Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen
- het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrumvan het ministerie van Justitie en Veiligheid uit Den Haag, het WODC
(gemachtigde: mr. J.V. van Vegten); en - de Stichting Reclaimed Voicesuit Roermond, de Stichting
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Samenvatting
(onderdelen van) documenten onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen openbaarmaking daarvan heeft plaatsgevonden. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen die oordeel heeft.
Leeswijzer
- Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM? Zie overwegingen 14 en 15.
- Is de weigering om documenten openbaar te maken in strijd met artikel 10 van Pro het EVRM? Zie overwegingen 16 en 17.
- Is de zoekslag over de juiste periode uitgevoerd? Zie overwegingen 18 en 19.
- Is de zoekslag voldoende inzichtelijk gemaakt? Zie overwegingen 20 en 21.
- Heeft de minister alle documenten kenbaar beoordeeld? Zie overwegingen 22 en 23.
- Mocht de minister verwijzen naar het besluit van 18 mei 2020 in zaaknummer
- Mocht de minister openbaarmaking weigeren wegens onevenredige benadeling? Zie overwegingen 26 en 27.
- Heeft de minister het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen? Zie overwegingen 28 tot en met 31.
- Heeft de minister het openbaar maken van functienamen kunnen weigeren ter eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer? Zie overwegingen 32 en 33.
- Heeft de minister het openbaar maken van bepaalde informatie kunnen weigeren ten behoeve van het goed functioneren? Zie overwegingen 34 en 35.
- Is er sprake van intern beraad ten aanzien van documenten afkomstig van het Universiteit Utrecht, de Stichting en de begeleidingscommissie? Zie overwegingen 36 en 37.
- Welke schadevergoeding wordt aan eiseres toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn? Zie overwegingen 38 en 39.
Procesverloop
van 12 april 2022 gedeeltelijk vervangen, heeft hij het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard en heeft hij besloten bepaalde documenten en documentonderdelen (gedeeltelijk) openbaar te maken en andere documenten en documentonderdelen niet openbaar te maken.
Beoordeling door de rechtbankWat zijn de relevante feiten en omstandigheden van deze zaak?
- Correspondentie met de Stichting;
- Correspondentie met de andere ministeries, waaronder in ieder geval – maar niet uitsluitend – het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs;
- Correspondentie met derden, waaronder in ieder geval – maar niet uitsluitend – de GGD, de politie en de Stichting School & Veiligheid;
- Alle documentatie in voorbereiding op, vaststelling van en vervolg op het onderzoek door de Universiteit Utrecht in opdracht van het WODC.
Welk recht is van toepassing op deze zaak?
voor 1 mei 2022. Dat betekent dat de Wob op dat besluit van toepassing is.
van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek.
- Documentnummers 0115-0117 en 0098-0099: onduidelijk is of documentnummer 0115-0117 de nota van 30 november 2018 is. De nota’s en eventuele concepten daarvan ontbreken volledig bij de gedingstukken.
- Het oudste gedeeltelijk openbaargemaakte document is een e-mailbericht van
- Er zijn geen
- Niet te volgen is dat eerst door de minister wordt aangegeven dat een onafhankelijk onderzoek onuitvoerbaar wordt geacht, terwijl in een e-mailbericht van 26 juni 2018 dat bekend is als
- Eiseres vermoedt dat een reactie van Slachtofferhulp Nederland op
- In
- In
- Uit
- De bestandsnaam van
- Eiseres merkt terecht op dat in het bestreden besluit op bezwaar in
- Het is niet het geval dat de concepten van
- Uit de inventarislijst van het bestreden besluit op bezwaar blijkt dat de conceptversies van de nota’s die de minister heeft aangetroffen, deel uitmaken van zijn besluit.
- Documentnummer 297: een persoon die werkzaam is binnen het Openbaar Ministerie (OM) heeft navraag gedaan bij de landelijke officier zeden, zijnde ook een persoon werkzaam binnen het OM.
