In deze civiele bodemprocedure vordert [A] c.s. dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en dat Dexia moet terugbetalen wat [A] c.s. heeft betaald onder een effectenleaseovereenkomst. Dexia voert verjaring aan en vordert tevens een verklaring voor recht dat zij aan haar verplichtingen heeft voldaan.
De rechtbank stelt vast dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen vanaf het einde van de overeenkomst in 2007. Hoewel [A] c.s. zich in 2020 voor het eerst op onrechtmatigheid beroept, is de verjaring niet gestuit door de opt-outverklaring of latere brieven, behalve door een gedeeltelijke betaling in 2012. Hierdoor zijn de vorderingen in 2017 verjaard en worden ze afgewezen.
Ten aanzien van de reconventionele vordering oordeelt de rechtbank dat Dexia aan haar verplichtingen heeft voldaan en verklaart dit voor recht. De door [A] c.s. gestelde resterende termijnen en beleggingstechnische gebreken worden onvoldoende onderbouwd geacht. De proceskosten worden verdeeld waarbij [A] c.s. wordt veroordeeld in de kosten van Dexia en Dexia in de kosten van [A] c.s., gelet op de aard van de procedure.