Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 20 augustus 2019 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
Nieuwe gronden ter zitting
Wettelijke grondslag
op clusterniveauvergelijkbaar met de tijdsbesteding die volgt uit de observaties in Utrecht, Emmen en Haarlem (p. 46).
€ 256,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,00 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van gering gewicht is, nu deze procedure slechts betrekking heeft op de vraag of verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar. De kosten die eiseres verder in beroep heeft moeten maken worden begroot op € 1.280,00 (1 punt voor het indienen van het beroep, 0,5 punt voor de verschijning ter comparitie en 1 punt en wegingsfactor 1). Hierbij overweegt de rechtbank dat ook in beroep onvoldoende is gebleken dat een vergoeding volgens het forfaitaire vergoedingenstelsel niet in verhouding zou staan tot de door de gemachtigde verrichte werkzaamheden. Ook met betrekking tot de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten bestaat er dan ook geen grond voor het oordeel dat met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb moet worden afgeweken van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Bpb. Verweerder dient derhalve in totaal € 2.560,00 aan eiseres te vergoeden. Daarnaast moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
Beslissing
- verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar ongegrond is verklaard;
- verklaart het bezwaar gegrond;
- kent eiseres een recht op 180 minuten hulp per week toe tot en met 25 maart 2038;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover vernietigd;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs in bezwaar en beroep heeft moeten maken, begroot op € 2.560,00;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 47,00 aan eiseres moet vergoeden.