- Over de brief aan eiseres van september 2017: alle correspondentie van en aan eiseres valt niet binnen de reikwijdte van het informatieverzoek.
- Over de
- Documentnummer 71: eiseres zou niet kunnen volgen waarom een motie is aangenomen.
- Documentnummer 145: eiseres constateert terecht dat Slachtofferhulp niet, althans niet schriftelijk, heeft gereageerd op die e-mail.
- Over de omstandigheid dat Whatsapp-berichten en sms-berichten geen onderdeel uitmaken van het herstelbesluit en de verwijzing naar
- Documentnummer 159: het lijkt het geval te zijn dat dit een reactie is op een eerdere e-mail. De oorspronkelijke ontvanger heeft de e-mail van de oorspronkelijke verzender aangepast. De verzender en de ondertekenaar van deze e-mail verschillen van elkaar.
e-mailaccounts en telefoons van betrokken medewerkers doorzocht. Ook is het documentregistratiesysteem door middel van verschillende zoektermen doorzocht. De minister heeft daarbij geconcretiseerd welke zoektermen zijn gebruikt. Voldoende aannemelijk is dat de minister daarbij een combinatie van zoektermen heeft gebruikt. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de minister een soortgelijke zoekslag heeft uitgevoerd ter voorbereiding van het herstelbesluit. Op de zitting is dit onweersproken namens de minister bevestigd.
- Documenten over de periode van 26 oktober 2017 tot 5 januari 2018: ongeloofwaardig is dat er geen documenten onder de minister berusten of hebben berust die zien op voorbereidingen en verwerking binnen het ministerie van het gesprek van 2 november 2017 en de voorbereiding van de brief van 12 december 2017. In de brief staat dat medewerkers van het ministerie op 2 november 2017 in gesprek zijn getreden met een vertegenwoordiging van het bestuur van eiseres. Voldoende aannemelijk is dat de betrokken medewerkers het gesprek onderling hebben voorbereid en dat daarvan gegevens zouden moeten zijn. In de brief staat namelijk dat tijdens het gesprek door het ministerie op verschillende onderwerpen is gewezen. Ook acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat na het gesprek een schriftelijk terugkoppeling van het gesprek binnen het ministerie heeft plaatsgevonden. Uit de brief volgt immers dat de minister niet zelf bij het gesprek aanwezig was. Dat terwijl de brief wel van de minister afkomstig is én een korte terugkoppeling van verschillende gespreksonderwerpen bevat. Ook is een eerste reactie van bestuursleden van eiseres in de brief opgenomen. Gelet op de inhoud van de brief is voldoende aannemelijk dat medewerkers die bij het gesprek aanwezig waren, een terugkoppeling aan de minister hebben gegeven voordat de brief aan de voorzitter van de TK werd toegestuurd. Ook is voldoende aannemelijk dat die terugkoppeling schriftelijk aan de minister heeft plaatsgevonden, aangezien de brief moet zijn voorbereid en zelf een schriftelijk document is. Correspondentie binnen het ministerie is geen correspondentie van en aan eiseres, waardoor die gegevens wel binnen de reikwijdte van het informatieverzoek vallen.
- Sms-berichten binnen het ministerie: in
- Whatsapp-berichten binnen het ministerie: in
- De minister erkent dat
- Documentnummers 0098-0099 en 0101-0102zijn de conceptnota’s, die hebben geresulteerd in de definitieve nota bekend als
documentnummer 0115-0117.
