Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en hadden vier inwonende kinderen, waarvan drie meerderjarig waren. Eén van deze kinderen, A, stopte met haar studie op 3 juli 2015, wat niet werd gemeld aan het college. Hierdoor werd de kostendelersnorm van toepassing en werd de bijstand van appellanten herzien en teruggevorderd.
Het college legde een boete op wegens het niet melden van deze wijziging, waarbij de hoogte van de boete meerdere keren werd aangepast. Appellanten gingen in beroep tegen de boete. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de boete moest worden verminderd vanwege een overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.
De Raad stelde vast dat appellanten verwijtbaar hadden gehandeld door de wijziging niet te melden, maar dat het college de boete niet consistent had gemotiveerd. De Raad bevestigde de verwijtbaarheid en verwierp de overige beroepsgronden van appellanten, waaronder verminderde verwijtbaarheid en dringende redenen. Wel werd de boete met 5% verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn met minder dan zes maanden, wat resulteerde in een nieuwe boete van € 794,82.