Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3214

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
HAA 24/716, HAA 24/717 en HAA 24/718
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 AWRArt. 20b Wet VpbArt. 21 Wet VpbArt. 2 AWRArt. 11 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Navordering mogelijk op definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen vennootschapsbelasting

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of navordering mogelijk is op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen vennootschapsbelasting over de jaren 2007, 2008 en 2009. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen navorderingsaanslagen die verweerder had opgelegd nadat zij het verlies over 2010 definitief had vastgesteld. De rechtbank overweegt dat de verliesverrekeningsbeschikkingen als verminderingen van belastingaanslagen moeten worden gezien, waardoor navordering op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) mogelijk is.

De rechtbank stelt vast dat de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen niet waren verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen, wat leidde tot een dubbele teruggave van ruim € 3,5 miljoen. Deze fout is veroorzaakt door geautomatiseerde verwerking binnen de Belastingdienst en niet door een beoordelingsfout van verweerder. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat sprake is van een kenbare fout die navordering rechtvaardigt.

Verder oordeelt de rechtbank dat de navorderingsaanslagen tijdig zijn opgelegd binnen de navorderingstermijn van artikel 16, derde lid, van de AWR. De beroepen van eiseres worden ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat herziening van definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen via navordering mogelijk is, mits aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

Uitkomst: De navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting 2007-2009 zijn terecht opgelegd en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/716, HAA 24/717 en HAA 24/718

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.D. Bosch),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2007, 2008 en 2009 de onder 15 genoemde navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (hierna ook: Vpb) opgelegd.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard en de navorderingsaanslagen gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en heeft voor een aantal door hem in beroep overgelegde stukken een verzoek om beperkte kennisneming in de zin van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gedaan. Dit verzoek is door de geheimhoudingskamer van de rechtbank beoordeeld. Voor het procesverloop wordt in zoverre verwezen naar de beslissing van de geheimhoudingskamer van 8 mei 2025. In die beslissing is bepaald dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Bij brief van 9 september 2024 heeft eiseres de rechtbank bij voorbaat toestemming gegeven om kennis te nemen van de voor eiseres geheim blijvende passages.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2025 te Haarlem. Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en mr. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , kantoorgenoten van de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 4] , mr. [naam 5] , mr. [naam 6] ,
[naam 7] RA en mr. [naam 8] .

Overwegingen

Feiten
1. Op 28 april 2011 heeft eiseres de aangifte Vpb 2010 ingediend met
een belastbare winst en belastbaar bedrag van -/- € 17.254.626.
2. Op verzoek van eiseres zijn door verweerder met dagtekening 4 juni 2011 voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen met betrekking tot de jaren 2007, 2008 en 2009 vastgesteld. Het aangegeven verlies over het jaar 2010 is gedeeltelijk (voor 80%) voorlopig verrekend met de winsten over 2007, 2008 en 2009. De voorlopige teruggaven zijn daarbij als volgt bepaald:
Voor het jaar 2007: € 904.771
Voor het jaar 2008: € 1.532.272
Voor het jaar 2009: € 1.065.700 +/-
In totaal: € 3.502.743
3. Met dagtekening 4 oktober 2014 is aan eiseres de aanslag Vpb 2010 opgelegd. De belastbare winst en het belastbaar bedrag zijn door verweerder vastgesteld op € 5.121.726 en het verlies is vastgesteld op nihil. De verschuldigde Vpb bedroeg € 1.295.039. De voorlopige teruggaven voortvloeiend uit de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen ten bedrage van in totaal € 3.502.743 zijn verrekend met de op de aanslag Vpb 2010 verschuldigde Vpb en zijn op de aanslag aangeduid als ‘verrekende voorlopige teruggaven verlies’. Volgens de aanslag leidde dit tot een te betalen bedrag aan belasting van € 4.797.782 (€ 1.295.039 + € 3.502.743). Hierover is heffingsrente berekend voor een bedrag van € 591.994, zodat er volgens de aanslag Vpb 2010 een te betalen bedrag was van in totaal € 5.389.776.
4. Over de aanslag Vpb 2010 is door partijen een gerechtelijke procedure gevoerd. Bij uitspraak van 26 april 2018 (ECLI:NL:RBNHO:2018:3351), heeft deze rechtbank eiseres in het gelijk gesteld. De uitspraak luidde – voor zover hier van belang – als volgt:
"De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, vermindert de aanslag 2010 tot nihil, vernietigt de
heffingsrentebeschikking en stelt het verlies van het jaar 2010 vast op € 20.124.714."
5. De uitspraak van de rechtbank is door het Hof Amsterdam bevestigd bij uitspraak van 14 januari 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:1203). De Hoge Raad heeft arrest gewezen op 11 februari 2022 (ECLI:NL:HR:2022:169) en heeft het cassatieberoep van de staatssecretaris van Financiën ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
6. Partijen zijn het erover eens dat het verlies over het jaar 2010 had moeten worden vastgesteld op € 17.254.626 en niet op € 20.124.714. Het verlies is zodanig hoog dat de volledige winst over 2007, 2008 en 2009 verrekend kan worden.
7. Bij brief van 16 februari 2022 heeft eiseres te kennen gegeven welke gevolgen volgens haar moesten worden verbonden aan het arrest en over de verliesverrekening ten aanzien van de jaren 2007, 2008 en 2009. Zij heeft in de brief – voor zover hier van belang – het volgende opgemerkt:

Definitieve carry-back beschikking 2007, 2008 en 2009
Bij voorlopige carry-back beschikking is het verlies over 2010 deels verrekend met de winsten van 2007, 2008 en 2009. Voor 2007 en 2008 zal de definitieve carry-back beschikking gelijk zijn aan de voorlopige carry-back beschikking, dat wil zeggen dat er niets betaald of ontvangen zal worden. Op basis van het verlies over 2010 zal een definitieve carry-back beschikking 2009 volgen resulterend in een uitbetaling aan [eiseres] van naar verwachting EUR 506.111.”
