Belanghebbende verkocht in 2007 via haar dochtermaatschappij een paaldansclub aan een derde, die tevens het pand huurde waarin de onderneming werd uitgeoefend. Het geschil betrof of de hoge huurprijs die de derde betaalde een component voor de overgenomen goodwill bevatte en of uitstel van winstneming daarop geoorloofd was.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de huurprijs inderdaad een goodwillcomponent bevatte van € 500.000 en dat de contante waarde van de toekomstige goodwillbetalingen in 2007 als winst moest worden genomen. Het hof verwierp het standpunt dat de overeenkomsten schijnhandelingen waren en concludeerde dat de overeengekomen huur en koopsom niet zakelijk waren, mede gelet op de lagere zakelijke huur tussen aandeelhouders en dochtermaatschappij en de behaalde nettowinsten.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde het oordeel van het hof. De Hoge Raad vond het oordeel over de zakelijkheid van de huurprijs en de toerekening van een goodwillcomponent niet onbegrijpelijk en oordeelde dat uitstel van winstneming niet toegestaan was. De proceskosten werden niet aan partijen opgelegd.