ECLI:NL:RBNNE:2026:380

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
12 februari 2026
Zaaknummer
LEE 23/5430
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet BpmArt. 8 Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992Art. 110 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en weigering immateriële schadevergoeding

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 4.517 opgelegd door de inspecteur, gebaseerd op een hogere handelsinkoopwaarde dan door eiseres opgegeven. Eiseres gebruikte een taxatierapport zonder inkoopfactuur, wat niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden voor de taxatiemethode. De inspecteur baseerde de aanslag op een rapport van DRZ met een hogere handelsinkoopwaarde.

De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport van eiseres niet voldoet aan de vereisten, met name het ontbreken van een inkoopfactuur, en dat het vereiste van een dergelijke factuur niet in strijd is met het Unierecht. Hierdoor is de taxatiemethode niet toepasbaar en is de aanslag terecht opgelegd op basis van de koerslijstwaarde.

Daarnaast verzocht eiseres om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank verlengt de redelijke termijn vanwege een uitstelverzoek van eiseres zelf, waardoor de termijn niet is overschreden en het verzoek wordt afgewezen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, de naheffingsaanslag blijft in stand en eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/5430
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A.J.M. Lodestijn),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen/kantoor Utrecht, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 december 2023.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres met dagtekening 7 april 2023 een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd ten bedrage van € 4.517.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur eiseres € 18 belastingrente in rekening gebracht.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en namens de inspecteur mr. [naam 1] en [naam 2] .

