Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1421

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
LEE 23/5164
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
onderdeel 3.5 bijlage I Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen naheffingsaanslag BPM en toekenning immateriële schadevergoeding

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 6.746 opgelegd door de inspecteur. De aanslag is gebaseerd op een taxatierapport en een schouwrapport van de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ), waarbij de inspecteur een lagere schadepost en waardevermindering hanteert dan eiseres stelt.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de schade hoger is dan door de inspecteur geaccepteerd. De extra waardevermindering wegens een defecte differentieel wordt niet erkend omdat de auto nog kon worden gebruikt. Ook de 72%-regeling voor waardevermindering wordt toegepast, waarbij eiseres geen gemotiveerde afwijking heeft gegeven.

Verder is het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand door de RDW weliswaar een waardedrukkende factor, maar eiseres heeft niet bewezen dat dit in haar geval tot een lagere waarde leidt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 14 maanden, waarvan 12 maanden aan de inspecteur en 2 maanden aan de rechtbank worden toegerekend. Eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding van € 1.286 van de inspecteur en € 214 van de Minister. Daarnaast worden proceskosten toegekend, maar het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en een immateriële schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5164
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Dam),
en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale administratieve processen/Auto/BPM, de inspecteur.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de Minister van Justitie en Veiligheid(de Minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 september 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 6.746.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Lammers (de kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en namens de inspecteur mr. [naam 1] , mr. [naam 2] , [naam 3] .

Feiten

2. Eiseres heeft aangifte Bpm gedaan voor een personenauto Volvo XC60 3.2 Momentum (SUV 5-dr.) (de auto). De aangegeven CO2-uitstoot van de auto bedraagt 270 gr/km. De datum eerste toelating van de auto is 15 oktober 2014.
2.1.
De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport met datum 1 november 2021 verschuldigde Bpm van € 531 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 88.925 en een handelsinkoopwaarde van € 988. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 16.018 (bestaande uit een aftrek van € 5.242 wegens schade, een bijtelling voor correctie Xray matrix van € 700, een aftrek van € 3.500 in verband met ‘geen oordeel km stand’ en een extra waardevermindering van € 7.976 in verband met een defecte differentieel) in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een Xray koerslijst van € 17.006.
2.2.
De inspecteur heeft eiseres uitgenodigd de auto bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) te tonen. DRZ heeft met dagtekening 15 november 2021 een verslag van haar bevindingen gemaakt. In het rapport van DRZ is een historische nieuwprijs van € 91.180 opgenomen en een handelsinkoopwaarde van € 14.454. De handelsinkoopwaarde is bepaald met behulp van een Xray koerslijst, waaruit een handelsinkoopwaarde volgt van € 18.090. Er is door DRZ € 3.636 (72% van € 5.050) aan schade in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst.
2.3.
Naar aanleiding van de bevindingen van DRZ heeft de inspecteur de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Zijn de schadeposten in het taxatierapport terecht opgevoerd?
5. Eiseres stelt dat sprake is van meer schade aan de auto dan waar de inspecteur rekening mee heeft gehouden en verwijst ter onderbouwing naar het taxatierapport, waarin een schade is gecalculeerd van € 13.218 (€ 5.242 aan schade en € 7.976 extra waardevermindering in verband met een defecte differentieel). Dit bedrag is geheel als waardevermindering in aftrek gebracht. Volgens eiseres heeft de inspecteur de defecte differentieel ten niet als waardevermindering meegenomen. Verder stelt eiseres dat de onderhavige auto een relatief jong en exclusief voertuig is en dat bij dit soort voertuigen iedere schade te kwalificeren is als bovenmatige gebruikssporen.
6. De inspecteur heeft aan de hand van het rapport van DRZ betwist dat er sprake zou zijn van een groter bedrag aan schadeposten en herstelkosten dan DRZ in aanmerking heeft genomen.
7. De rechtbank stelt voorop dat eiseres de gestelde waardevermindering wegens schade aannemelijk dient te maken, nu zij een beroep doet op de aanwezigheid van waardeverminderende factoren en de inspecteur gemotiveerd heeft betwist dat een hoger bedrag wegens schade in aanmerking moet komen. [1]
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres, mede gelet op de leeftijd en de kilometerstand van de auto, niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van meer schade dan de inspecteur heeft geaccepteerd. De rechtbank kan uit de foto’s in het taxatierapport niet afleiden dat er sprake is van meer dan normale gebruiksschade. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht geen rekening heeft gehouden met een extra waardevermindering in verband met een defecte differentieel. Uit het dossier blijkt dat er met de auto nog 406 kilometer is gereden tussen de keuring door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) en de datum van de fysieke schouw bij DRZ. De differentieel was dus niet dusdanig defect dat er niet meer met de auto gereden kon worden. De rechtbank gaat daarom uit van de door de inspecteur geaccepteerde schade van € 5.050 (zie 2.2).
Hoe groot is de waardevermindering als gevolg van de geconstateerde herstelkosten?
9. Vervolgens komt de vraag op of de inspecteur ten onrechte slechts 72% van de schade heeft geaccepteerd. Vaststaat dat het belastbare feit in deze zaak zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 2023. De tot die tijd geldende 72%-regeling, neergelegd in onderdeel 3.5 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, houdt in dat in een taxatierapport de waardevermindering als gevolg van schade wordt vastgesteld door het schadebedrag te vermenigvuldigen met 72% en dat, als de taxateur van mening is dat de waardevermindering voor het te taxeren motorrijtuig hoger is dan deze norm, dit gemotiveerd moet worden. Hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat door herstel van schade die niet het gevolg is van normaal gebruik ook beschadigingen verdwijnen die het gevolg zijn van normaal gebruik. [2] Gelet hierop kan de inspecteur zich bij het ontbreken van een dergelijke motivering van de taxateur op het standpunt stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat de waardevermindering meer bedraagt dan 72% van de herstelkosten van schade die niet het gevolg is van normaal gebruik. Voor de vraag of de 72%-regeling in strijd is met het Unierecht verwijst de rechtbank naar onderdeel 7 van de conclusie van A-G Wattel van 22 maart 2019 [3] en de daarin aangehaalde jurisprudentie van het Hof van Justitie.
10. Gelet op het voorgaande kon de inspecteur in beginsel uitgaan van 72% van het schadebedrag. Dit wordt slechts anders indien eiseres of haar de taxateur motiveert dat dit percentage hoger dient te zijn. Dit heeft zij nagelaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Dient er een waardevermindering te worden toegekend vanwege ‘geen oordeel km-stand’ ?
11. Eiseres stelt dat er bij het berekenen van de handelsinkoopwaarde rekening moet worden gehouden met het feit dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand van de auto. Volgens eiseres is dit een waardedrukkende factor.
12. De inspecteur heeft de stellingen van eiseres gemotiveerd betwist.
13. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand een waardedrukkende factor kan zijn, omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. Daar staat tegenover dat bij deze specifieke auto niets wijst in de richting van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met een waardevermindering rekening moeten worden gehouden wegens het ontbreken van een oordeel over de kilometerstand.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug.
Vergoeding van immateriële schade
15. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg (ISV).
16. De inspecteur heeft erop gewezen dat de zitting in deze zaak eerder was gepland op 21 oktober 2024 en vervolgens op 2 december 2024, maar dat (de gemachtigde van) eiseres beide keren om uitstel heeft verzocht. Het langer voortduren van de procedure is volgens de inspecteur daarom toe te rekenen aan gemachtigde. De inspecteur heeft concreet verzocht om de redelijke termijn met de periode gelegen tussen 2 december 2024 en 5 maart 2026 (de uiteindelijke zittingsdatum) te verlengen.
17. De rechtbank overweegt als volgt. In de uitspraak van 29 januari 2026 van deze rechtbank [4] was eenzelfde verzoek tot verlenging aan de orde. Het betrof dezelfde gemachtigde en dezelfde eerder geplande zittingsdata. In die zaak heeft de zitting uiteindelijk plaatsgevonden op 13 november 2025. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 29 januari 2026 aanleiding gezien om de redelijk termijn te verlengen met elf maanden en het volgende overwogen:

