ECLI:NL:RBMNE:2026:2365

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
UTR 25/1640 & UTR 25/1641
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 17 GrondwetArt. 6 EVRMArt. 30a Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waardebeschikking ongegrond wegens ontbreken concrete beroepsgronden

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken in een plaats, maar heeft geen concrete beroepsgronden ingediend. De heffingsambtenaar heeft de waardes onderbouwd met een taxatiematrix en verweerschrift. De rechtbank heeft eiseres meerdere malen verzocht haar standpunt te concretiseren, maar zonder resultaat.

De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waardes juist zijn vastgesteld, mede omdat de referentieobjecten vergelijkbaar zijn en de m2-prijs in lijn is met de gehanteerde referenties. Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Daarnaast is de redelijke termijn voor bezwaar en beroep overschreden met ongeveer 2 jaar en 2 maanden, wat leidt tot toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 2.500,- aan eiseres. Tevens wordt proceskostenvergoeding van € 93,40 en griffierechtvergoeding van € 53,- toegekend. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van deze bedragen.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardebeschikking wordt ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding wegens termijnoverschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/1640 & UTR 25/1641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: M.A.E. van Dop)

Inleiding

1. In de beschikking van 28 februari 2022 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken in [plaats] voor het belastingjaar 2021 naar de waardepeildatum 1 januari 2020 als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Object
Vastgestelde waarde
UTR 25/1640
[adres 1] [plaats]
€ 189.000,-
UTR 25/1641
[adres 2] [plaats]
€ 141.000,-
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waardes als heffingsmaatstaf zijn gehanteerd.
2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waardes van de onroerende zaken gehandhaafd.
3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en een taxatiematrix ingediend.
7. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin zij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak.
8. De rechtbank heeft vervolgens een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiseres hier niet aan voldoet, eiseres het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting. De gemachtigde van eiseres heeft hier niet op gereageerd.
9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waardes niet onjuist zijn. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige objecten. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Bovendien is de m2-prijs van de objecten in lijn met die van de gehanteerde referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waardes niet onjuist zijn vastgesteld.
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde van eiseres zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling onjuist is. Nu de gemachtigde van eiseres geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres de vastgestelde waardes niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de onroerende zaken niet onjuist zijn vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mensen en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
14. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de handeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk.
15. De rechtbank constateert dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door de heffingsambtenaar op 7 april 2022 de redelijke termijn van 2 jaar met (afgerond) 2 jaar en 2 maanden is overschreden. Dit leidt tot de conclusie schadevergoeding moet worden toegekend.
16. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van € 500,- per half jaar.
17. De termijnoverschrijding is te wijten aan de heffingsambtenaar, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar met die verwijtbaarheid de schade zal veroordelen. De redelijke termijn is 2 jaar en 2 maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 2.500,- aan schadevergoeding moet betalen.
Proceskosten en griffierecht
18. Vanwege de toekenning van een vergoeding van immateriële schadevergoeding heeft eiser recht op een vergoeding van proceskosten. In dit geval is artikel 30a van de Wet WOZ van toepassing, omdat de uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. Op grond van die bepaling geldt als hoofdregel dat een vermenigvuldigingsfactor van 0,1 moet worden toegepast, in het geval de WOZ-waarde niet wijzigt.
19. Gelet op het voorgaande wordt de berekening als volgt: 1 punt voor het indienen van het verzoek, met een waarde per punt van € 934 en een wettelijke wegingsfactor 0,1. Dit leidt tot een te vergoeding proceskosten van € 93,40. De rechtbank draagt de heffingsambtenaar op het griffierecht tot een bedrag van € 53,- te vergoeden aan eiser, omdat de redelijke termijn voor 31 mei 2024 is overschreden. [5]
20. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 2.500,- aan schadevergoeding aan eiser;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van € 93,40 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht tot een bedrag van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lith, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.
5.Hoge Raad 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.