Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
aanslagsoort
jaar
navordering
2013
navordering
2014
aanslag
2015
mr. [naam 2] en [naam 3] .
€ 650.000 een goodwillcomponent van € 500.000 ter zake van de verkoop van de onderneming is begrepen. De contante waarde van de per 31 december 2007 nog te ontvangen goodwillbetalingen is door het Hof vastgesteld op € 3.389.067. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat goed koopmansgebruik uitstel van winstneming van dit bedrag, dat in feite betrekking heeft op de koopsom die in termijnen wordt betaald, niet toestaat en heeft het vermelde bedrag gerekend tot de winst van [bedrijf 1] van het jaar 2007 (Gerechtshof Amsterdam 12 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3106). De Hoge Raad heeft dat oordeel in stand gelaten (Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3075).
5.4. Naar het oordeel van het Hof zijn zowel [bedrijf 1] als ook [eiser] zich van de bevoordeling bewust geweest. [Eiser] immers hield (samen met [naam 4] ) de aandelen in [bedrijf 1] en was tevens (samen met [naam 4] ) eigenaar van het pand. [Eiser] had aldus samen met [naam 4] een beslissende invloed op de beëindiging en totstandkoming van de huurovereenkomst, op de met de verhuur verbonden huurinkomsten en de gevolgen daarvan voor de earn-outregeling. Met andere woorden, [bedrijf 1] en haar aandeelhouders [eiser] en [naam 4] hadden het in de hand de geldstroom te verleggen van [ [bedrijf 1] ] naar privé.
[…]
5.6. […] Nu de huurbetalingen jaarlijks aan de aandeelhouders worden betaald komt hen in feite de ‘earn out’ vanaf 2011 jaarlijks toe voor het door de Inspecteur gestelde bedrag van ieder € 250.000. Met het bedrag van € 250.000 (= € 500.000/2) heeft de Inspecteur gelet op de huurinkomsten (inclusief goodwill) van € 650.000 per jaar in ieder geval niet een te hoog bedrag in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft deze voordelen niet in zijn aangiften voor 2011 en 2012 verantwoord.”
Binnen deze termijn is geen reactie of stuk van verweerder ontvangen.
De tijd voor indiening van de stukken en het verweerschrift begint daarom wel te dringen. Wilt u mij berichten wanneer wij de stukken en het verweerschrift tegemoet kunnen zien?”
De rechtbank wijst u erop dat u op grond van artikel 8:42 [Algemene wet bestuursrecht, hierna] Awb niet alleen de stukken, maar ook het verweerschrift binnen de gestelde termijn van vier weken had moeten indienen, aangezien daarom door de rechtbank is verzocht. De rechtbank kan aan het niet tijdig indienen gevolgen verbinden (artikel 8:31 Awb Pro). Verder wijst de rechtbank erop dat het voor een goede voorbereiding door alle betrokkenen en voor een zinvolle behandeling op de zitting noodzakelijk is om tijdig uw stukken te ontvangen, temeer aangezien u nieuwe stukken aan het opstellen bent. Hierbij het dringende verzoek om uw stukken uiterlijk op 14 november 2022 te mogen ontvangen om dit nog enigszins mogelijk te maken.”
B. Correctiebrieven inspecteur
C. Bezwaarschriften IB/PVV 2013 en 2014 alsmede 2015
E. Uitspraken op bezwaar IB/PVV 2013 en 2014, alsmede 2015
2. Huurovereenkomst gedateerd 27 september 2006
3. Overeenkomst van verkoop aandelen [bedrijf 2] B.V. gedateerd ? 2008
4. Opzegging huurovereenkomst gedateerd 1 december 2009
5. Bevestiging opzegging huurovereenkomst huurder d.d. 16 december 2009
6. Uitspraak Rechtbank Noord-Holland d.d. 31 maart 2015
7. Uitspraak Gerechtshof Amsterdam d.d.12 juli 2016
8. Arrest Hoge Raad d.d. 8 december 2017
9. Vaststellingsovereenkomst gedateerd 18/23/24 september 2015”
- De navorderingsaanslagen ib/pvv over de jaren 2013 en 2014 zullen door de Belastingdienst worden vernietigd. Het beroep is reeds hierom gegrond. Hierop heeft eiser het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding laten vallen en het verzoek om een forfaitaire vergoeding van proceskosten gehandhaafd.
- Het verzoek om ambtshalve vermindering dat op het jaar 2014 ziet, vervalt ook reeds omdat de navorderingsaanslag vernietigd wordt. Partijen hadden al afgesproken om te proberen dit buiten de zitting op te lossen.
- De dwangsombeschikking voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar voor de jaren 2013 en 2014 is genomen, de dwangsom is uitbetaald en is in deze zaak dus ook niet in geschil.
De rechtbank is van oordeel dat het niet nakomen van de verplichtingen hiermee genoegzaam erkend is, sluit zich aan bij de door verweerder hieraan verbonden consequenties en zal er verder geen gevolgen aan verbinden (artikel 8:42, artikel 8:45, artikel 8:31 en Pro artikel 8:58 Awb Pro).
€ 650.000 (inclusief goodwill, zie Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3075, BNB 2018/40). De omvang van de earn out die [bedrijf 1] ontving is door het wegvallen van de door [bedrijf 3] als huur betaalde bedragen feitelijk te verwaarlozen geworden. Hierdoor heeft [bedrijf 1] (als moedervennootschap van [bedrijf 2] ) de hieruit voortvloeiende inkomsten prijsgegeven ten gunste van eiser en [naam 4] , haar aandeelhouders.
Beslissing
- verklaart het beroep voor het jaar 2015 (HAA 20/4033) ongegrond;
- verklaart het beroep voor de jaren 2013 (HAA 20/4031) en 2014 (HAA 20/4032) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2013 en 2014;
- vernietigt de navorderingsaanslagen en rentebeschikkingen voor de jaren 2013 en 2014;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade van eiser voor een bedrag van € 107;
- veroordeelt de minister van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van immateriële