Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 16 juni 2016
[X] , te [Z] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
ultimate benefical ownervan de Luxemburgse vennootschap [H] SA ( [H] ), die einde 2007 is geliquideerd en begin 2008 is vereffend, en van [I] SA ( [I] ), eveneens een in Luxemburg gevestigde vennootschap waarvan eiser eveneens de
ultimate benefical owneris. De rechtbank heeft tevens aannemelijk geoordeeld dat het te vereffenen vermogen van [H] in ieder geval bestond uit een vordering van € 11.000.000 nominaal op [I] en een vordering van € 4.000.000 nominaal op [G] en dat deze vorderingen bij de liquidatie van [H] op eiser zijn overgegaan. De rechtbank heeft deze vorderingen van eiser aangemerkt als tbs-vorderingen waarvan eiser het rendement in box 1 had moeten aangeven. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 762.997 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 731.573;
- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;
- verlaagt de boete tot € 17.254;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.601;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;