 15 van de AVG ten aanzien van de rapporten van Controle & Opsporing zoals verricht en opgesteld door Werk & Inkomen en/of andere relevante afdelingen en het aanvullend verzoek tot inzage op grond van artikel 15 van de AVG ten aanzien van de ‘monitoring en logging’ gegevens allebei worden afgewezen. De reden voor de afwijzing van de verzoeken is de volgende:
“Taken in het kader van Controle & Opsporing betreffende een uitkering worden centraal uitgevoerd door de afdeling Toetsing & Toezicht voor het gehele cluster Werk & Inkomen. Deze afdeling heeft uw dossier nagelopen en bekeken of over de gevraagde periode 2014 tot en met 24 augustus 2017 uw persoonsgegevens zijn verwerkt in het kader van Controle & Opsporing.
Dit is niet het geval geweest, over betreffende periode zijn er geen persoonsgegevens van u verwerkt in het kader van Controle & Opsporing. Hierdoor ontbreken de bijbehorende ‘monitoring en logging’ gegevens.”
25. Het advies van de commissie van 16 december 2019 – waarin [naam eiseres] bezwaarmaakster is genoemd en het besluit van 6 augustus 2019 het bestreden besluit – bevat onder meer het volgende (citaat zonder randnummers):
“Bezwaarmaker heeft in de gronden bij haar bezwaarschrift in hoofdzaak aangegeven dat het college in het bestreden besluit het verzoek te beperkt heeft opgevat. Het college had dienen te beseffen dat het verzoek zich niet beperkte tot controle en opsporing. De commissie heeft overwogen dat het college gezien de tekst van het verzoek en het aanvullend verzoek, die verzoeken heeft mogen opvatten als verzoeken om inzage ten aanzien van controle en opsporing, respectievelijk monitoring en logging. De commissie heeft in de stukken en het verhandelde ter zitting geen redenen gezien om te twijfelen aan de stelling van het college dat dergelijke gegevens niet zijn aangetroffen.
(…)
De commissie is van oordeel dat het college met het onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit heeft voldaan aan zijn plichten op grond van de AVG. De commissie heeft daarbij betrokken dat het college eerder bij besluit van 6 januari 2017 inzage heeft verleend in het elektronisch dossier van het cluster W&I en dat bij besluit van 18 oktober 2018 een document is verstrekt “het document ter inzage van uw dossier van 17-1-2017 tot op heden”. De commissie heeft overwogen dat, voor zover bezwaarmaakster heeft bedoeld om een nieuwe update van haar dossier te verzoeken, had het op haar weg gelegen om haar bedoeling helder te maken. De commissie heeft daarbij ook overwogen dat ter zitting namens het college is aangegeven dat het heeft gepoogd om in deze zaak bezwaarmaker meer dan gebruikelijk en eenmalig tegemoet te komen door haar een overzicht van verwerkingen uit het systeem Socrates’ te verstrekken.”
26. [naam eiseres] heeft in beroep onder meer aangevoerd dat het college eerder heeft erkend dat iedere afdeling zijn eigen registratiesysteem heeft, zodat zich niet alleen bij het cluster Werk en inkomen persoonsgegevens van [naam eiseres] zullen bevinden, maar ook bij de Unit
bijzondere onderzoeken. [naam eiseres] wijst er in dit verband op dat zij stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er wel onderzoeken hebben plaatsgevonden mede gezien de BKWI-registraties, door onder andere de Unit Bijzondere Onderzoeken.
27. De rechtbank is met de commissie van oordeel dat de zoekslag niet te beperkt is geweest, mede omdat niet alleen binnen het gehele cluster Werk & Inkomen een zoekslag is verricht, maar [naam eiseres] voorts inzage is verleend in het systeem Socrates. De door [naam eiseres] ingebrachte correspondentie over de raadpleging door de dienst of afdeling belast met bijstand van de gemeente Rotterdam van het Suwinet leidt niet tot een ander oordeel. Die raadpleging door de dienst of afdeling belast met bijstand van de gemeente Rotterdam van het Suwinet had plaats op verschillende tijdstippen vanaf 11 oktober 2017. De RDW heeft [naam eiseres] bericht aan welke organisaties persoonsgegevens van [naam eiseres] zijn verstrekt. Daar zat één organisatie van de gemeente Rotterdam bij, namelijk een verstrekking op 27 januari 2019 aan Stadstoezicht. Deze raadplegingen (voor zover die relevant zijn) vallen dus buiten de periode waarop het inzageverzoek betrekking heeft. Dit vormt een belangrijke indicatie dat de onderzoeken waarop [naam eiseres] doelt, liggen na de periode waarop haar inzageverzoek zoals aangevuld op 22 september 2017 betrekking heeft.