8. Verweerder heeft met dagtekening 26 maart 2022 aan eiseres een verminderingsbeschikking afgegeven met betrekking tot de aanslag Vpb over het jaar 2010. Gelijktijdig is door verweerder bij beschikking in de zin van artikel 20b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet Vpb), het verlies over het jaar 2010 vastgesteld. De belastbare winst en het belastbaar bedrag zijn door verweerder vastgesteld op -/- € 17.254.626 en het bedrag van de aanslag Vpb 2010 op nihil. Het bedrag van de verrekende voorlopige teruggaven verlies ten bedrage van € 3.502.743 is niet gewijzigd ten opzichte van de aanslag Vpb 2010 van 4 oktober 2014 (zie onder 3). Het nieuw vastgestelde te betalen bedrag van € 3.502.743 is verrekend met het eerder (zie onder 3) vastgestelde te betalen bedrag van € 5.389.776, hetgeen volgens de verminderingsbeschikking resulteert in een te verrekenen dan wel terug te geven bedrag van € 1.887.033.
9. Eveneens met dagtekening 26 maart 2022 heeft verweerder aan eiseres op de voet van artikel 21 van Pro de Wet Vpb definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen afgegeven met betrekking tot de aanslagen Vpb over de jaren 2007, 2008 en 2009. In de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen is de vastgestelde belastbare winst over het jaar 2007, respectievelijk 2008 en 2009 van € 3.556.262, respectievelijk € 6.068.225 en € 6.207.105, verrekend met een verlies uit andere jaren tot een bedrag van € 3.556.262, respectievelijk € 6.068.225 en € 6.207.105, zodat het belastbaar bedrag over de jaren 2007, 2008 en 2010 is vastgesteld op nihil. Verder is het bedrag van de ‘verrekende voorlopige aanslagen’ over het jaar 2007, respectievelijk 2008 en 2009 van € 904.771 respectievelijk € 1.532.272 en € 1.571.811, verrekend met het bedrag van de aanslagen Vpb 2007, 2008 en 2009 van nihil, hetgeen volgens de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen resulteert in een te verrekenen dan wel terug te geven bedrag van € 904.771 (2007), € 1.532.272 (2008) en € 1.571.811 (2009), zijnde in totaal € 4.008.854. In het volgens de definitieve verliesverrekeningsbeschikking van 2009 te verrekenen dan wel terug te geven bedrag van € 1.571.811 is – naast de voorlopige teruggave volgens de voorlopige verliesverrekening ten bedrage van € 1.065.700 – een te verrekenen/terug te geven bedrag begrepen van € 506.111, omdat in de voorlopige verliesverrekening rekening is gehouden met verrekening van 80% van het verlies (zie onder 2).
10. Op pagina 2 van de definitieve verliesverrekeningsbeschikking over het jaar 2007 (dagtekening 26 maart 2022) staat de volgende toelichting:

Beschikking terugwenteling van verlies
De aanslag vennootschapsbelasting over boekjaar 01-01-2007 - 31-12-2007 wordt
hierbij bij beschikking verminderd als gevolg van het vastgestelde verlies over
boekjaar 01-01-2010 - 31-12-2010. Hierdoor wordt verlies verrekend op grond
van artikel 21, eerste lid van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De
eerder verleende voorlopige teruggaaf wordt hierbij verrekend met de
vermindering.”
Deze toelichting is ook opgenomen in de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen over de jaren 2008 en 2009 (eveneens met dagtekening 26 maart 2022), met dien verstande dat het jaartal ‘2007’ is vervangen door ‘2008’ respectievelijk ‘2009’.
11. Eiseres heeft vervolgens bij brieven van 30 maart 2022 en 4 april 2022 onder meer aangegeven dat de wijze van verrekening niet overeenstemt met haar verwachtingen. Bij brief van 2 mei 2022 bericht eiseres verweerder dat de aanslag Vpb 2010 alsnog dient te worden verminderd naar nihil. Op 29 juni 2022 vindt tussen partijen een bespreking plaats over onder meer de vermindering van de aanslag Vpb 2010 en de achterwaartse verrekening van de verliezen naar 2007, 2008 en 2009.
12. In een interne e-mail van verweerder van 28 juni 2022 staat het volgende over de aanslagregeling, de achterwaartse verliesverrekening en de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen:
“Na ontvangst van de uitspraak van de Hoge Raad heb ik aan [administratief medewerker van de Belastingdienst] gevraagd om de aanslag Vpb 2010 conform de ingediende aangifte te verminderen naar een verlies van EUR 17.254.625 en zorg te dragen voor de achterwaartse verrekening van dit verlies naar 2007-2009. lk heb daarbij aandacht gevraagd voor de eigenaardigheid dat de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen voor de jaren 2007-2009 niet zijn gevolgd door definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen, maar dat deze in 2014 zijn ingevorderd als onderdeel van de definitieve aanslag Vpb 2010.
[Administratief medewerker van de Belastingdienst] heeft het vastgestelde verlies voor 2010 conform mijn verzoek in het systeem ingetoetst. [Administratief medewerker van de Belastingdienst] gaf aan dat hij bij de vermindering van de aanslag Vpb 2010 alleen het verlies over 2010 kon invoeren en dat hij daarbij niets kon aanpassen t.a.v. de (verrekening van de reeds ingevorderde) voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen. Wel heeft hij nog even contact gezocht met [naam 9] (invordering) om te vragen wat er met de voorlopige teruggaven over 2007-2009 is gebeurd. Het systeem heeft op basis van deze invoer vervolgens zelf de vermindering van de aanslag Vpb 2010 vastgesteld en automatisch definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen 2007 -2009 aangemaakt.
[naam 10] heeft vervolgens de uitbetaling van de verminderingen van de aanslagen Vpb 2007-2009 ad EUR 4 mio goedgekeurd, waarbij er geen melding kwam of anderszins informatie in het systeem te vinden was over de verrekening van de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen. [Administratief medewerker van de Belastingdienst] en [naam 10] vermoeden dat deze informatie niet meer in het systeem stond omdat het ofwel informatie is van te oude jaren, dan wel omdat de voorlopige terugaven over 2007-2009 reeds waren ingevorderd als onderdeel van de defintieve aanslag Vpb 2010.