Documentnummers LAD18 en LAD23zijn de nota’s van 9 september 2018 en
1 oktober 2018, zoals door de minister benoemd. Uit de gedingstukken blijkt dat de minister die nota’s later alsnog heeft aangetroffen en gedeeltelijk openbaar heeft gemaakt. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat er (concept)nota’s bij de gedingstukken ontbreken. - Uit het e-mailbericht van 24 oktober 2017, behorende bij
- Documentnummer 71gaat over de inhoud van de motie en een mogelijk alternatief voor de motie. Ook het door eiseres genoemde e-mailbericht van 27 juni 2018, bekend als
documentnummer 142, gaat over de motie. In die twee e-mailberichten staan geen concrete aanwijzingen die aannemelijk maken dat documenten over een alternatief onderzoek onder de minister berusten. - Het enkele vermoeden van eiseres dat Slachtofferhulp Nederland schriftelijk heeft gereageerd op
- Het verschil in omvang en opmaak van (de gelakte inhoud van)
- Datzelfde geldt voor de beoordeling van
- Documentnummer 313is (gedeeltelijk) niet openbaar gemaakt zonder dat het document eigenstandig is beoordeeld en zonder dat daar een uitzonderingsgrond uit hoofdstuk 5 van de Woo aan ten grondslag ligt. De verwijzing naar
documentnummer 44is daartoe onvoldoende omdat in dat document geen e-mail van 15 maart 2018 om 10:54 uur voorkomt. - Over
- Documentnummer 264is volledig beoordeeld. De minister verwijst in dit kader naar
documentnummers 200 en 27. - Inzake
- Documentnummer 313betreft hetzelfde e-mailbericht als
documentnummer 44. De verzender, de geadresseerden en de inhoud van de e-mails komen overeen. - Inzake
- Documentnummer 264is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat grote delen van dat documentnummer reeds zijn beoordeeld in ID 84836251. Dat is het ID-nummer van
documentnummer 200. De gelakte e-mailteksten in documentnummer 264 zijn gelijk aan documentnummer 200. - Documentnummer 200is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat een groot deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836041. Dat is het ID-nummer van
documentnummer 27. De gelakte e-mailteksten in documentnummer 200 zijn gelijk aan documentnummer 27. - Documentnummer 268is volledig beoordeeld door de minister. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat het overgrote deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836275. Dat is het ID-nummer van
documentnummer 222. De ongelakte e-mailteksten in documentnummer 268 zijn niet gelijk aan documentnummer 222. Zoals eiseres terecht aanvoert, komt in documentnummer 222 geen e-mail van 14 februari 2018 voor. Documentnummer 222 bevat e-mails van een andere datum in februari 2018. De rechtbank stelt vast dat de ongelakte e-mailteksten in documentnummer 268 wel gelijk zijn aan documentnummer 318. Laatstgenoemd documentnummer is beoordeeld door de minister en gedeeltelijk openbaar gemaakt. - Documentnummer 313is volledig door de minister beoordeeld. In de gelakte versie van dat documentnummer is aangegeven dat een groot deel van dat documentnummer reeds is beoordeeld in ID 84836062. Dat is het ID-nummer van
documentnummer 44. De gelakte e-mailtekst in documentnummer 313 is gelijk aan een deel van de e-mailteksten in documentnummer 44, namelijk delen van teksten van e-mailberichten verzonden op 15 maart 2018 om 11:54 uur en verzonden op 14 maart 2018 om 11:58 uur. De minister heeft die e-mailteksten via documentnummer 44 grotendeels openbaar gemaakt. Dat boven documentnummer 313 een ander verzendmoment staat, maakt het voorgaande niet anders. - Documentnummer 111ais volledig beoordeeld door de minister. Dat documentnummer is getiteld ‘QA’s Jehova’s AO zeden mei 2018 back up.docx’ en is een bijlage bij
documentnummer 111. Dat is ook de documenttitel van
documentnummer 108. Laatstgenoemd documentnummer is door de minister beoordeeld. Gemotiveerd is waarom dat documentnummer in het geheel niet openbaar is gemaakt. Documentnummer 111a is dus een duplicaat van documentnummer 108. Dat op de inventarisatielijst bij documentnummer 111a een afwijkend ID-nummer is genoemd, maakt het voorgaande niet anders.
