Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2022:2644

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
21/1273
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 AwbArt. 3:4 AwbArt. 14 Rijkswet op het NederlanderschapArt. 120 Grondwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar intrekking Nederlanderschap wegens termijnoverschrijding

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn Nederlanderschap in te trekken, maar deed dit te laat. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Eiser stelde dat het evenredigheidsbeginsel, zowel nationaal als Unierechtelijk, een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de termijnoverschrijding, omdat het verlies van het Nederlanderschap een zwaarwegend gevolg is. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 6:11 Awb Pro een nationale procedureregel is en dat bij het ontbreken van Unierechtelijke procesvoorschriften het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is.

De rechtbank stelde vast dat de termijnoverschrijding te wijten was aan een fout van de gemachtigde, wat niet verschoonbaar is. Hierdoor is geen ruimte voor belangenafweging en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat eiser nog een verzoek tot heroverweging kan indienen indien nieuwe verklaringen worden overgelegd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van het Nederlanderschap is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/1273

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2022 in de zaak tussen

[naam] , in [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. L.J.L. Leijtens).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2020 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris eisers Nederlanderschap op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingetrokken.
Bij brief van 16 februari 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 13 april 2021 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de gronden van het beroep
op 28 juni 2021 ingediend.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 april 2022. Eiser is samen met zijn gemachtigde naar de zitting gekomen. Namens de staatssecretaris is zijn gemachtigde naar de zitting gekomen.