Al met al lijkt het dus niet zozeer een bewuste keuze of opdracht te zijn geweest om de procedure op deze wijze af te wikkelen, maar lijkt het meer een onbedoeld en automatisch gegenereerd gevolg te zijn van de beslissing in 2014 om de voorlopige teruggaven over 2007-2009 in te vorderen als onderdeel van de definitieve aanslag Vpb 2010.”
13. Verweerder heeft met dagtekening 29 oktober 2022 aan eiseres een verminderingsbeschikking afgegeven met betrekking tot de aanslag Vpb over het jaar 2010. De vastgestelde belastbare winst, het belastbaar bedrag en het bedrag van de aanslag zijn niet gewijzigd ten opzichte van de verminderingsbeschikking Vpb 2010 van 26 maart 2022 (zie onder 8). Het te betalen bedrag van nihil is verrekend met het eerder vastgestelde te betalen bedrag van € 3.502.743, hetgeen resulteert in een te verrekenen dan wel terug te geven bedrag van € 3.502.743.
14. Bij brief van 23 november 2022 heeft verweerder ten aanzien van de vermindering van de aanslag Vpb 2010 van 29 oktober 2022 onder meer het volgende aan eiseres medegedeeld:
“Met deze verminderingsbeschikking van 29 oktober 2022 komen alsnog de bedragen van de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen beschikbaar om te verrekenen met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022. Het op de verminderingsbeschikking van 29 oktober 2022 vermelde bedrag "te verrekenen/terug te geven" van 3.502.743 wordt daarom niet teruggegeven, maar thans verrekend met de
verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022, zoals vermeld op deze beschikkingen.”
15. Met dagtekening 22 juli 2023 heeft verweerder aan eiseres navorderingsaanslagen Vpb opgelegd over de jaren 2007, 2008 en 2009, waardoor er in totaal een bedrag van € 3.502.743 aan belasting van eiseres wordt nagevorderd. De navorderingsaanslagen zijn als volgt vastgesteld.
Navorderingsaanslag Vpb 2007:
- Gelijk aan de definitieve verliesverrekeningsbeschikking Vpb 2007 van 26 maart 2022 is de vastgestelde belastbare winst over het jaar 2007 van € 3.556.262 verrekend met een verlies uit andere jaren tot een bedrag van € 3.556.262, zodat het belastbaar bedrag is vastgesteld op nihil.
  • Het bedrag van de voorlopige aanslagen over het jaar 2007 van € 904.771 is verrekend met het bedrag van de voorlopige teruggaven over het jaar 2007 van € 904.771, zodat het nieuwe te betalen bedrag is vastgesteld op nihil.
  • Het nieuw vastgestelde te betalen bedrag van nihil is verrekend met het eerder vastgestelde terug te geven bedrag van € 904.771, zodat van eiseres een bedrag van € 904.771 aan belasting wordt nagevorderd.
Navorderingsaanslag Vpb 2008:
  • Gelijk aan de definitieve verliesverrekeningsbeschikking Vpb 2008 van 26 maart 2022 is de vastgestelde belastbare winst over het jaar 2008 van € 6.068.225 verrekend met een verlies uit andere jaren tot een bedrag van € 6.068.225, zodat het belastbaar bedrag is vastgesteld op nihil.
  • Het bedrag van de voorlopige aanslagen over het jaar 2008 van € € 1.532.272 is verrekend met het bedrag van de voorlopige teruggaven over het jaar 2008 van € 1.532.272, zodat het nieuwe te betalen bedrag is vastgesteld op nihil.
  • Het nieuw vastgestelde te betalen bedrag van nihil is verrekend met het eerder vastgestelde terug te geven bedrag van € 1.532.272, zodat van eiseres een bedrag van € 1.532.272 aan belasting wordt nagevorderd.
Navorderingsaanslag Vpb 2009:
  • Gelijk aan de definitieve verliesverrekeningsbeschikking Vpb 2009 van 26 maart 2022 is de vastgestelde belastbare winst over het jaar 2009 van € 3.556.262 verrekend met een verlies uit andere jaren tot een bedrag van € 3.556.262, zodat het belastbaar bedrag is vastgesteld op nihil.
  • Het bedrag van de voorlopige aanslagen over het jaar 2009 van € 1.571.811 is verrekend met het bedrag van de voorlopige teruggaven over het jaar 2009 van € 1.065.700, zodat het nieuwe te betalen bedrag is vastgesteld op € 506.111.
  • Het nieuw vastgestelde te betalen bedrag van € 506.111 is verrekend met het eerder vastgestelde terug te geven bedrag van € 1.571.811, zodat van eiseres een bedrag van € 1.065.700 aan belasting wordt nagevorderd.
Geschil
16. In geschil is of de navorderingsaanslagen terecht aan eiseres zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022 op de voet van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), kunnen worden herzien door de voorlopige verliesverrekeningen alsnog te verrekenen met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen.
17. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen van 4 juni 2011 moeten worden geacht te zijn verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022, vanwege de toelichting die bij de definitieve beschikkingen is opgenomen. Het ontbreken van de te verrekenen bedragen op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen, doet daar volgens verweerder niet aan af. Indien verweerder in zijn primaire standpunt wordt gevolgd is zijn conclusie dat de navorderingsaanslagen vernietigd dienen te worden omdat zij dan overbodig zijn. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat met de navorderingsaanslagen de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen zijn herzien, doordat hierin alsnog de te verrekenen bedragen zijn opgenomen. Volgens verweerder mag er worden nagevorderd, omdat er sprake is van een belastingaanslag in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR. Er is volgens verweerder sprake van een kenbare fout en er is geen sprake van een onjuist inzicht in de feiten of het recht. Verder zijn de navorderingsaanslagen tijdig opgelegd, aldus verweerder. Verweerder concludeert subsidiair tot ongegrondverklaring van de beroepen.