27 oktober 2020. De omstandigheid dat hij niet van die besluiten afwijkt, brengt niet met zich dat deze documenten niet zijn beoordeeld, aldus de minister.
documentnummers 4929-4930, 5019-5021, 5022-5023, 5107-5109, 5110-5111, 5114-5115, 5129, 5132, 5149-5150, 5765-5778 en 5819-5820de procespositie van de Staat kan schaden, maken niet dat gegeven is dat sprake is van een onevenredig nadeel, aldus eiseres.
Heeft de minister het openbaar maken van informatie kunnen weigeren omdat sprake is van persoonlijke beleidsopvattingen?
documentnummers 0279-0284. Volgens haar kan zij niet beoordelen of de conclusie van de minister juist is dat na toepassing van de weigeringsgronden van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en artikel 11, eerste lid, van de Wob slechts standaardgegevens overblijven die geen zelfstandige betekenis hebben. Voorts betoogt eiseres dat de toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Wob in het bestreden besluit op bezwaar niet dan wel onvoldoende (kenbaar) is gemotiveerd. Documenten dienen per zelfstandig onderdeel te worden beoordeeld in het licht van de weigeringsgronden van de Wob, waarbij integrale weigering dan de uitzondering is. [16] Met het bestreden besluit op bezwaar is zonder nadere toelichting onaannemelijk dat de opstellers van documenten geen enkele keer feitelijkheden hebben ingebracht. Ter illustratie wijst eiseres op
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807. Uit de rechtspraak en het beleid op Rijksniveau volgt dat toepassing van dat artikellid en dus het in niet tot personen herleidbare vorm openbaar maken van persoonlijke beleidsopvattingen het uitgangspunt is. [17] Met de inwerkingtreding van de Woo is de definitie van persoonlijke beleidsopvattingen ingeperkt ten opzichte van de definitie onder de Wob. Het door de minister gemaakte onderscheid tussen ‘intern beraad’ en ‘de kern van het intern beraad’ volgt niet uit de wet of rechtspraak. Evenmin volgen daaruit dat sprake kan zijn van ‘uitsluitend strikt persoonlijke kwalificaties van bepaalde situaties of gegevens’, zoals door de minister benoemd. Daarnaast voert eiseres aan dat zij niet het standpunt van de minister kan beoordelen dat openbaarmaking van een aantal persoonlijke beleidsopvattingen in
documentnummers 4779, 4897-4899, 5031-5033, 5105 en 5761-5762niet mogelijk is in niet tot personen herleidbare vorm. Verder betoogt eiseres dat zij de minister niet kan volgen over het standpunt omtrent het niet openbaar maken van conceptversies. Openbaarmaking van die conceptversies maakt juist het proces van het komen tot de uiteindelijke bestuursvoering inzichtelijk. Volgens eiseres wordt daarmee het doel van de Wob van het behartigen van het publieke belang van een goede en democratische bestuursvoering, optimaal gediend. Dat inzicht in de totstandkoming van besluitvorming maakt dat goed gereconstrueerd en gecontroleerd kan worden hoe tot bepaalde besluitvorming is gekomen, aldus eiseres. [18]
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807geldt dat conceptversies nog niet rijp zijn. In de fase waarin het definitieve document nog vorm moet krijgen, moet er ruimte zijn om conceptteksten en gedachten met elkaar uit te wisselen. In het bestreden besluit op bezwaar is toegelicht dat conceptversies zijn aangemerkt als een voorstel over hoe de definitieve versie van de documenten zou moeten luiden. Voor zover deze concepten afwijken van de definitieve versies van deze documenten heeft de minister geconcludeerd dat deze bestaan uit persoonlijke beleidsopvattingen. Voor zover deze concepten feitelijkheden bevatten, gaat het om feiten die zodanig zijn verweven met persoonlijke beleidsopvattingen dat het niet mogelijk is deze van elkaar te scheiden. Voor zover de concepten overeenkomen met de eindversies ziet de minister geen aanleiding deze informatie nogmaals openbaar te maken. De feitelijke gegevens in
documentnummers 5787-5790, 5791-5792, 5793-5799, 5800-5803 en 5804-5807zijn reeds openbaar in het definitieve document, dat bekend is als
documentnummers 5708-5723 en 5517-5523. Omdat de definitieve versies van documenten reeds openbaar zijn, komt in de belangenafweging een gering gewicht toe aan het algemeen belang van openbaarmaking, aldus de minister.
