ECLI:NL:RBDHA:2026:2125

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
24_4324
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 4:5 AwbArt. 1 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen herziening AOW-uitkering ondanks alleenstaande ouderenkorting belastingdienst

Eiser verzocht om herziening van besluiten waarbij zijn en de AOW-uitkering van zijn overleden partner waren aangepast naar de gehuwdennorm na het aangaan van een geregistreerd partnerschap. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af, stellende dat niet was gebleken dat zij duurzaam gescheiden leefden. Eiser stelde dat de Belastingdienst aan zijn partner een alleenstaande ouderenkorting had toegekend, wat volgens hem een nieuw feit was dat herziening rechtvaardigde.

De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van duurzaam gescheiden leven voor de AOW aan andere wettelijke criteria is gebonden dan de belastingwetgeving, waardoor de alleenstaande ouderenkorting niet relevant is voor de AOW-aanspraken. Ook de uitspraak van de belastingrechter was niet van toepassing op de AOW.

Verder concludeerde de rechtbank dat de besluiten van de Svb bevoegd waren genomen, mede gelet op het overgelegde mandaatbesluit. De inhoudelijke argumenten van eiser over het feitelijk samenleven werden onvoldoende geacht om de besluiten onmiskenbaar onjuist te verklaren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot herziening van de AOW-uitkeringen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4324

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , in zijn hoedanigheid van enig erfgenaam van [erflaatster] en in persoon, uit [woonplaats] , eiser
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: drs. W. van den Berg).

Inleiding

Bij besluit van 19 februari 2024 (primair besluit I) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 10 februari 2020 ten aanzien van het AOW-pensioen van eiser afgewezen.
Bij besluit van 28 februari 2024 (primair besluit II) heeft verweerder het verzoek van eiser om herziening van het besluit van 10 februari 2020 ten aanzien van het AOW-pensioen van [erflaatster] (verder: [erflaatster] ) afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2024, ten aanzien van het pensioen van [erflaatster] , ongegrond verklaard.
Bij besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 19 februari 2024, ten aanzien van het pensioen van eiser, ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.
De rechtbank heeft het onderzoek heropend en bepaald dat verweerder het mandaatsbesluit dient te overleggen.
Verweerder heeft op 2 juli 2025 het mandaatsbesluit aan de rechtbank toegezonden.
Partijen zijn door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken of zij op een nadere zitting willen worden gehoord.
Partijen hebben niet binnen de gestelde termijn kenbaar gemaakt een nadere zitting te willen.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