18. Eiseres betwist het primaire standpunt van verweerder dat de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen van 4 juni 2011 moeten worden geacht te zijn verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022. Daartoe betoogt eiseres dat in de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen de te verrekenen bedragen ontbreken en de verrekening ook feitelijk niet heeft plaatsgevonden. Met betrekking tot de navorderingsaanslagen stelt eiseres zich primair op het standpunt dat het opleggen van die navorderingsaanslagen niet mogelijk is omdat de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen geen belastingaanslag zijn in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR. Bovendien is er volgens eiseres geen sprake van een fout, maar van een onjuist inzicht van verweerder in het recht. Subsidiair stelt eiseres dat de navorderingsaanslagen buiten de termijn van artikel 16, derde en zesde lid, van de AWR, zijn opgelegd. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de navorderingsaanslagen. Eiseres verzoekt voorts om een integrale vergoeding van haar proceskosten, omdat zij meent dat verweerder tegen beter weten in heeft vastgehouden aan de door hem voorgestane uitleg van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR.
19. Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Wettelijk kader
20. Artikel 16 van Pro de AWR luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering, ontheffing, teruggaaf of heffingskorting ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting dan wel de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende heffingskorting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.
2 Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:
a. een voorlopige aanslag, een voorheffing, een voorlopige teruggaaf of een voorlopige verliesverrekening ten onrechte of tot een onjuist bedrag is verrekend;
b. zich een geval voordoet als bedoeld in artikel 2.17, derde of vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;
c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.
3 De bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag vervalt door verloop van vijf jaren na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan. Artikel 11, vierde lid, is te dezen van toepassing. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de navorderingstermijn met de duur van dit uitstel verlengd. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover navordering plaatsvindt met toepassing van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, in afwijking in zoverre van de eerste volzin, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop het besluit is genomen om geen aanslag op te leggen, dan wel de belastingaanslag is vastgesteld.
(…)
6. Indien een bedrag als verlies van een jaar door middel van verrekening in aanmerking is genomen in een voorafgaand jaar, en in verband daarmede een in de belastingwet voorziene vermindering of teruggaaf ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, blijft de bevoegdheid tot navorderen bestaan zolang navordering mogelijk is over het jaar waaruit het als verlies verrekende bedrag afkomstig is.”
Artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel e (thans onderdeel d), van de AWR, luidt als volgt:
“De belastingwet verstaat onder:
(…)
e. belastingaanslag: de voorlopige aanslag, de aanslag, de navorderingsaanslag en de naheffingsaanslag, alsmede de voorlopige conserverende aanslag, de conserverende aanslag en de conserverende navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting, de schenk- en erfbelasting;”
21. Artikel 20b Wet Vpb luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“1 De inspecteur stelt het bedrag van een verlies van een jaar vast bij voor bezwaar vatbare beschikking, gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over dat jaar.
2 Het bedrag van het verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
3 Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat het verlies te hoog is vastgesteld, kan de inspecteur de in het eerste lid bedoelde beschikking herzien bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, derde en vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.”
22. Artikel 21 Wet Pro Vpb luidt als volgt:
“1 De verrekening van een verlies met de belastbare winst, onderscheidenlijk het Nederlandse inkomen, van een voorafgaand jaar geschiedt door vermindering van de aanslag bij voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De beschikking wordt gegeven gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag over het jaar waarin het verlies is ontstaan.
2 Rechtsmiddelen tegen de beschikking bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 20 en 20a.
3 Voorafgaand aan de vermoedelijke vaststelling van de in het eerste lid bedoelde beschikking kan de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking volgens door Onze Minister te stellen regelen een voorlopige verliesverrekening verlenen tot ten hoogste het bedrag waarop de vermindering vermoedelijk zal worden vastgesteld. Een voorlopige verliesverrekening kan door één of meer voorlopige verliesverrekeningen worden aangevuld. Voorlopige verliesverrekeningen worden verrekend bij de in het eerste lid bedoelde beschikking dan wel, indien een dergelijke beschikking niet wordt vastgesteld, met de aanslag over het jaar waarover het verlies dat tot een voorlopige verliesverrekening heeft geleid, is aangegeven.”
Moeten de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen van 4 juni 2011 worden geacht te zijn verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022?
23. Verweerder heeft aangevoerd dat de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen van 4 juni 2011 moeten worden geacht te zijn verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022. Volgens verweerder was de toelichting van de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022 (hierboven opgenomen onder 10) juist, maar ontbraken in de beschikkingen slechts de te verrekenen bedragen. De bedragen waren echter bij eiseres bekend, zodat eiseres had moeten beseffen dat die bedragen zouden worden verrekend. Dat dit niet is gebeurd, doet hieraan niets af, aldus verweerder. Omdat het voldoende duidelijk was dat de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen strekten tot verrekening met de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen, is er volgens verweerder nooit een titel tot betaling geweest en is het bedrag van in totaal circa € 3,5 miljoen ten onrechte en in feite onverschuldigd aan eiseres uitbetaald.
24. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn betoog. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder voorgestane verrekening van de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen met de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen niet volgt uit de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen met dagtekening 26 maart 2022, nu hierop de te verrekenen bedragen van de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen ontbreken. Er heeft volgens het biljet geen verrekening plaatsgevonden van de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen. Er kan dus niet worden gezegd dat de te verrekenen dan wel terug te geven bedragen op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen onverschuldigd aan eiseres zijn uitbetaald. De onder 10 weergegeven toelichtingen op de verliesverrekeningsbeschikkingen brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel. Het komt derhalve aan op de vraag of verweerder bevoegd was om na te vorderen.
Navorderingsaanslagen
25. De rechtbank stelt voorop dat uit de vaststaande feiten volgt dat een bedrag van € 3.502.743, tweemaal is teruggegeven aan eiseres (zie onder 9 en 13). Gelet op het bepaalde in artikel 21, derde lid, laatste volzin, van de Wet Vpb, zijn de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen ten onrechte niet verrekend met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022. Daarbij zijn de definitieve aanslagen Vpb 2007-2009 ten onrechte verminderd tot te verrekenen dan wel terug te geven bedragen van in totaal € 3.502.743.