98 documententoegesneden motivering heeft geweigerd om die conceptdocumenten openbaar te maken. Ook voor die documenten dient een beoordeling per zelfstandig onderdeel te worden gemaakt. Het geven van de status ‘concept’ aan een document is geen in hoofdstuk 5 van de Woo erkende uitzonderingsgrond. Daarnaast voert eiseres aan dat beleidsalternatieven niet onder de definitie van persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden geschaard. Met de motivering door de minister lijkt het erop dat intern aangedragen beleidsalternatieven nu wel op die grond worden geweigerd.
Documentnummers 0279-0284: dit zijn notulen van de begeleidingscommissie van een commissiebijeenkomst in 2019. Die notulen dienen de beleidsvoorbereiding of
- Documentnummer 4779: dit is een e-mailbericht van 16 december 2019 om 15:18 uur, waarin diverse documentonderdelen zijn gelakt onder verwijzing naar
artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien in die documentonderdelen namen van ambtenaren zijn genoemd, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. - Documentnummers 4897-4899: dit zijn twee e-mailberichten van 14 januari 2020 om 17:33 uur en 17 januari 2020 om 17:30 uur. Diverse gelakte documentonderdelen in deze e-mails dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
- Documentnummers 5031-5033: dit zijn twee e-mailberichten van 22 januari 2020 om 00:20 uur en 22 januari 2020 om 09:17 uur, als reacties op
documentnummers 4897-4899. Diverse gelakte documentonderdelen in documentnummers 5031-5033 dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. - Documentnummer 5105: dit is een e-mailbericht van 14 februari 2020 om 15:12 uur, waarin diverse documentonderdelen zijn gelakt onder verwijzing naar
artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien de namen en functies van de desbetreffende ambtenaren al openbaar zijn gemaakt, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken. - Documentnummers 5761-5762: dit gaat om een e-mailbericht van 12 november 2020 om 12:42 uur, waarin enkele zinnen zijn gelakt onder verwijzing naar artikel 11, eerste lid, van de Wob. Die gelakte documentonderdelen dienen de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en zijn daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Aangezien in die documentonderdelen namen van ambtenaren zijn genoemd, is redelijkerwijs geweigerd om die gelakte documentonderdelen in niet tot personen herleidbare vorm openbaar te maken.
- Documentnummers 5787-5790, documentnummers 5800-5803 en documentnummers 5804-5807: dit zijn verschillende versies van een nota van 16 oktober 2020 aan de minister, met betrekking tot een mogelijke meldplicht. Die nota dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden. Daar komt bij dat die notatekst deels openbaar is gemaakt in
documentnummers 5710-5715. - Documentnummers 5791-5792: dit is een nota van 2 oktober 2020 aan de minister, met betrekking tot een mogelijke meldplicht. Die nota dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden.