1.1.
Aan eiser is per 26 december 2012 een alleenstaande AOW-pensioen toegekend. Op 25 november 2019 is eiser een geregistreerd partnerschap aangegaan met [erflaatster] . Daarop zijn bij besluiten van 11 december 2019 de AOW-pensioenen van eiser en [erflaatster] met ingang van december 2019 aangepast naar de gehuwdennorm. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar is bij beslissingen op bezwaar van 10 februari 2020 ongegrond verklaard.
1.2.
[erflaatster] is op [dag] 2020 overleden. In verband hiermee is haar AOW-pensioen per 18 juni 2020 beëindigd. Het aan eiser toegekende AOW-pensioen is per 1 juni 2020 gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande.
1.3.
Op 27 december 2023 heeft eiser verzocht om herziening van de besluiten van 11 december 2019. Volgens eiser had aan hem en [erflaatster] afzonderlijk een AOW-pensioen naar de alleenstaandennorm toegekend moeten worden.
1.4.
Bij primair besluit van 19 februari 2024 heeft verweerder het verzoek om herziening ten aanzien van het AOW-pensioen van eiser afgewezen.
1.5
Op 26 februari 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 februari 2024.
1.6
Bij primair besluit van 28 februari 2024 heeft verweerder het verzoek om herziening ten aanzien van het AOW-pensioen van [erflaatster] met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
1.7.
Eiser heeft bij brief van 6 maart 2024 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 februari 2024.
1.8.
Bij beslissingen op bezwaar van 26 april 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard. Bij brief van 8 mei 2024 heeft verweerder de beslissing op bezwaar ten aanzien van het AOW-pensioen van eiser ingetrokken.
2. Bij besluit van 10 mei 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ten aanzien van het AOW-pensioen van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser en [erflaatster] duurzaam gescheiden leefden van elkaar. Het besluit van de Belastingdienst waarbij aan [erflaatster] een alleenstaande ouderenkorting is toegekend is volgens verweerder geen nieuw feit dat van invloed is op het recht op het AOW-pensioen. Evenmin is gebleken dat de besluiten waarvan herziening is gevraagd onmiskenbaar onjuist zouden zijn.
3. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij zowel beroep heeft willen instellen tegen het besluit over zijn eigen AOW-pensioen als tegen het besluit over het AOW-pensioen van [erflaatster] . Gelet hierop en op de beroepsgronden van eiser gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep is gericht tegen het besluit van 26 april 2024 en het besluit van 10 mei 2024.
4. De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verweerder tweemaal een (primaire) beslissing heeft genomen op het verzoek om herziening ten aanzien van het AOW-pensioen van eiser, op 19 februari 2024 en op 28 februari 2024. Met de beslissing van 19 februari 2024 was echter het rechtsgevolg al ingetreden. De beslissing van 28 februari 2024 is daarmee geen besluit in de zin van de Awb. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat met de beslissing van 28 februari 2028 de motivering van het besluit van 19 februari 2024 is aangevuld.
5. In de primaire besluiten en de bestreden besluiten heeft verweerder opgenomen dat de verzoeken betrekking hebben op de herziening van de besluiten van 10 februari 2020. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder gesteld dat het gaat om de herziening van de besluiten van 11 december 2019, de primaire besluiten waarin de AOW-pensioenen zijn aangepast. De rechtbank volgt verweerder hierin.
6.1.
Eiser voert aan dat alle besluiten van de Svb onbevoegd zijn genomen. Bovendien zijn de bestreden besluiten niet ondertekend, zodat ook daarom de besluiten niet rechtsgeldig zijn genomen.
6.2.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De bestreden besluiten zijn namens de Raad van bestuur van verweerder ondertekend door een serviceteammedewerker [naam] . Op verzoek van de rechtbank heeft verweerder het mandaatsbesluit toegezonden. Daaruit blijkt dat de serviceteammedewerker [naam] bevoegd is tot het tekenen van beslissingen op bezwaar.
De omstandigheid dat de bestreden besluiten niet voorzien zijn van een handtekening van voornoemde medewerker maakt niet dat de bestreden besluiten onbevoegd zijn genomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 september 2022 [1] . Voor zover de primaire besluiten onbevoegd zouden zijn genomen, zoals eiser stelt, dan is dat hersteld met de bevoegd genomen beslissingen op bezwaar.
7.1.
Eiser voert voorts aan dat verweerder tot herziening van de besluiten van 11 december 2019 had moeten overgaan omdat de Belastingdienst over het jaar 2020 aan [erflaatster] de alleenstaande ouderenkorting heeft toegekend en uit de uitspraak van de belastingkamer van de rechtbank Noord-Nederland van 19 oktober 2021 [2] volgt dat in de situatie van hem en [erflaatster] sprake was van duurzaam gescheiden leven.
7.2.
Ter zitting heeft verweerder gesteld dat de beslissing van de Belastingdienst wel een nieuw feit is, maar dat die niet tot een andere beslissing leidt.
8.1.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
8.2.
Vaste jurisprudentie [3] is dat als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is [4] .
8.3.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar voor het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die vóór dat besluit niet konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
