ECLI:NL:RBNNE:2021:2789
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens schending inlichtingenplicht
Eiser ontving sinds 2000 bijstand en volgde tot eind 2010 een studie rechten met behoud van uitkering. Na onderzoek naar zijn juridische werkzaamheden, waarbij onrechtmatig bewijs buiten beschouwing werd gelaten, oordeelde de rechtbank dat eiser zijn inlichtingenplicht schond door deze werkzaamheden niet te melden. De bijstand werd ingetrokken over de periode van 10 maart 2011 tot 27 november 2019 en de onverschuldigde bijstand teruggevorderd.
Eiser voerde meerdere verweren aan, waaronder onbevoegdheid van besluiten, onrechtmatigheid van de doorzoeking, een beroep op het vertrouwensbeginsel, vooringenomenheid van de commissie en détournement de pouvoir. De rechtbank verwierp deze verweren omdat de besluiten rechtsgeldig waren genomen, het onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing moest blijven maar voldoende ander bewijs aanwezig was, en er geen aanwijzingen waren voor toezeggingen of vooringenomenheid.
Verder oordeelde de rechtbank dat verweerder een dwangsom had verbeurd wegens niet tijdig beslissen op bezwaar, stelde de hoogte daarvan vast op €462,- en wees het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk. De terugvordering van €125.904,20 was terecht en een belangenafweging was niet mogelijk. Het beroep werd in zoverre ongegrond verklaard. De rechtbank bepaalde dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van €48,- moet voldoen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen intrekking bijstand ongegrond en vernietigt het besluit over dwangsom wegens niet tijdig beslissen; terugvordering bijstand is terecht.