Feiten

2.
2.1.
Eiseres heeft op 20 september 2022 aangifte Bpm gedaan voor een Jeep Grand Cherokee 3.0 CRD Overland (de auto). Zij heeft vervolgens op 27 september 2022 € 1.461 Bpm op aangifte voldaan.
2.2.
De Bpm is door eiseres berekend aan de hand van een taxatierapport van [taxateur] met datum 13 september 2022 (het taxatierapport). Daarbij is uitgegaan van een kilometerstand van 64.372. De volgens de aangifte verschuldigde Bpm van € 1.461 is berekend op basis van een historische nieuwprijs van € 102.325 en een handelsinkoopwaarde van € 4.765. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 17.748 in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een XRAY koerslijst van € 22.513. De waardevermindering van € 17.748 bestaat uit een aftrek van € 14.748 wegens schade, een aftrek van € 3.500 in verband met ‘geen oordeel’ over de kilometerstand en een bijtelling van € 500 voor ‘correctie conform XRAY Matrix’. Bij het taxatierapport is geen inkoopfactuur of -verklaring gevoegd.
2.3.
Eiseres heeft, op uitnodiging van de inspecteur, het voertuig getoond aan DRZ. DRZ heeft het voertuig onderzocht en een rapport opgemaakt met datum 26 september 2022. Uit het rapport van DRZ volgt een historische nieuwprijs van € 102.325 en een handelsinkoopwaarde van € 19.502. Die handelsinkoopwaarde is berekend door een bedrag van € 3.011 (72% van € 4.182 aan bruto schade) in mindering te brengen op de handelsinkoopwaarde volgens een XRAY koerslijst van € 22.513.
2.4.
De inspecteur heeft op basis van de bevindingen van DRZ (2.3.) de in geschil zijnde naheffingsaanslag opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de handelsinkoopwaarde juist is vastgesteld.
4. Niet is in geschil dat sprake is van een auto met meer dan normale gebruiksschade.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan eiseres opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vermindering op basis van de taxatiemethode?
6.1.
Eiseres stelt dat sprake is van meer schade aan de auto dan waar de inspecteur rekening mee heeft gehouden en verwijst ter onderbouwing naar het taxatierapport, waarin een schade is gecalculeerd van € 14.748. Rekening houdend met de bijtelling ‘correctie conform XRAY Matrix’ van € 500, moet per saldo € 14.248 als waardevermindering in aftrek worden gebracht. Daarnaast is eiseres van mening dat er een waardevermindering van € 3.500 wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand mag worden toegepast.
6.2.
De inspecteur heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het taxatierapport van eiseres niet gebruikt kan worden. Daarbij heeft de inspecteur onder meer aangevoerd dat de opnametijd volgens het taxatierapport kort is, dat het tijdstip waarop de foto’s zijn gemaakt, afwijkt van het in het rapport vermelde tijdstip en dat de inkoopfactuur ontbreekt. Voor zover de rechtbank het taxatierapport wel bruikbaar acht, heeft de inspecteur aan de hand van het rapport van DRZ betwist dat er sprake zou zijn van een lagere handelsinkoopwaarde dan DRZ heeft berekend.
7.
7.1.
De rechtbank stelt het volgende voorop. De Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) voorziet in drie manieren waaruit de belastingplichtige mag kiezen om de vermindering (afschrijving) bedoeld in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet Bpm aannemelijk te maken, te weten gebruikmaking van de in artikel 10, lid 6, van de Wet Bpm bedoelde tabel (de forfaitaire afschrijvingstabel), de in artikel 10, lid 7, van de Wet Bpm bedoelde koerslijstmethode, en – onder voorwaarden – de in artikel 10, lid 8, van de Wet Bpm bedoelde taxatiemethode. Toepassing van de taxatiemethode kan alleen aan de orde kan zijn wanneer de belastingplichtige bij het doen van de aangifte voor die methode heeft gekozen, onder overlegging van een taxatierapport dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 8, lid 4, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling) en bijlage I bij de Uitvoeringsregeling (bijlage I). [1]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het taxatierapport van eiseres niet is opgemaakt met inachtneming van de voorwaarde opgenomen in onderdeel 3.6 van bijlage I. De rechtbank overweegt daartoe dat een inkoopfactuur of -verklaring van de auto, als bedoeld in onderdeel 3.6 van bijlage I, niet aan het taxatierapport is toegevoegd. Een dergelijke factuur of verklaring is ook later niet door eiseres ingebracht. Eiseres heeft op de zitting desgevraagd geen reden kunnen geven voor dit gebrek.
7.3.
Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat het dwingend vereisen van een inkoopfactuur als voorwaarde voor toepassing van de taxatiemethode, in strijd is met het Unierecht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt onjuist. Het valt binnen de procedurele autonomie van lidstaten om (formele) voorwaarden te stellen aan het in aanmerking nemen van een vermindering van de Bpm in een geval als het onderhavige. Daarbij geldt dat deze voorwaarden moeten voldoen aan de Unierechtelijke beginselen van doeltreffendheid, evenredigheid en gelijkwaardigheid. [2] In dit verband overweegt de rechtbank dat de in 7.1 bedoelde voorwaarden zonder onderscheid gelden voor ieder gebruikt voertuig waarvoor een beroep op de taxatiemethode wordt gedaan. Verder overweegt de rechtbank dat het vereisen van een inkoopfactuur of -verklaring het in het algemeen voor een belastingplichtige niet onmogelijk of uiterst moeilijk zal maken om, in overeenstemming met artikel 110 VWEU Pro, toegelaten te worden tot het leveren van bewijs van een vermindering tot de (bij benadering) werkelijke waarde van een gebruikte auto. Eiseres heeft ook niet gesteld dat het inbrengen van een inkoopfactuur- of verklaring voor haar onmogelijk of uiterst moeilijk is geweest. In samenhang daarmee is de rechtbank van oordeel dat het vereiste van een inkoopfactuur of -verklaring in het algemeen niet verder gaat dan nodig is om het daarmee beoogde doel te bereiken. De inkoopfactuur of -verklaring kan namelijk informatie bevatten over de staat waarin de auto ten tijde van aankomst in Nederland verkeerde. Ook kan de inkoopfactuur of -verklaring gegevens bevatten die de verbinding kunnen leggen tussen het taxatierapport en de aangifte. [3] De inkoopfactuur of -verklaring kan met andere woorden redelijkerwijs van belang zijn om de gestelde waardebepaling op effectieve wijze te kunnen controleren. [4]
7.4.
Gelet op wat hiervoor in 7.2 en 7.3 is overwogen, is voor toepassing van de taxatiemethode geen plaats. Naar het oordeel van de rechtbank had de inspecteur ter bepaling van de afschrijving dus kunnen volstaan met de (niet in geschil zijnde) waarde volgens de koerslijst. Aan de overige beroepsgronden inzake aanvullende schade (bovenop de schade die DRZ heeft vastgesteld) en eventuele waardevermindering wegens ‘geen oordeel’ over de kilometerstand, komt de rechtbank daarom niet toe.
7.5.
Dat tussen partijen geen geschil bestaat over toepasselijkheid van de taxatiemethode, doet aan het voorgaande niet af. Uitgaande van de vastgestelde feiten, moet de rechtbank namelijk de wettelijke bepalingen die de grondslag vormen voor de beslechting van het geschil tussen partijen, juist toepassen. Dat geldt ook als partijen gezamenlijk van een andere toepassing van die bepalingen uitgaan. [5]
7.6.
Het beroep is ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
8.
8.1.
De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
8.2.
De inspecteur heeft erop gewezen dat de zitting in deze zaak eerder was gepland op 21 oktober 2024 en vervolgens op 2 december 2024, maar dat (de gemachtigde van) eiseres beide keren om uitstel heeft verzocht. Het langer voortduren van de procedure is volgens de inspecteur daarom toe te rekenen aan gemachtigde. De inspecteur heeft concreet verzocht om de redelijke termijn met de periode gelegen tussen 2 december 2024 en 13 november 2025 (de uiteindelijke zittingsdatum) te verlengen.
9.
9.1.
Het bezwaar is ontvangen op 7 april 2023. De rechtbank doet uitspraak op 29 januari 2026. Dat betekent dat de redelijke termijn – zonder verlenging – met afgerond tien maanden is overschreden. In beginsel leidt dat tot een immateriële schadevergoeding van € 1.000.
9.2.
De rechtbank ziet aanleiding om de redelijke termijn in dit geval te verlengen. Het eerste verzoek om uitstel van de gemachtigde van eiseres geeft geen aanleiding tot verlenging [6] , maar de rechtbank merkt het tweede verzoek om uitstel wel aan als een bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn voor berechting rechtvaardigt. [7] De personele omstandigheden bij de gemachtigde die in dit verzoek zijn genoemd, moeten voor rekening van eiseres komen. De rechtbank verlengt de redelijke termijn met (ruim) 11 maanden, zijnde de periode tussen 2 december 2024 en 13 november 2025.
9.3.
Gelet op 9.2. is de redelijke termijn op de datum van deze uitspraak niet overschreden. De rechtbank zal daarom het verzoek om immateriële schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond; en
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.T.M. Hennevelt, rechter, in aanwezigheid van mr. A.A. van der Terp, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, r.o. 4.2.3 en 4.3.4.
2.Vgl. Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1958 r.o. 4.4.1.
3.Zie gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4961.
4.Vgl. Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, blz. 31.
5.Vergelijk Hoge Raad 11 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:544, r.o. 3.2.2.
6.Zie Hoge Raad 20 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1461.
7.Zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.5.1.b.