ECLI:NL:RBLIM:2022:5258
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete Participatiewet wegens niet melden inkomsten uit drugshandel
Eiser ontving een boete van €317 wegens het niet melden van inkomsten uit handel in verdovende middelen in de periode juni tot augustus 2017, wat leidde tot een onterecht ontvangen bijstandsuitkering. De rechtbank bevestigt dat eiser terecht een boete kreeg opgelegd, gelet op het bewijs uit politieonderzoek en administratie.
Eiser voerde onder meer aan dat het college onzorgvuldig handelde, dat de boete onterecht was wegens vermeende dubbele bestraffing en dat sprake was van psychische nood die verwijtbaarheid uitsloot. Deze verweren werden verworpen; het college handelde zorgvuldig en de boete betreft een andere gedraging dan strafrechtelijke vervolging.
De rechtbank oordeelt dat het college de boete niet binnen de wettelijke beslistermijn van dertien weken na het fraude-rapport heeft vastgesteld, met een overschrijding van ruim zeventien maanden. Dit motiveringsgebrek leidt tot vernietiging van het besluit en matiging van de boete. Daarnaast wordt de boete met 5% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. De boete wordt uiteindelijk vastgesteld op €301.
Verder wordt het beroep gegrond verklaard voor de proceskostenvergoeding en het griffierecht. De verrekening van proceskosten met openstaande vorderingen door het college wordt als rechtmatig beoordeeld. De rechtbank wijst het hoger beroep toe en stelt de boete definitief vast op €301.
Uitkomst: De boete wordt gematigd naar €301 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt gegrond verklaard en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.