Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:17061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
NL26.9309
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 31, zesde lid, onder c, Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing asielaanvraag Jemen met focus op willekeurig geweld in Taiz

Eiser, een Jemenitische nationaliteit dragende persoon, diende een asielaanvraag in na terugkeer uit Saoedi-Arabië naar Jemen, waar hij problemen ondervond met de Houthi’s. De minister wees de aanvraag af, stellende dat eiser geen verhoogd risico liep op willekeurig geweld in de provincie Taiz, waar een relatief hoger maar niet het hoogste niveau van geweld geldt.

De rechtbank oordeelt dat de minister het beroep van eiser op geloofwaardigheid onvoldoende heeft gemotiveerd, met name door het niet inhoudelijk beoordelen van een overgelegd arrestatiebevel en onvoldoende onderbouwing van tegenwerpingen over de vluchtweg. Dit leidt tot vernietiging van het besluit.

Desondanks blijft de afwijzing in stand omdat de minister de rechtsgevolgen in beroep heeft hersteld. De rechtbank bevestigt dat het beleid van de minister omtrent het niveau van willekeurig geweld in Taiz adequaat is en dat eiser onvoldoende individuele omstandigheden heeft aangetoond die een verhoogd risico op slachtoffer worden van geweld rechtvaardigen.

Verder wordt het beroep op het arrest Sufi en Elmi verworpen omdat eiser kan terugvallen op familie en geen bewijs heeft geleverd dat hij niet in zijn basisbehoeften kan voorzien. Ook het argument dat zijn verblijf in het Westen een verhoogd risico oplevert, wordt niet gevolgd.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de afwijzing blijft in stand; minister moet proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9309

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Taiz in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.
1.1.
De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/20 [1] , terecht voor de provincie Taiz een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. Ook bespreekt de rechtbank voor het eerst wat de gevolgen zijn van het arrest Ebilum [2] van het Hof van Justitie voor de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025/20 voor de provincie Taiz mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in plaats van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij, gezien deze minder uitzonderlijke situatie, in Taiz wegens zijn individuele omstandigheden een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat de minister zijn standpunt, dat de problemen van eiser met de Houthi’s ongeloofwaardig zijn, niet toereikend heeft gemotiveerd. De minister hoeft echter geen nieuw besluit te nemen, omdat de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen daaraan zijn verbonden.
1.3.
De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling van de rechtbank volgt vanaf 5. De rechtbank beoordeelt eerst het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen (5-7). Vervolgens beoordeelt de rechtbank of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld (8-12): daarbij zal ingegaan worden op de vraag of de minister in zijn beleid een volledige beoordeling heeft verricht (10), of de minister voor de provincie Taiz de hoogste gradatie van willekeurig geweld had moeten aannemen (11) en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser (12). Onder 13 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om eiser een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgrond over het langdurige verblijf in het Westen (14). Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (15).