- Documentnummers 5793-5799: dit is een memo van 29 juli 2020 met betrekking tot de stand van zaken over een meldplicht. Dit memo dient de beleidsvoorbereiding of -uitvoering en bevat daarmee persoonlijke beleidsopvattingen. Die beleidsopvattingen zijn zodanig met de in die documentnummers opgenomen feitelijke gegevens verweven dat deze niet zijn te scheiden. Daar komt bij dat dit memo deels openbaar is gemaakt in
documentnummers 5517-5523.
documentnummers 15, 19, 26, 31, 42, 45, 51, 61, 72, 80, 89, 101, 115, 124, 134, 141, 164, 170, 197, 204, 229, 245, 266, 284, 314 en 326betrokken.
conceptdocumentenvoert eiseres aan dat de minister deze relatieve uitzonderingsgrond ten onrechte op absolute wijze heeft toegepast. De minister heeft een algemene motivering gebruikt die niet ziet op de concrete inhoud van de documenten. Volgens eiseres had de minister concreet moeten motiveren waarom openbaarmaking van documenten en documentonderdelen in kwestie het goed functioneren van de overheid in het geding brengt. De motivering dat het onwenselijk zou zijn dat er meerdere versies van een document in omloop zijn, ziet op de aard of status van het document. Documenten dienen per alinea op hun concrete inhoud te worden beoordeeld. Documenten categorisch weigeren openbaar te maken vanwege de aard of status van het document acht eiseres in strijd met de Woo. [26] Waar een conceptversie afwijkt van de definitieve en openbare versie van een document, kan volgens haar artikel 2.4 van de Woo worden toegepast. Die bepaling verplicht de minister om in het besluit te vermelden dat informatie onjuist of onvolledig is. Die verplichting staat haaks op de redenering van de minister dat het schadelijk zou zijn als documenten openbaar worden gemaakt die nog niet rijp zijn voor besluitvorming. Volgens eiseres komt het de besluitvorming en democratische controle juist ten goede wanneer concepten openbaar worden gemaakt. Dit sluit aan bij het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving zoals geformuleerd in artikel 2.5 van de Woo. [27] Over de
correspondentie met derden– meer specifiek, correspondentie met de Stichting – voert eiseres aan dat informatie is geweigerd vanwege de aard of status van het document en vanwege het onderwerp, niet vanwege de inhoud van de informatie zelf. Volgens eiseres is dit een verkeerde toepassing van de uitzonderingsgrond. [28] De stelling van de minister dat openbaarmaking van de correspondentie ertoe zou kunnen leiden dat slachtofferorganisaties terughoudend zullen zijn om opvattingen te delen die waardevol kunnen blijken voor de ontwikkeling van beleid met betrekking tot slachtoffers van seksueel misbruik, is een te algemene motivering. Beoordeeld en toegelicht moet worden waarom openbaarmaking van (onderdelen van) documenten het goed functioneren van de overheid belemmeren. De minister onderbouwt niet nader dat organisaties terughoudend zullen worden om opvattingen te delen. Volgens eiseres valt niet in te zien hoe openbaarmaking van de gevraagde informatie het goed functioneren van de overheid belemmert, omdat het onderzoek in 2019 is afgerond.
conceptdocumentenaan dat hij in het herstelbesluit heeft toegelicht waarom het goed functioneren van de Staat in het geding komt, indien de concepten die binnen de reikwijdte van het verzoek vallen openbaar zouden worden gemaakt. Aangegeven is dat concepten naar hun aard nog niet rijp zijn en in vertrouwen moeten kunnen worden uitgewisseld en dat het schadelijk is voor het goed functioneren van de overheid als publiek debat ontstaat aan de hand van documenten die nog niet af zijn. Er mag geen onduidelijkheid bestaan over hetgeen een bestuursorgaan voor zijn rekening heeft genomen. Daarvoor is noodzakelijk dat van documenten maar één versie in het