ECLI:NL:HR:2022:169

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2022
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
20/00817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 20b lid 1 Wet op de vennootschapsbelasting 1969Art. 21 lid 3 Wet op de vennootschapsbelasting 1969
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2010

In deze zaak stond de vennootschapsbelastingaanslag over het jaar 2010 voor belanghebbende centraal, evenals de verrekening van een bedrag aan voorlopige verliesverrekening en twee beschikkingen van de Belastingdienst. De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland waren behandeld.

De Hoge Raad heeft de middelen van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

Ten aanzien van de proceskosten heeft de Hoge Raad de Staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende in cassatie heeft moeten maken, vastgesteld op €3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het incidentele beroep is geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Het arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter en de raadsheren M.A. Fierstra en E.F. Faase, en is op 11 februari 2022 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/00817
Datum11 februari 2022
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 14 januari 2020, nr. 18/00317 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 16/773) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de verrekening met die aanslag van een bedrag aan voorlopige verliesverrekening als bedoeld in artikel 21, lid 3, laatste volzin, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van die wet en een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.J. de Lignie en M.D. Bosch, heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
2. Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel en het in het incidentele beroep voorgestelde middel
De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat de middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van de middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

Wat betreft het principale beroep in cassatie zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken.
Wat betreft het incidentele beroep in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.036 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 532.