Procesverloop

2. Eiser heeft, gelet op de loopbrief, op 27 augustus 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit en op 26 februari 2026 en 19 mei 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 15 mei 2026 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren in Taiz. Hij heeft Jemen in 2008 of 2009 op vijfjarige leeftijd met zijn familie verlaten en is opgegroeid in Saoedi-Arabië. Na afronding van de middelbare school keerde hij op 27 juli 2023 terug naar Jemen om daar te studeren. Eiser stelt dat hij na zijn terugkeer door de Houthi’s is aangehouden, omdat zij hem vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië van spionage verdachten. De Houthi’s wilden hem rekruteren en eiser moest verplicht deelnemen aan een herintegratiecursus, waarna hij naar het front zou worden gestuurd. Om daaraan te ontkomen heeft hij toestemming gevraagd om zijn oma te bezoeken. Nadat dit verzoek was ingewilligd, is hij gevlucht en heeft hij Jemen verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat hij opnieuw in de negatieve belangstelling van de Houthi’s zal komen te staan. Daarnaast beroept hij zich op de slechte algemene veiligheidssituatie in Jemen.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De door eiser gestelde problemen met de Houthi’s acht de minister niet geloofwaardig. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser die problemen onvoldoende met documenten heeft onderbouwd, omdat het door hem overgelegde arrestatiebevel een kopie is en dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser loopt volgens de minister geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Taiz heeft de minister een relatief hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met individuele omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.
Is het asielrelaas van eiser terecht ongeloofwaardig geacht?
Is Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd met het Unierecht?
5. Eiser betoogt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in
WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Eiser verwijst in dit verband naar de (verwijzings)uitspraak van 7 januari 2025 [3] van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, waarin prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie zijn gesteld. De minister had de beantwoording van die prejudiciële vragen moeten afwachten.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 25 juni 2025 [4] en 8 september 2025 [5] geoordeeld dat WI 2024/6, zoals door de minister uitgelegd, in overeenstemming is met het Unierecht. In dat wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor een ander oordeel. De minister was dan ook niet gehouden de beantwoording van de door zittingsplaats Roermond gesteld prejudiciële vragen af te wachten voordat hij op de aanvraag besliste. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser zelf besluitvorming heeft afgedwongen door het instellen van een beroep wegens niet tijdig beslissen. [6]
Heeft eiser het relaas voldoende met documenten onderbouwd?
6. Eiser betoogt dat de inhoud van het door hem overgelegde arrestatiebevel zijn verklaringen over de problemen met de Houthi’s ondersteunt. Volgens hem mag de minister het document niet terzijde schuiven enkel omdat het een kopie betreft, te meer nu in Jemen van gewapende groeperingen geen originele documenten kunnen worden verkregen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser het arrestatiebevel alleen in kopie heeft overgelegd. Een kopie kan echter niet op echtheid worden onderzocht, zodat de minister daaraan terecht minder bewijswaarde heeft toegekend. [7] Dat eiser een goede verklaring stelt te hebben waarom hij geen origineel kon overleggen, neemt dat niet weg. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielrelaas niet voldoende met documenten heeft onderbouwd (stap 2a van WI 2024/6). Gelet hierop heeft de minister terecht beoordeeld of eiser, gelet op zijn verklaringen, het voordeel van de twijfel moet krijgen en het asielrelaas alsnog geloofwaardig is (stap 2b). In zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
6.2.
Uit de eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025 volgt dat de minister bewijsmateriaal dat niet voldoende sterk is als onderbouwing van een asielmotief in stap 2a, ook betrekt bij de beoordeling of een betrokkene het voordeel van de twijfel moet krijgen, onder stap 2b. Dat blijkt, voor wat betreft kopieën van documenten, ook uit WI 2024/6. [8] De minister heeft in het verweerschrift [9] erkend dat hij ten onrechte – naar de rechtbank begrijpt in het kader van stap 2b van WI 2024/6 – niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Het betoog dat de minister het arrestatiebevel ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, slaagt daarom en het beroep is om die reden gegrond. Wat de gevolgen hiervan zijn, bespreekt de rechtbank onder 7.4.
Zijn de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel?
7. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [10] Aan dat standpunt heeft hij in het besluit vier argumenten ten grondslag gelegd. In het verweerschrift heeft de minister het vierde argument – inhoudende dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn – niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal hierna de drie resterende argumenten bespreken aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.
Kan tegelijkertijd sprake zijn van een verdenking van spionage en een rekruteringspoging?
7.1.
