ECLI:NL:RBOBR:2022:2644
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid bezwaar intrekking Nederlanderschap wegens termijnoverschrijding
Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn Nederlanderschap in te trekken, maar deed dit te laat. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Eiser stelde dat het evenredigheidsbeginsel, zowel nationaal als Unierechtelijk, een rol zou moeten spelen bij de beoordeling van de termijnoverschrijding, omdat het verlies van het Nederlanderschap een zwaarwegend gevolg is. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 6:11 Awb Pro een nationale procedureregel is en dat bij het ontbreken van Unierechtelijke procesvoorschriften het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is.
De rechtbank stelde vast dat de termijnoverschrijding te wijten was aan een fout van de gemachtigde, wat niet verschoonbaar is. Hierdoor is geen ruimte voor belangenafweging en is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen deze beslissing werd ongegrond verklaard. De rechtbank wees erop dat eiser nog een verzoek tot heroverweging kan indienen indien nieuwe verklaringen worden overgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de intrekking van het Nederlanderschap is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.