28. Verder heeft de rechtbank aan de hand van een zoekslag in het dossier niet kunnen achterhalen dat het college eerder heeft erkend dat zich gegevens van [naam eiseres] bevinden van de Unit Bijzondere Onderzoeken. Dit dient voor rekening en risico van [naam eiseres] te komen. Ondanks dat haar eerder is verzocht om een korte uiteenzetting waartoe de vele door haar ingediende stukken en beroepschriften dienen, heeft [naam eiseres] dit met haar aanvullingen niet verduidelijkt.
29. Het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2019 (zoals nader gemotiveerd met het besluit van 22 januari 2020 en het advies van commissie) is daarom ongegrond.
30. [naam eiseres] heeft zich in haar beroep in deze zaak op het standpunt gesteld dat het college dwangsommen heeft verbeurd wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank overweegt als volgt.
31. Het beroep tegen de brief van 29 mei 2019, dat de rechtbank – zoals hiervoor is beschreven – converteert in een beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar, is door de rechtbank ontvangen op 10 juli 2019. Dit beroep zal gegrond moeten worden verklaard voor zover hier nog een belang bij bestaat los van de inhoudelijke beslissing die is genomen op
6 augustus 2019. Daarvan is sprake indien de rechtbank is verzocht toepassing te geven aan artikel 8:55c van de Awb door zelf de verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast te stellen en voorts is voldaan aan de toepassingsvoorwaarde van die bepaling. Daarvoor is vereist dat het bestuursorgaan in gebreke is gesteld. Dit moest tenminste twee weken voor het instellen van het beroep zijn gebeurd.
32. [naam eiseres] heeft in haar aanvullende beroepschriften gesteld dat zij het college meermaals heeft verzocht om alsnog te beslissen. De rechtbank heeft in de stukken Verschillende herzieningsverzoeken en bezwaarschriften aangetroffen waarin het college wordt verzocht alsnog te beslissen en die dateren van na het ingestelde beroep. Nog los van de omstandigheid dat deze in lange geschriften verstopte verzoeken om alsnog te beslissen (waarbij niet is vermeld dat het college in verzuim is tijdig op het bezwaar te beslissen) geen geldige ingebrekestellingen zijn (vgl. ECLI:NL:HR:2016:1124 en ECLI:NL:RVS:2015:1531), kunnen die niet als een ingebrekestelling gelden voor een reeds ingesteld beroep. Een dwangsom is in deze zaak dus niet verbeurd.
33. Gelet op een en ander is het beroep wegens niet tijdig beslissen bij gebrek aan een belang als bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Awb niet-ontvankelijk.
34. Voor zover [naam eiseres] op grond van artikel 8:91 van de Awb verzoekt om schadevergoeding wegens onrechtmatige gegevensverwerking wijst de rechtbank dit af, omdat uit de bestreden besluitvorming niet volgt dat daarvan sprake is geweest.
De redelijke termijn
35. [naam eiseres] heeft in alle zaken verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
36. Omdat in zaak ROT 22/5717 (voorheen ROT 18/6137) niet kan worden vastgesteld waartegen het beroep niet tijdig is gericht, is er naar het oordeel van de rechtbank evenmin aanleiding om uit te gaan van relevante spanning en frustratie bij het uitblijven van een uitspraak binnen redelijke termijn. Er volgt daarom in deze zaak geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
37. Met betrekking tot de zaken ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720 wordt het volgende overwogen.
38. In de oorspronkelijke zaak ROT 19/3464 heeft [naam eiseres] op 16 februari 2017 een bezwaarschrift ingediend. De rechtbank stelt vast dat de Afdeling [naam eiseres] geen schadevergoeding wegens termijnoverschrijding heeft toegekend, maar zij heeft alleen getoetst of de bestreden besluiten zelf onrechtmatig waren (ECLI:NL:RVS:2022:2053, punt 35 en 35.1). Verder heeft de Raad in zijn latere uitspraak van 1 augustus 2023 overwogen dat de lange duur van de procedure aan het procedeergedrag van [naam eiseres] zelf is te wijten (ECLI:NL:CRVB:2023:1523, punt 4.7). In de voorliggende zaken is sprake van hetzelfde procesgedrag. De rechtbank zal gelet op een en ander ervan uitgaan dat de redelijke termijn is verlengd en eerst is verstreken nadat de Raad uitspraak deed, dus vanaf 2 augustus 2023.