Eiser betoogt dat zijn verklaringen over de aandacht van de Houthi’s niet vreemd zijn. Volgens hem kunnen de Houthi’s hem enerzijds verdenken van spionage vanwege zijn langdurige verblijf in Saoedi-Arabië, terwijl zij hem anderzijds willen rekruteren. Eiser heeft toegelicht dat de Houthi’s ervan uitgaan dat personen die hun ideologie nog niet aanhangen, door middel van een verplichte integratiecursus kunnen worden geïndoctrineerd en overtuigd van hun ideologie.
7.1.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum, [11] het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid mag beoordelen. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet valt in te zien dat de Houthi’s eiser enerzijds als spion beschouwden vanwege zijn verblijf in Saoedi-Arabië en hem anderzijds wilden rekruteren. Daarbij is van belang dat eiser volgens zijn verklaringen een verrader is genoemd en verdacht is van steun aan Saoedi-Arabië [12] en is opgepakt, verhoord en mishandeld, [13] maar een dag later is gerekruteerd. [14] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gang van zaken niet aannemelijk is. Het ligt immers niet voor de hand dat de Houthi’s een persoon zouden rekruteren die zij verdenken een spion te zijn. Dat zou immers grote risico’s voor de Houti’s kunnen opleveren. Dat eiser eerst een integratiecursus zou moeten volgen, neemt dat risico niet weg. De minister heeft deze tegenwerping daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.
Was het aannemelijk dat eiser onbegeleid zijn oma mocht bezoeken?
7.2.
Eiser betoogt dat het niet onaannemelijk is dat de Houthi’s hem toestemming hebben verleend, voordat hij zou beginnen met de herintegratiecursus, om afscheid te nemen van zijn oma, mede gelet op de bemiddeling en garantstelling door lokale gezagsdragers. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het in Jemen geldende referentiekader, waarin bemiddeling en garantstelling door familieleden en dorpsoudsten gebruikelijk zijn.
7.2.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemding wekt dat eiser, die door de Houthi’s werd beschouwd als spion, al na korte tijd in de gelegenheid is gesteld om onbegeleid of met beperkte controle zijn oma te bezoeken. [15] Het ligt juist in de rede dat de Houthi’s, gelet op die verdenking en het vluchtgevaar, eiser in de gaten zouden willen houden, te meer nu hij eerder door hen was aangehouden, verhoord en mishandeld. Daarbij komt dat eiser geen overtuigende verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van een minder risicovolle optie, zoals het laten overkomen van zijn oma, die dichtbij woonde, naar de plaats van detentie. De enkele verwijzing naar de invloed van dorpsoudsten binnen de Jemenitische samenleving, welke stelling niet met objectieve landeninformatie is onderbouwd, doet aan het voorgaande niet af. Ook deze tegenwerping heeft de minister daarom terecht aan het besluit ten grondslag gelegd.
Is het aannemelijk dat eiser de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren?
7.3.
Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat hij tijdens zijn vlucht de Houthi-controleposten heeft kunnen passeren. Hij heeft in zijn zienswijze toegelicht dat meerdere routes naar de door hem gepasseerde grensovergang van Alwadia leiden en dat hij hoofdzakelijk door regeringsgebied heeft gereisd. Dit verklaart volgens hem ook de duur van de reis van circa twee dagen. De route is volgens eiser bovendien door een vriend van zijn oom geregeld, omdat hij zelf na veertien jaar afwezigheid niet bekend was met de situatie ter plaatse. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Jemen (ambtsbericht) van april 2025 [16] en een kaart van het district Mawiyah, waaruit volgens hem blijkt dat niet alle routes door Houthi-gebied lopen.
7.3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten kon ontwijken. Daarbij is van belang dat de minister zijn tegenwerping grotendeels heeft gebaseerd op algemene informatie over controleposten in de omgeving van Taiz en veronderstellingen over de reisroute van eiser, terwijl die route tijdens het nader gehoor slechts beperkt is uitgevraagd. Weliswaar is eiser gevraagd via welke grensovergang hij Saoedi-Arabië is ingereisd, maar niet via welke route hij het door de Houthi’s gecontroleerde gebied heeft verlaten. Dat klemt temeer nu eiser heeft verklaard dat hij ten tijde van zijn vertrek in Mawiyah verbleef, ten oosten van Taiz en dichterbij regeringsgebied. [17] Daarom valt niet in te zien waarom de minister ervan uitgaat dat eiser langs een zodanig aantal controleposten is gereisd dat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn. Het aangehaalde aantal controleposten langs de weg tussen Taiz en Aden is in dit verband ook niet relevant, omdat eiser, die uit Mawiyah vertrok en naar Saoedi-Arabië reisde, in ieder geval Jemen niet op deze wijze heeft verlaten.
Daarbij komt dat eiser een concrete verklaring heeft gegeven voor het uitblijven van controles. Zo heeft hij verklaard dat hij zich tijdens de reis verborgen hield in het voertuig. [18] Ook heeft hij volgens zijn verklaringen gebruik gemaakt van de diensten van personen die tegen betaling reizigers begeleiden via routes waar zo veel mogelijk controleposten worden vermeden, dan wel die beschikken over contacten waardoor controles achterwege blijven. [19] Dat eiser en een vriend van zijn oom, die hem heeft geholpen, volgens eisers verklaringen zelf van te voren geen plan bedachten om uit te reizen is daarmee niet in strijd, nu eiser kennelijk, ook gelet op de toelichting ter zitting, de keuze van de route aan deze personen heeft overgelaten. De minister is op deze verklaringen niet kenbaar ingegaan. Deze beroepsgrond slaagt. Ook om deze reden is het beroep gegrond.
Kan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?
7.4.