26. Te weinig geheven of te veel teruggegeven belasting kan op grond van artikel 16, eerste lid, van de AWR worden nagevorderd indien sprake is van een zogenoemd nieuw feit. Navordering is niet mogelijk op grond van een feit dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de aanslag bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw was. Navordering kan echter op grond van het tweede lid, aanhef en onderdeel c, van artikel 16 van Pro de AWR, in alle gevallen plaatsvinden indien te weinig belasting is geheven ten gevolge van een fout die de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar was.
27. Op verweerder rust de last aannemelijk te maken dat aan de vereisten voor het opleggen van een navorderingsaanslag is voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een nieuw feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de AWR, en ook is niet in geschil dat verweerder niet mag navorderen op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel a, in samenhang met het zesde lid, van de AWR, omdat de reguliere navorderingstermijn over het verliesjaar 2010 verliep op 30 november 2016. De rechtbank sluit zich hierbij aan. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij desalniettemin bevoegd was tot het opleggen van de navorderingsaanslagen op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR. Eiseres bestrijdt dit.
Belastingaanslag in de zin van artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR?
28. Bij het vaststellen van de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022 zijn de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen niet verrekend. Eiseres stelt dat een definitieve verliesverrekeningsbeschikking geen belastingaanslag is als bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, zodat navordering niet mogelijk is. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
29. Zoals eiseres terecht heeft opgemerkt, bevat artikel 21 van Pro de Wet Vpb geen schakelbepaling, zoals wel opgenomen in de laatste volzin in artikel 20b, derde lid, van de Wet Vpb. De rechtbank overweegt dat het ontbreken van een dergelijke schakelbepaling in artikel 21 Wet Pro Vpb, de toepassing van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, niet in de weg staat. Uit het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Wet Vpb, volgt dat de verrekening van een verlies met de belastbare winst van een voorafgaand jaar geschiedt door vermindering van de aanslag over dat voorafgaande jaar. De verliesverrekeningsbeschikking valt dus samen met de vermindering van de aanslag van het voorafgaande jaar. In overeenstemming hiermee staat op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022 dan ook vermeld dat het gaat om een berekening ‘vermindering definitieve aanslag’. In die zin kan de definitieve verliesverrekeningsbeschikking – anders dan eiseres meent – tevens worden aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag. Eiseres moet worden toegegeven dat alleen de eerder opgelegde (definitieve) aanslagen Vpb 2007-2009 voor de toepassing van de AWR kwalificeren als een belastingaanslag (artikel 2, derde lid, aanhef en onderdeel e, van de AWR) en dat de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen en de vermindering van de aanslagen op zichzelf bezien niet onder de definitie van het begrip ‘belastingaanslag’ vallen. Blijkens het bepaalde in artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR, ziet de navorderingsbevoegdheid echter niet uitsluitend op de belastingaanslag zelf, maar tevens op fouten ten gevolge waarvan ‘de belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld’. De definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen hebben geleid tot belastingaanslagen die tot een te laag bedrag zijn vastgesteld. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van de bij definitieve verliesverrekening ten onrechte verleende vermindering van de aanslagen Vpb 2007-2009, op grond van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, kan worden nagevorderd.
30. De rechtbank vindt voor die uitleg steun in het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:482, waarin het volgende is geoordeeld:

2 Uitgangspunten in cassatie
2.1.1
Belanghebbende had in het jaar 2010 een belastbare winst van € 15.341.681. In de aangifte voor de vennootschapsbelasting voor dat jaar is naast die belastbare winst een bedrag van € 399.342 aan verrekenbare verliezen vermeld. Het aangegeven belastbare bedrag is derhalve € 14.942.339.
2.1.2
De Inspecteur heeft voor het jaar 2010 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd overeenkomstig de aangifte. Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt op de grond dat de nog te verrekenen verliezen hoger zijn dan het bedrag van de belastbare winst. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft de Inspecteur de voorlopige aanslag verminderd tot nihil, waarbij zowel de belastbare winst als het belastbare bedrag is vastgesteld op nihil.
2.1.3
Ook de aanslag in de vennootschapsbelasting voor 2010 bedraagt nihil, waarbij de belastbare winst en het belastbare bedrag eveneens zijn vastgesteld op nihil. Op het aanslagbiljet is de volgende mededeling opgenomen:
“Mededeling nog verrekenbare verliezen
Het totaalbedrag van de nog verrekenbare verliezen bedraagt € 41.903.349. Het is opgebouwd uit de vastgestelde verliezen uit het verleden plus het (eventuele) vastgestelde verlies van dit boekjaar.”
2.1.4
Vervolgens heeft de Inspecteur een ‘navorderingsaanslag’ opgelegd. Het aanslagbiljet vermeldt een belastbare winst van € 15.341.681 en eenzelfde bedrag aan verrekende verliezen, zodat het belastbare bedrag nihil bedraagt. Op het aanslagbiljet zijn de volgende mededelingen opgenomen:
“Toelichting bij verrekening van verlies
Bij de vaststelling van het belastbare bedrag of het belastbare binnenlandse bedrag is rekening gehouden met verlies dat u in andere boekjaren heeft geleden. Er is een bedrag van € 15.341.680 verrekend.
Mededeling nog verrekenbare verliezen
Het totaalbedrag van de niet verrekende verliezen bedraagt thans € 23.193.829. Het is opgebouwd uit verrekenbare verliezen uit het verleden en het (eventuele) vastgestelde verlies van dit boekjaar.”
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de op het hiervoor in 2.1.4 bedoelde biljet vermelde verrekening van verliezen. De Inspecteur heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. Vervolgens is belanghebbende in beroep en hoger beroep tevergeefs tegen die verliesverrekening opgekomen.