8.4.
Verweerder voert het beleid dat hij ook bevoegd is terug te komen op een rechtens onaantastbaar besluit indien er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar wanneer het evident onredelijk zou zijn om niet terug te komen op het eerdere besluit. Hiervan is sprake als verweerder op basis van wat betrokkene in zijn verzoek aanvoert concludeert dat het besluit onmiskenbaar onjuist is.
Is er sprake van nieuwe feiten of omstandigheden?
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van de Belastingdienst om alsnog aan [erflaatster] de alleenstaande ouderenkorting toe te kennen op zich wel een nieuw feit is, maar dat die niet leidt tot wijziging van de besluiten waarvan herziening is gevraagd. Bij de vraag of er al dan niet sprake is van niet duurzaam gescheiden leven in het kader van de AOW dient getoetst te worden aan de bepalingen van de AOW. De belastingwetgeving heeft een ander wettelijk beoordelingskader en is daarmee niet relevant voor de vaststelling van de AOW-aanspraken.
9.2.
Daarnaast is de uitspraak van de belastingrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 19 oktober 2021 niet aan te merken als een nieuw feit of omstandigheid. Deze uitspraak betreft een geschil tussen een betrokkene en de belastinginspecteur over alleenstaande ouderenkorting in het kader van de belastingwetgeving. Zoals eerder vermeld is de vaststelling voor het recht op AOW de belastingwetgeving niet relevant. Bovendien blijkt uit de uitspraak dat, anders dan in het geval van eiser, daarin tussen partijen niet in geschil was dat de betrokkene en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leefden.
Zijn de besluiten waar herziening van wordt gevraagd onmiskenbaar onjuist?
10.1.
Van onmiskenbare onjuistheid is sprake als bij oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of summier onderzoek al blijkt dat het oorspronkelijke besluit onjuist is [5] .
10.2.
In artikel 1, tweede lid, aanhef en onder d, van de AOW is bepaald dat de als partner geregistreerde gelijkgesteld wordt met een gehuwde. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, wordt als ongehuwde mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij is gehuwd.
10.3.
Voor gevallen waarin geen sprake is van een ongewilde verbreking van de huwelijkse samenleving legt de Centrale Raad van Beroep het begrip duurzaam gescheiden leven als volgt uit. Gehuwde mensen leven pas duurzaam gescheiden als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a) ten minste één van hen wil de huwelijkse samenleving verbreken;
b) ieder van hen leidt afzonderlijk een eigen leven alsof hij of zij niet met de ander is gehuwd;
c) ten minste één van hen bedoelt deze situatie als blijvend.
Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet blijken uit de feitelijke omstandigheden. Daarvoor is niet voldoende dat betrokkenen hun hoofdverblijf niet hebben in dezelfde woning. De huwelijkse samenleving kan immers bestaan zonder dat de echtgenoten samenwonen [6] . Voor de beoordeling of mensen duurzaam gescheiden leven is verder niet van belang om welke redenen zij de huwelijkse samenleving niet (of nog niet, niet meer of niet opnieuw) hebben verbroken [7] .
10.4.
Eiser voert aan dat hij en [erflaatster] ten tijde van het besluit van 11 september 2019 duurzaam gescheiden van elkaar leefden en dat zij dus als ongehuwd hadden moeten worden aangemerkt. Eiser stelt dat, nadat [erflaatster] op 10 september 2019 te horen had gekregen dat zij nog maar hooguit negen maanden had te leven, hij en [erflaatster] op 25 november 2019 hebben besloten om een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Zij hadden toen voor die korte periode niet de intentie om voor negen maanden nog een vorm van echtelijke samenleving aan te gaan. Er was ook geen sprake van een gezamenlijke huishouding; zij deden niet samen de boodschappen en zij hadden geen gezamenlijke bankrekening. Evenmin verzorgde eiser [erflaatster] . Zij hebben zelfs aan de Belastingdienst verzocht hen niet als fiscale partners aan te merken. Volgens eiser leidde ieder afzonderlijk van de ander zijn eigen leven alsof zij niet met elkaar waren gehuwd.
10.5.
De rechtbank overweegt dat hetgeen eiser nu aanvoert inhoudelijk niet wezenlijk verschilt van hetgeen hij in zijn bezwaarschrift van 20 januari 2020 tegen het besluit van 11 december 2019 heeft aangevoerd. In het kader van dat bezwaar is op 6 februari 2020 telefonisch aan eiser gevraagd naar de feitelijke omstandigheden. Eiser heeft daarop verklaard dat hij en [erflaatster] elkaar elk weekend zien, dat zij tweemaal per jaar samen op vakantie gaan en dat hij vier dagen van de week bij [erflaatster] is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn dit omstandigheden die erop duiden dat zij naar buiten toe als een echtpaar fungeerden. Op basis hiervan kan niet gezegd worden dat de besluiten van 11 december 2019 onmiskenbaar onjuist zijn.
10.6.
Ten slotte heeft eiser verwezen naar een artikel uit de Telegraaf waarin een uitspraak van een bestuursrechter wordt genoemd die volgens eiser in een vergelijkbare situatie als die van hem en [erflaatster] heeft geoordeeld dat er sprake was van duurzaam gescheiden leven. Eiser heeft de uitspraak waar over wordt gesproken niet kunnen vinden. De rechtbank ook niet.
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Verloop, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.