9.2. De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn in dit geval te verlengen. Het eerste verzoek om uitstel van de gemachtigde van eiseres geeft geen aanleiding tot verlenging [5] , maar de rechtbank merkt het tweede verzoek om uitstel wel aan als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn voor berechting rechtvaardigt. [6] De personele omstandigheden bij de gemachtigde die in dit verzoek zijn genoemd, moeten voor rekening van eiseres komen. De rechtbank verlengt de redelijke termijn met (ruim) 11 maanden, zijnde de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025.”
18. De rechtbank komt in dit beroep tot een gelijk oordeel en verlengt de redelijke termijn met (ruim) elf maanden, zijnde de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen tot en met 5 maart 2026 (de uiteindelijke zittingsdatum), omdat de periode van 13 november 2025 tot en met de uiteindelijke zittingsdatum niet voor rekening van eiseres komt. Het is namelijk niet eiseres toe te rekenen dat deze zaak niet al op 13 november 2025 op zitting is behandeld, samen met de hiervoor onder 17. genoemde zaak.
19. De rechtbank stelt vast dat in de procedure de redelijke termijn is overschreden, nu er op de dag waarop deze uitspraak is gedaan meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de dag waarop de inspecteur het bezwaar heeft ontvangen. Tot en met de datum van deze uitspraak zijn er vier jaren en (afgerond) een maand verstreken. Dit betekent dat de redelijke termijn – zonder verlenging – met afgerond 25 maanden is overschreden. Rekening houdend met verlenging van de redelijke termijn met elf maanden (de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025) is de termijnoverschrijding (afgerond) veertien maanden. Dit leidt tot een ISV van € 1.500. Het bezwaar is door de inspecteur ontvangen op 18 maart 2022. De uitspraak op bezwaar is gedaan op 12 september 2023. De termijnoverschrijding is voor (afgerond naar boven) twaalf maanden toe te rekenen aan de inspecteur en voor twee maanden aan de rechtbank. De rechtbank veroordeelt daarom de inspecteur tot vergoeding van de immateriële schade voor een bedrag van € 1.286 (12/14 * € 1.500) en de Minister voor de rest van het bedrag, zijnde € 214.
20. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord. [7]
Proceskosten en griffierecht
21. Omdat het verzoek om de vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen, komt eiseres in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Voor de rechtsbijstand door de gemachtigde kent de rechtbank 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en een wegingsfactor 0,25. [8] De proceskostenvergoeding bedraagt dus € 233,50. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel de inspecteur als de Minister is toe te rekenen, wordt deze evenredig aan de toegerekende termijnoverschrijding verdeeld.
22. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug, omdat de redelijke termijn niet was overschreden ten tijde van het arrest van 31 mei 2024. [9]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 1.286;
- veroordeelt de Minister tot betaling aan eiseres van een vergoeding wegens immateriële schade van € 214;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 200,14;
- veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 33,36.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Brekelmans, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Hoge Raad 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:63.
2.Hoge Raad 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1273.
3.Conclusie A-G Wattel 22 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:276.
4.Rechtbank Noord-Nederland 29 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:380
5.Zie Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461.
6.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.b.
7.Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,Stcrt. 2014, 20210.
8.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.
9.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.2.