publieke domein in omloop is. De minister verwijst in dit kader naar de wetsgeschiedenis bij de Woo. [29] De door eiseres genoemde uitspraken laten zien dat artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo in verschillende situaties kan worden toegepast. Het komt er op aan of door het bestuursorgaan voldoende is gemotiveerd dat door openbaarmaking het goed functioneren van de overheid in het geding komt. Er moet worden voorkomen dat ambtenaren terughoudend worden om in deze fase van de beleidsvorming of -voorbereiding hun ideeën te uiten. Daarvan zal ook sprake zijn indien concepten, nadat de besluitvorming is afgerond, openbaar worden, omdat er dan alsnog publiek debat kan ontstaan over hetgeen in de fase voorafgaand aan de besluitvorming naar voren is gebracht. Daarnaast moet voorkomen worden dat er meerdere versies van een document in omloop komen. Het gaat erom dat geen onduidelijkheid ontstaat over de inhoud van het desbetreffende document. Bovendien zou het ertoe kunnen leiden dat over elke afzonderlijke versie zelfstandig publiek debat ontstaat. Dat komt de goede en democratische bestuursvoering en het goed functioneren van de overheid niet ten goede. De minister voert verder over
correspondentie met derdenaan dat het niet zo is dat die integraal is geweigerd. Het goed functioneren van de overheid is ook in geding, indien een bestuursorgaan bij de oplossing van een probleem in overleg treedt met andere bestuursorganen of met derden. [30] De minister benadrukt dat het voor een zorgvuldig beleidsvoorbereiding noodzakelijk is dat hij zich door externe derden op de hoogte laat stellen. Het gaat hier in het bijzonder om een organisatie, namelijk de Stichting, die streeft naar bewustwording over de omgang met klachten rond seksueel misbruik binnen religieuze gemeenschappen. Indien vertrouwelijkheid niet kan worden gewaarborgd, zullen derden zich terughoudender opstellen, wat het belang van een zorgvuldige beleidsvoorbereiding kan schaden, aldus de minister.
artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder i, van de Woo, of uit de geschiedenis van de totstandkoming ervan, niet kan worden opgemaakt dat deze bepaling is bedoeld als categoriale weigeringsgrond. De systematiek van de Woo in het algemeen vergt een belangenafweging op documentniveau, waarbij de term "voor zover" in de aanhef van artikel 5.1, tweede lid, van de Woo betekent dat binnen een document moet worden beoordeeld in hoeverre de weigeringsgronden aan de orde zijn. [31]
conceptdocumentenbetreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van meerdere versies van één document onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard of status van die documenten. Ook de inhoud van die documenten is door de minister betrokken. Hij heeft daarbij mede betrokken wat die inhoud zou kunnen betekenen voor (onduidelijkheden in) het publieke debat. De verwijzing van eiseres naar rechtspraak van andere gerechten maakt deze feiten en omstandigheden in dit concrete geval niet anders. Gelet op de ongelakte inhoud van de conceptdocumenten in deze zaak en het onderwerp waarmee die documenten samenhangen – namelijk het onderzoek naar aanleiding van de motie – leidt de verwijzing van eiseres naar artikel 2.4 van de Woo niet tot een ander oordeel. Voldoende duidelijk is dat de conceptdocumenten in deze zaak niet zozeer onjuist of onvolledig zijn, maar onderdeel zijn (geweest) van het proces hoe de minister omging met het onderzoek naar aanleiding van de motie. Dit alles nog daargelaten het oordeel van de rechtbank dat openbaarmaking van de door eiseres genoemde conceptdocumenten kon worden geweigerd wegens daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen, zoals dat oordeel hiervoor in overwegingen 31.1. en 31.2. is weergegeven.