Overwegingen

Griffierechten en betalingsonmacht
1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de beschikbare informatie, aannemelijk is gemaakt dat hij niet in staat is het verschuldigde bedrag te betalen. Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser door het niet betalen van griffierecht redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Dat betekent dat het beroep niet om die reden niet-ontvankelijk is.
Wat aan het bestreden besluit vooraf is gegaan
2. Op 22 december 2020 heeft de staatssecretaris, naast het primaire besluit, ook een besluit genomen tot het uitvaardigen van terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod. Dit besluit is samen met het primaire besluit op diezelfde dag aan eiser in persoon uitgereikt.
3. Tegen het besluit tot het uitvaardigen van terugkeerbesluit en het opleggen van een inreisverbod heeft eiser op 19 januari 2021 beroep ingediend bij de rechtbank. Bij uitspraak van 22 januari 2022 [1] heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard.
4. Zoals gezegd heeft eiser tegen het primaire besluit op 16 februari 2021 bezwaar gemaakt bij de staatssecretaris.
Het bestreden besluit
5. Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het door eiser tegen het primaire besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, vanwege overschrijding van de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt en omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
De beoordeling door de rechtbank aan de hand van wat is aangevoerd
6. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Awb weegt het bestuursorgaan de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. Op grond van het tweede lid mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen
7. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar tegen het primaire besluit na afloop van de bezwaartermijn en dus te laat is ingediend. In geschil is of deze termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daartoe betoogt eiser dat bij de beantwoording van die vraag het (Unierechtelijke) evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel een rol spelen. Het onevenredig gevolg is immers het verlies van zijn Nederlanderschap, aldus eiser. Daarbij wijst eiser op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 februari 2022 [2] en de daaraan voorafgaande conclusie van 7 juli 2021 van de staatsraden advocaten-generaal (AG’s) mr. R.J.G.M. Widdershoven en mr. P.J. Wattel [3] en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 12 maart 2019 (het arrest Tjebbes e.a.) [4] .
8. De rechtbank stelt voorop dat artikel 6:11 van Pro de Awb ertoe verplicht om een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten als de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid niet aan de indiener van een bezwaar- of beroepschrift is toe te rekenen.
9. Niet in geschil is dat in dit geval door een fout van de gemachtigde te laat bezwaar is gemaakt. Fouten van een gemachtigde van de indiener van het bezwaar- of beroepschrift zijn geen reden om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen [5] . Er bestaat dus geen verplichting voor de staatssecretaris om in dit geval een niet-ontvankelijkverklaring achterwege te laten.
10. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling [6] en de Centrale Raad van Beroep [7] dat bij vaststelling van een niet-verschoonbare termijnoverschrijding, artikel 6:11 van Pro de Awb geen ruimte biedt voor een belangenafweging als gevolg waarvan buiten het kader van dat artikel een uitzondering kan worden toegestaan op een voor eiser fatale termijn. Dat betekent dat de staatssecretaris het belang van eiser om zijn Nederlanderschap te behouden niet hoefde te betrekken bij de beoordeling of niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet worden gelaten. Dat betekent ook dat het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:4 van Pro de Awb niet van toepassing is.
11. Wat betreft de door eiser aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022 en de conclusie van de AG’s van 7 juli 2021 ziet de rechtbank aanleiding om zich aan te sluiten bij de – recentere – conclusie van staatsraad advocaat-generaal (AG) mr. G. Snijders van 18 mei 2022 [8] , omdat in deze conclusie specifiek(er) wordt ingegaan op de verhouding tussen een wet in formele zin en het evenredigheidsbeginsel. Deze AG schrijft dat wetten normaal gesproken niet getoetst mogen worden aan het evenredigheidsbeginsel. Dat volgt namelijk uit het toetsingsverbod in artikel 120 van Pro de Grondwet. Maar dit geldt niet als de wetgever bij zijn afweging bepaalde omstandigheden niet onder ogen heeft gezien. Het gaat dus om de vraag óf de wetgever aan deze specifieke omstandigheden heeft gedacht. Heeft de wetgever hier niet aan gedacht, dan is het mogelijk om de wet toch aan rechtsbeginselen en ongeschreven recht te toetsen. Dat wordt contra legem (tegen de wet) toetsing genoemd. Als de wetgever het specifieke geval wel onder ogen heeft gezien, is contra legem toetsing niet toegestaan. In dat geval zou rechterlijke toetsing van de wet de afweging van de wetgever namelijk doorkruisen. Dan geldt het toetsingsverbod wel.
12. De wetgever heeft met artikel 6:11 van Pro de Awb bedoeld rekening te houden met de omstandigheid dat de oorzaak van de termijnoverschrijding in redelijkheid niet aan de indiener van een bezwaar- of beroepschrift is toe te rekenen. In die bedoeling ligt besloten dat als de oorzaak van de termijnoverschrijding wel aan de indiener is toe te rekenen een niet-ontvankelijkverklaring niet achterwege wordt gelaten. Zo’n situatie is hier aan de orde. Contra legem toetsing van artikel 6:11 van Pro de Awb is dus in dit geval niet toegestaan.
13. Wat betreft het beroep van eiser op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel stelt de rechtbank voorop dat het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op zich onder de reikwijdte van het Unierecht valt [9] . Artikel 6:11 van Pro de Awb betreft echter een nationale procedureregel. Het is vaste rechtspraak van het Hof [10] dat het in Unierechtelijke zaken toepasselijke procesrecht bij gebreke van Unierechtelijke voorschriften ter zake beheerst wordt door de beginselen van gelijkwaardigheid, doeltreffendheid en effectieve rechtsbescherming. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat hierbij ook met het evenredigheidsbeginsel rekening moet worden gehouden. Het arrest Tjebbes e.a. biedt daar geen steun voor.
14. Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris terecht het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden was de staatssecretaris niet gehouden om het verzoek van eiser om de beslissing op bezwaar aan te houden te honoreren totdat de Iraakse ambassade een verklaring zou hebben afgegeven over de echtheid en inhoudelijke juistheid van een Iraakse afstandsverklaring. Overigens heeft de Iraakse ambassade die verklaring nog steeds niet afgegeven. Mocht dat alsnog gebeuren, dan staat het eiser vrij om onder overlegging van die verklaring een verzoek tot heroverweging van de intrekking van het Nederlanderschap in te dienen.
De conclusie
15. De staatssecretaris heeft het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard.
16. Het beroep is ongegrond. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 24 juni 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

4.ECLI:EU:C:2019:189.
5.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8122, en 29 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0447.
6.Zie onder meer de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1804.
7.Zie onder meer de uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9446.
9.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1098, en de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 14 februari 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:838, r.o. 83.
10.Zie de arresten van 16 december 1976, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188; 16 december 1976, Comet, ECLI:EU:C:1976:191; 14 december 1995, Peterbroeck, ECLI:EU:C:1995:437; 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., ECLI:EU:C:2007:318.