3 Beoordeling van het middel
3.1
Het middel herhaalt het voor het Hof gehouden betoog dat in (de bekendmaking van) een aanslag besloten ligt (de bekendmaking van) een verliesverrekeningsbeschikking als bedoeld in artikel 21a, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). Dit volgt volgens het middel uit de omstandigheid dat op het aanslagbiljet zowel de belastbare winst als het belastbare bedrag is vermeld. Het verschil tussen beide bedragen is het door de Inspecteur bij beschikking verrekende verlies. Indien zowel de belastbare winst als het belastbare bedrag is vastgesteld op nihil, ligt daarin besloten dat een verliesverrekeningsbeschikking van nihil is gegeven. De wet laat niet toe dat de inspecteur een eenmaal genomen verliesverrekeningsbeschikking als bedoeld in artikel 21a, lid 1, van de Wet herziet. Dat heeft de Inspecteur in dit geval ten onrechte wel gedaan, aldus het middel.
3.2
Het geschil in deze zaak is ontstaan doordat de Inspecteur tot het inzicht is gekomen dat hij de belastbare winst bij de aanslag op een te laag bedrag had vastgesteld. Hij heeft dit gecorrigeerd door de hiervoor in 2.1.4 bedoelde ‘navorderingsaanslag’ op te leggen. Die ‘navorderingsaanslag’ leidde niet tot een te betalen bedrag, omdat de belastbare winst geheel wegviel tegen nog te verrekenen verliezen van voorafgaande jaren. De ‘navorderingsaanslag’ heeft daarom als zodanig geen betekenis.1 [voetnoot 1: Vgl. HR 15 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5248] De vraag is nu welke betekenis toekomt aan de beschikking ter zake van de verrekening van verliezen van vorige jaren die op het biljet van de ‘navorderingsaanslag’ is gegeven.
3.3
Tot het belastbare bedrag van een jaar behoort een te verrekenen verlies (artikel 7, lid 2, van de Wet). Dat is niet anders als een nadere vaststelling van het belastbare bedrag leidt tot het opleggen van een navorderingsaanslag.
Om de belastingplichtige de door de wetgever beoogde rechtsingang tegen de vaststelling van het bedrag van een voorwaarts verrekend verlies te bieden, moet worden aangenomen dat ook bij navordering het bepaalde in artikel 21a van de Wet toepassing vindt. Dit betekent dat ook dan het bedrag van het bij het opleggen van de navorderingsaanslag verrekende verlies moet worden vastgesteld bij een – nadere – voor bezwaar vatbare beschikking. De omstandigheid dat artikel 21a van de Wet niet voorziet in herziening van een eerdere – al dan niet in de aanslag besloten liggende – beschikking doet daaraan niet af. Dat die nadere beschikking mogelijk is, is inherent aan het systeem van de wet met betrekking tot navordering en verliesverrekening.
3.4
Een geval als dit kenmerkt zich daardoor dat de correctie van de belastbare winst geheel wegvalt tegen nog te verrekenen verliezen, zodat geen belasting kan worden nagevorderd. In het verlengde van het hiervoor in 3.3 overwogene moet ook in zo’n geval, indien overigens aan de voorwaarden voor navordering is voldaan, het bedrag van de nadere verliesverrekening op de voet van artikel 21a van de Wet worden vastgesteld bij een – nadere – voor bezwaar vatbare beschikking. Anders zou een met de strekking van de wet niet te verenigen verschil ontstaan tussen gevallen waarin na verrekening van verliezen nog wel een bedrag aan na te vorderen belasting resteert, en gevallen waarin dat niet zo is. Het betoog waarop het middel berust, stuit hierop af.”
31. Uit het hierboven weergegeven arrest volgt dat herziening van een definitieve verliesverrekeningsbeschikking mogelijk is middels het opleggen van een navorderingsaanslag, mits aan de voorwaarden voor navordering is voldaan. Het ontbreken van een verwijzing naar artikel 16 van Pro de AWR in artikel 21a van de Wet Vpb, staat volgens dit arrest niet in de weg aan navordering. Dat die nadere beschikking mogelijk is, is inherent aan het systeem van de wet met betrekking tot navordering en verliesverrekening. De rechtbank is van oordeel dat het ontbreken van een dergelijke verwijzing in artikel 21 van Pro de Wet Vpb, evenmin in de weg staat aan navordering en dat de verliesverrekeningsbeschikking (carry back) van artikel 21 van Pro de Wet Vpb als een vermindering van de belastingaanslag moet worden gezien.
32. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat ter zake van de met de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen verleende verminderingen van de aanslagen Vpb 2007, 2008 en 2009, kan worden nagevorderd op grond van artikel 16, tweede lid, onderdeel c van de AWR, mits aan de overige voorwaarden voor deze navordering is voldaan. Hierna zal de rechtbank ingaan op de vraag of aan deze overige voorwaarden is voldaan.
(Kenbare) fout in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR?
33. Niet in geschil is dat de bij de definitieve verliesverrekeningen gemaakte fouten kenbaar waren voor eiseres. De vraag is echter of sprake is van een fout in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, nu eiseres stelt dat sprake is van een beoordelingsfout van verweerder.
34. In het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, is geoordeeld dat het begrip ‘fout’ in artikel in artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, neutraal en ruim is bedoeld, en dat daaronder moet worden verstaan elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld. De wetgever heeft met de introductie van deze regeling echter niet willen breken met de voorheen ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak houdt in dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht (zie HR 8 augustus 2003, nr. 37570, ECLI:NL:HR:2003:AI0921, BNB 2003/345). Een dergelijke beoordelingsfout kan niet op basis van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder c, van de AWR, worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was.