correspondentie met derdenbetreft, heeft de minister in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom openbaarmaking van die documenten en documentonderdelen onwenselijk is voor het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen. Anders dan eiseres betoogt, ziet die motivering niet enkel op de aard, de status en/of het onderwerp van die documenten en documentonderdelen. In het herstelbesluit heeft de minister specifieke documenten benoemd waarop hij de weigeringsgrond heeft toegepast, namelijk
documentnummers 14, 16, 28, 32, 249 en 291. In
documentnummers 14, 16, 32, 249 en 291heeft de minister per alinea aangegeven of de weigeringsgrond is toegepast. De weigeringsgrond is op geheel
documentnummer 28toegepast. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de minister ook de inhoud van die documenten en documentonderdelen heeft betrokken bij zijn motivering om de weigeringsgrond toe te passen. Uit de ongelakte inhoud van die documenten en documentonderdelen volgt dat die gaan over (mogelijk) handelen van Jehovah’s Getuigen en over de invloed die dat handelen mogelijk heeft op het onderzoek naar aanleiding van de motie. Die inhoud raakt de zorgvuldige beleidsvoorbereiding, zoals door de minister in het herstelbesluit benoemd. Van een te algemene motivering in dat besluit, zoals eiseres stelt, is daarom geen sprake. De verwijzing van eiseres naar het feit dat het onderzoek in 2019 is afgerond, leidt niet tot een ander oordeel. De inhoud van de geweigerde documenten en documentonderdelen is nog steeds actueel, gelet op de aandacht die het universiteitsonderzoek blijft genereren en gelet op vervolgonderzoek door het WODC.
op 12 april 2022. De behandeling van het bezwaar heeft daarmee ruim twee maanden te lang geduurd. Die overschrijding van bijna drie maanden is volledig aan de minister toe te rekenen. Het beroep is door de rechtbank ontvangen op 24 mei 2022. De behandeling van het beroep heeft in totaal ruim drie jaar en tien maanden geduurd. De rechtbank overweegt dat een deel van de termijnoverschrijding in de beroepsprocedure, namelijk 21 maanden, aan de minister is toe te rekenen. De minister heeft namelijk pas na afloop van de tweejaarstermijn, op 18 augustus 2023, erkend dat een herstelbesluit moet worden genomen omdat de zoekslag een onjuiste periode besloeg. Het herstelbesluit is vervolgens ruim een half jaar daarna, op 12 maart 2024, genomen. Verder heeft de minister pas op 7 oktober 2024, na meerdere verzoeken van de rechtbank, aan de rechtbank doorgegeven dat in deze zaak sprake is van meerdere belanghebbenden en wie die belanghebbenden zijn. Daarnaast heeft de minister pas op 3 april 2025, na een daartoe strekkende opdracht van de geheimhoudingskamer in de tussenbeslissing, ervoor gezorgd dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken op de juiste wijze bij de rechtbank waren ingediend. De rechtbank overweegt dat deze handelingen van de minister voor langdurige vertragingen in de beroepsprocedure hebben gezorgd, waardoor die vertragingen aan de minister zijn toe te rekenen. De resterende termijnoverschrijding is volledig aan de rechtbank toe te rekenen.
Conclusie en gevolgen
- het bestreden besluit op bezwaar voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat de zoekslag de periode van 3 juli 2018 tot en met 27 oktober 2020 beslaat en dat de periode vóór 3 juli 2018 geen onderdeel uitmaakt van het Wob-verzoek (zie overwegingen 18. en 19.);
- het herstelbesluit voor zover de minister zich daarin op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde gegevens niet of niet meer onder hem berusten (zie overweging 21.).
Beslissing
mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.
Informatie over hoger beroep
1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio-omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.
1. Een bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de documenten die het ontvangt, vervaardigt of anderszins onder zich heeft, zich in goede, geordende en toegankelijke staat bevinden.
2. Een bestuursorgaan draagt er zoveel mogelijk zorg voor dat de informatie die het overeenkomstig deze wet verstrekt, actueel, nauwkeurig en vergelijkbaar is.
3. Indien een bestuursorgaan overeenkomstig deze wet informatie openbaar maakt, geschiedt dat op zodanige wijze dat de belanghebbende en belangstellende burger zoveel mogelijk wordt bereikt en op de volgende algemeen toegankelijke wijze:
5. Indien het bestuursorgaan kennis draagt van de onjuistheid of onvolledigheid van de verstrekte informatie, doet het hiervan mededeling.
Bij de toepassing van deze wet wordt uitgegaan van het algemeen belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische samenleving.
1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:
[…]