39. Op grond van vaste rechtspraak wordt een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend voor ieder half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn is overschreden (bijv. ECLI:NL:RVS:2025:1471). Omdat met de periode die ligt tussen 2 augustus 2023 en het doen van uitspraak meer dan twee jaar is gemoeid, maakt [naam eiseres] aanspraak op een schadevergoeding van € 2.500. Daarbij worden de zaken ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720 wegens de samenhang in procedure als één zaak aangemerkt. Omdat de overschrijding geheel is toe te rekenen aan de duur van de tweede beroepsfase, zal de rechtbank de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot deze schadevergoeding.
40. Omdat de Staat wordt veroordeeld tot deze schadevergoeding wordt zij in de zaken ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720 als partij aangemerkt. Omdat sprake is van een gering bedrag heeft de rechtbank met inachtneming van artikel 1, eerste en tweede lid, van de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014 (Stcrt. 2014, 20210) ervan afgezien de Staat gelegenheid te bieden verweer te voeren ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

41. In de zaak ROT 22/5717 (voorheen ROT 18/6137) zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren. In de zaak ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136) zal de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren en het beroep van rechtswege ongegrond. Ook in de zaak ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) respectievelijk zaak ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173) zal de rechtbank het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren en het beroep van rechtswege ongegrond.
42. Verder wordt de Staat veroordeeld tot schadevergoeding van € 2.500 in de (samenhangende) zaken ROT 22/5718, ROT 22/5719 en ROT 22/5720.
43. Omdat de rechtbank zich in de zaak ROT 18/6137 (thans ROT 22/5717) onbevoegd verklaart, ziet zij aanleiding het in die zaak betaalde griffierecht van € 46 terug te laten storten (zie artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken). Ook in de zaak ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173) zal de rechtbank de griffier gelasten het betaalde griffierecht van € 178 terug te storten. Dit betreft immers een beroep van rechtswege waarvoor geen afzonderlijk griffierecht is verschuldigd. Deze instructies aan de griffier komen niet terug in het dictum van de uitspraak.
44. Voor de zaak ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136) en de zaak ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) geldt het volgende. Omdat de beroepen van rechtswege mede zijn gericht tegen de besluiten op bezwaar en de beroepen daartegen ongegrond zijn, krijgt [naam eiseres] niet het in het oorspronkelijke beroepen voldane griffierecht vergoed. Zij heeft immers – na de correctie hierboven – niet opnieuw griffierecht hoeven te voldoen voor het van rechtswege ontstane beroep (zie ECLI:NL:RVS:2018:3887, ECLI:NL:CRVB:2003:AJ6875 en ECLI:NL:CBB:2019:295).
45. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
46. Met betrekking tot de op te nemen hogerberoepsclausule merkt de rechtbank op dat hoewel sprake is van een terugwijzing van deze ver zaken door de Afdeling, de Raad bevoegd is kennis te nemen van een hoger beroep in de zaak ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136). De dossieroverdracht waartegen [naam eiseres] in de zaak wenst op te komen is immers een bijstandgerelateerde kwestie.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart zich onbevoegd in de zaak ROT 22/5717 (voorheen ROT 18/6137);
  • verklaart de beroepen wegens niet tijdig beslissen in de zaken ROT 22/5718 (voorheen ROT 19/3464) en ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136) niet-ontvankelijk;
verklaart de beroepen van rechtswege in de zaken ROT 22/5719 (voorheen ROT 18/6136) en ROT 22/5720 (voorheen ROT 20/1173) ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot een schadevergoeding aan [naam eiseres] van € 2.500.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen. In de zaak ROT 22/5719 kan het hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. In de overige zaken kan het hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.