ECLI:NL:RVS:2017:1098
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- D.A.C. Slump
- J.J. van Eck
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over verlies van Nederlanderschap en EU-burgerschap bij verblijf in buitenland
Vier appellanten, allen met een dubbele nationaliteit en langdurig verblijf buiten Nederland en de EU, zagen hun aanvragen voor een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld omdat zij volgens de minister het Nederlanderschap van rechtswege hadden verloren op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De rechtbank oordeelde dat de minister niet bevoegd was om het verlies van het Nederlanderschap te beoordelen en verwees naar de civiele rechter. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraken en stelde dat de minister wel degelijk het Nederlanderschap moet vaststellen en daarbij rekening moet houden met het EU-recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel.
De Afdeling onderzocht de nationale regelgeving en internationale verdragen en concludeerde dat het verlies van het Nederlanderschap van rechtswege niet per definitie strijdig is met het internationale recht, maar dat onduidelijk is of de algemene regelingen in de RWN voldoen aan het evenredigheidsbeginsel van het EU-recht, vooral voor minderjarigen.
Daarom stelde de Afdeling prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van de artikelen 20 en 21 VWEU en artikel 7 van Pro het Handvest, met betrekking tot het ontbreken van een individuele toetsing aan het evenredigheidsbeginsel bij het verlies van het Nederlanderschap en daarmee het EU-burgerschap.
De behandeling van de hoger beroepen is geschorst in afwachting van het oordeel van het Hof van Justitie.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst en prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie over het verlies van het Nederlanderschap en EU-burgerschap.