35. De rechtbank stelt bij de beoordeling hiervan voorop dat verweerder bij het opleggen van de aanslag Vpb 2010 op 4 oktober 2014 ervoor heeft kunnen kiezen om de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen met betrekking tot de jaren 2007, 2008 en 2009, te verrekenen met de definitieve aanslag Vpb 2010. Verweerder heeft toentertijd bij het opleggen van die aanslag geen beoordelingsfout gemaakt met deze wijze van verrekening. Uit het bepaalde in artikel 21, derde lid, van de Wet Vpb, volgt immers dat een verleende voorlopige verliesverrekening wordt verrekend bij de (definitieve) verliesverrekeningsbeschikking dan wel, indien deze niet wordt vastgesteld, met de aanslag voor het jaar waarover het verlies is aangegeven dat heeft geleid tot de voorlopige verliesverrekening. Nu bij het opleggen van de aanslag Vpb 2010 op 4 oktober 2014, geen definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen waren vastgesteld, was verweerder niet gehouden de voorlopige verliesverrekening daarmee te verrekenen. De omstandigheid dat in de vaststelling van de aanslag Vpb 2010 naar een positief belastbaar bedrag besloten lag de beschikking dat het verlies van dat jaar nihil bedraagt, maakt dit niet anders, ook niet indien ervan uit wordt gegaan dat deze vaststelling ook een verliesverrekeningsbeschikking van nihil zou kunnen impliceren. De destijds door verweerder gekozen wijze van verrekening is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 21, eerste lid, van de Wet Vpb, en ook in lijn met de arresten van de Hoge Raad van 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878 en 21 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2281. Deze arresten dwingen er niet toe verliesverrekeningsbeschikkingen van nihil ‘in te lezen’ in de oplegging van de aanslag Vpb 2010 tot een positief bedrag. Het feit dat reeds een voorlopige teruggaaf was verleend terwijl het te verrekenen verlies nog ter discussie stond en het feit dat na de gevoerde procedure over de aanslag Vpb 2010 bleek dat het aangegeven verlies ten onrechte niet was geaccepteerd, leiden evenmin tot het oordeel dat de in eerste instantie toegepaste verrekening berust op een beoordelingsfout. De stellingen van eiseres over een eventuele derving van invorderingsrente, belasting- of heffingsrente, rendement dan wel geleden rentenadeel als gevolg van de handelwijze van verweerder, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel nu evenmin is komen vast te staan dat verweerder in dat opzicht verwijtbare fouten heeft gemaakt.
36. De vraag is vervolgens of verweerder – nadat de door eiseres aangegeven verliezen over 2010 alsnog zijn geaccepteerd – een beoordelingsfout heeft gemaakt door de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen niet te verrekenen met de alsnog afgegeven definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022.
37. De rechtbank stelt vast dat de bedragen van de voorlopig verrekende verliezen niet vermeld zijn op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022 en ook niet zijn verrekend conform het bepaalde in artikel 21, derde lid, laatste volzin, van de Wet Vpb (zie onder 24). Uit de toelichting op de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen leidt de rechtbank af dat het wel de bedoeling was dat de teruggaven werden verrekend.
38. De rechtbank overweegt voorts dat uit de onder 12 weergegeven interne e-mail van verweerder van 28 juni 2022, volgt dat de betrokken administratief medewerker van de Belastingdienst bij de vermindering van de aanslag Vpb 2010 alleen het verlies over 2010 kon invoeren en dat hij daarbij niets kon aanpassen ten aanzien van de (verrekening van de reeds ingevorderde) voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen. Het systeem heeft op basis van deze invoer vervolgens zelf de vermindering van de aanslag Vpb 2010 vastgesteld en automatisch definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen 2007-2009 aangemaakt. De administratief medewerker en een andere bij de uitvoering betrokken medewerker van de Belastingdienst, vermoedden dat deze informatie niet meer in het systeem stond omdat het ofwel informatie is van te oude jaren, dan wel omdat de voorlopige teruggaven over 2007-2009 reeds waren ingevorderd als onderdeel van de aanslag Vpb 2010. In de interne e-mail wordt geconcludeerd dat het gaat om een onbedoeld en automatisch gegenereerd gevolg van de beslissing in 2014 om de voorlopige teruggaven over 2007-2009 in te vorderen als onderdeel van de definitieve aanslag Vpb 2010.
39. Uit deze interne e-mail, de overige gedingstukken en hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, maakt de rechtbank op dat de foutieve definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen zijn veroorzaakt door de geautomatiseerde verwerking van de vermindering van de aanslag Vpb 2010 en niet door een beoordelingsfout van verweerder. Als gevolg hiervan zijn de ‘verrekende voorlopige teruggaven verlies’ ten bedrage van € 3.502.743, per abuis blijven staan op de verminderingsbeschikking van 26 maart 2022 betreffende de aanslag Vpb 2010 en zijn de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen niet verwerkt in de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen van 26 maart 2022. De definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen en de verminderingen van de aanslagen Vpb 2007, 2008 en 2009, zijn dus onjuist (te laag respectievelijk te hoog) vastgesteld, niet als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingschuld of van een onjuist inzicht van verweerder in het recht, maar als gevolg van de geautomatiseerde verwerking van de vermindering van de aanslag Vpb 2010 die heeft geleid tot een discrepantie tussen wat verweerder wilde en wat in de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen en de vermindering van de aanslagen 2007-2009 is vastgelegd (vgl. HR 7 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:743). Deze onjuiste geautomatiseerde verwerking was het rechtstreekse gevolg van de eerder op 4 oktober 2014 bij het opleggen van de aanslag Vpb 2010 door verweerder gemaakte keuze om de voorlopige verliesverrekeningsbeschikkingen met betrekking tot de jaren 2007, 2008 en 2009, te verrekenen met die aanslag. Deze eerdere keuze berust evenmin op een beoordelingsfout (zie onder 35). Dat de betrokken ambtenaren het probleem onderkenden en handmatig in het systeem hadden kunnen ingrijpen, kan gelet op het voorgaande niet worden aangemerkt als een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of het recht. De stellingen van eiseres over een eventuele derving van invorderingsrente, belasting- of heffingsrente, rendement dan wel geleden rentenadeel als gevolg van de handelwijze van verweerder, brengen de rechtbank niet tot een ander oordeel nu evenmin is komen vast te staan dat verweerder in dat opzicht verwijtbare fouten heeft gemaakt.
40. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar betoog dat verweerder het verwijt treft dat hij zijn systemen en de geautomatiseerde verwerking niet heeft ingericht in overeenstemming met de onder 35 genoemde arresten van 11 april 2014 en 21 oktober 1998. Uit genoemde arresten volgt – overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 van Pro de Wet Vpb – dat slechts in geval vaststaat dat geen definitieve verliesverrekeningsbeschikking als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld, voorlopige teruggaven kunnen worden verrekend met de aanslag over het jaar waarover het verlies is aangegeven. In casu is evenwel sprake van een uitzonderlijke situatie waarbij (1) in eerste instantie geen definitieve verliesverrekeningsbeschikking is vastgesteld en (terecht) verrekening met de aanslag over het voorgaande jaar heeft plaatsgevonden en (2) jaren later alsnog verliezen worden vastgesteld en alsnog definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen zijn afgegeven. Om die reden is de geautomatiseerde verwerking van de vermindering van de aanslag verlopen zoals beschreven in de onder 12 weergegeven e-mail (zie ook onder 38). Er kan op dit punt geen verwijt worden gemaakt richting verweerder. Het voert te ver om van de Belastingdienst te verlangen haar automatisering af te stemmen op dergelijke uitzonderlijke gevallen. Dit oordeel vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet Vpb, die – voor zover hier van belang – als volgt luidt (Kamerstukken II, 2009/2010, 32129, Nota n.a.v. het verslag, nr. 8, p. 49):
“De huidige wet is namelijk niet evenwichtig. Fouten als gevolg van de geautomatiseerde werkwijze blijven volledig voor rekening van de Belastingdienst, dus voor de samenleving. Het kabinet kiest er derhalve bewust voor, de leden van de fractie van het CDA vragen daarnaar, om het financiële gewin van een individuele belastingplichtige bij een fout niet af te wentelen op de gehele samenleving, maar om die fout te herstellen bij die individuele belastingplichtige zelf, mits– en dan juist omdat– het die belastingplichtige al redelijkerwijs kenbaar was dat hij ten onrechte een voordeel genoot. In die gevallen behoren «systeemrisico’s», waarmee de NOB kennelijk doelt op fouten in de geautomatiseerde werkwijze, anders dan deze organisatie stelt, naar de opvatting van het kabinet niet geheel
voor rekening van de Belastingdienst te blijven.
(…)
Dit is echter iets anders dan de stelling waarnaar de leden van de fractie van de SP vragen, namelijk dat de belastingplichtige er vanuit mag gaan dat er geen fouten in de belastingaangifte (bedoeld zal zijn: belastingaanslag) kunnen sluipen. Een ieder weet dat ook bij, en soms zelfs door, het gebruik van ICT fouten worden gemaakt. Dit geldt niet anders voor de Belastingdienst. Hoewel de belastingplichtige dus mag rekenen op een zorgvuldig handelende Belastingdienst, kan hij niet zonder meer rekenen op een feilloos handelende Belastingdienst.”
41. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de fouten in de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen fouten zijn ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften en dat deze niet berusten op beoordelingsfouten wegens een verwijtbaar onjuist inzicht van verweerder in de feiten of het recht. Er is sprake van een kenbare fout in de zin van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR. Het beroep faalt in zoverre.
Termijn van de navorderingsaanslagen
42. Inzake de vraag of de navorderingsaanslagen binnen de navorderingstermijn zijn opgelegd, overweegt de rechtbank als volgt.
43. Vaststaat dat niet is nagevorderd op basis van het eerste lid van artikel 16 van Pro de AWR, zodat de reguliere navorderingstermijn van artikel 16, derde lid, eerste volzin, van de AWR, niet aan de orde is. De navorderingsaanslagen berusten evenmin op het bepaalde in artikel 16, tweede lid, onderdeel a, van de AWR. In feite gaat het om een correctie van foutieve verminderingen van belastingaanslagen. De rechtbank is van oordeel dat in het kader van een redelijke wetstoepassing het derde lid meer specifiek is en bepalend is voor de navorderingstermijn en niet het zesde lid van artikel 16 van Pro de AWR. De navorderingstermijn in artikel 16, zesde lid, van de AWR, staat dus niet in de weg aan de navorderingsbevoegdheid van verweerder.
44. Voor zover navordering zonder toepassing van het tweede lid, onderdeel c, niet zou kunnen plaatsvinden, vervalt de bevoegdheid tot het vaststellen van een navorderingsaanslag, door verloop van twee jaren na het tijdstip waarop de belastingaanslag is vastgesteld (artikel 16, derde lid, laatste volzin, van de AWR). Voor de toepassing van het derde lid van artikel 16 AWR Pro, beschouwt de rechtbank de datum waarop de definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen zijn vastgesteld als het tijdstip waarop de belastingaanslagen zijn vastgesteld.
45. Verweerder heeft met dagtekening 22 juli 2023 de navorderingsaanslagen opgelegd. De definitieve verliesverrekeningsbeschikkingen en de vaststelling van de definitieve aanslagen Vpb 2007-2009 dateren van 26 maart 2022. De aan eiseres opgelegde navorderingsaanslagen zijn derhalve vastgesteld binnen twee jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de belastingaanslagen zijn vastgesteld. Daarmee is verweerder gebleven binnen de navorderingstermijn van artikel 16, derde lid, laatste volzin, van de AWR. Van een oneigenlijke verlenging van de reguliere navorderingstermijn is in het licht van doel en strekking van artikel 16, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, geen sprake nu de foutieve vaststelling van de definitieve aanslagen Vpb 2007-2009, in 2022 heeft plaatsgevonden. Evenmin is sprake van een inbreuk op de rechtszekerheid nu het gaat om herstel van een voor de belastingplichtige kenbare fout waarbij een materieel onjuiste dubbele teruggave van een belastingbedrag van ruim € 3,5 miljoen wordt gecorrigeerd.
Conclusie
46. Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om de navorderingsaanslagen op te leggen. De hoogte van de navorderingsaanslagen is tussen partijen niet in geschil. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
47. Bij deze uitkomst bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, voorzitter, mr. M.C. van As en mr. P.A. Spijker, leden, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).