Zoals hiervoor is overwogen [20] is het beroep gegrond, omdat de minister in het besluit ten onrechte niet inhoudelijk is ingegaan op het arrestatiebevel. Daarnaast is het beroep gegrond omdat de minister twee van de vier tegenwerpingen ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd: dat eisers verklaringen over de tijdlijn niet aannemelijk zijn heeft de minister zelf laten vallen [21] in het verweerschrift en, zoals hiervoor is geoordeeld [22] , de tegenwerping dat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt hoe hij de Houthi-controleposten heeft kunnen ontwijken, is onvoldoende door de minister gemotiveerd. Dit betekent dat het besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter, volgens dit arrest, een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichten [23] en niet behoeft terug te verwijzen als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. [24] Deze situatie is hier aan de orde en dat zal de rechtbank hierna toelichten.
7.4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister het door eiser overgelegde arrestatiebevel in beroep alsnog inhoudelijk heeft beoordeeld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat aan dit document slechts beperkte bewijswaarde toekomt, gelet op de inhoud en de daarin ontbrekende of ongerijmde gegevens. Uit de vertaling van dit stuk [25] blijkt enkel dat eiser wordt gezocht wegens de weigering om zich te melden bij het hoofdkwartier van het Jemenitische Openbaar Ministerie. In dit document worden de door eiser gestelde gebeurtenissen zoals de aanhouding, de detentie en de training die eiser zou moeten volgen, niet genoemd. Daarnaast ontbreken, afgezien van de naam van eiser, nadere persoonsgegevens, zoals een geboortedatum. Ook is als woonplaats Taiz genoemd, terwijl eiser woonachtig was in Saoedi-Arabië en hij tijdelijk verbleef bij zijn oma in het dorp [naam dorp] (district Mawiyah), wat niet onder de plaats Taiz valt. De minister heeft zich, gelet hierop, terecht op het standpunt gesteld dat het arrestatiebevel weinig bijdraagt aan de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde gebeurtenissen.
Vervolgens is van belang dat de tegenwerpingen die de rechtbank onder 7.1.1 en 7.2.1 heeft besproken wél in stand blijven. Deze tegenwerpingen raken naar het oordeel van de rechtbank de kern van het asielrelaas van eiser: ze zien op de aanleiding voor de gestelde aanhouding, de daaropvolgende behandeling door de Houthi’s en de wijze waarop eiser daaraan zou zijn ontkomen. De minister heeft dit op zitting ook bevestigd en toegelicht dat het wegvallen van de andere twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zouden maken. De rechtbank volgt dit. Daarom bestaat aanleiding om in zoverre de rechtsgevolgen in stand te laten.
Loopt eiser het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer naar Taiz een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid van de minister en de relevante rechtspraak uiteenzetten.
Beleid minister en relevante rechtspraak
9. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. [26] In WBV 2024/9 [27] heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y [28] , bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.
9.1.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraken van 16 juli 2025 [29] ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraken was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit ambtsbericht.
9.2.
In de brief van 8 oktober 2025 [30] heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025/20 het landenbeleid gewijzigd. In dat beleid is, net als in WBV 2024/9, voor de provincie Taiz aangenomen dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Dit beleid ligt ten grondslag aan het bestreden besluit.
Is de beoordeling in WBV 2025/20 van de veiligheidssituatie volledig?
10. Eiser betoogt dat de minister in WBV 2025/20, dat volgens hem vrijwel ongewijzigd is ten opzichte van het voorheen voor Jemen geldende beleid, onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister heeft volgens eiser onvoldoende gemotiveerd welke humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Ook had de minister een diepgaander onderzoek moeten doen naar de algemene veiligheidssituatie in Taiz. Eiser wijst op meerdere uitspraken, waaronder uitspraken van zittingsplaats Rotterdam [31] , Roermond [32] en Den Haag [33] .
10.1.
De rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), zoals die luidde tot 12 juni 2026, in ieder geval de volgende elementen [34] in samenhang weegt:
• of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;
• of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
• of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
• of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
10.2.
De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het toenmalige landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk had gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:
(1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;
(2) de recente confrontaties;
(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en
(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.
10.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, als genoemd in paragraaf C2/3.3.3.2 van de Vc 2000 en de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025 heeft de minister gewezen op één van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Uit de in de brief genoemde ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld de hiervoor onder 10.1. genoemde elementen heeft betrokken. Verder is in de brief per provincie vermeld welke gradatie van willekeurig geweld is aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van geplaatste mijnen en explosieve oorlogsresten [35] , de meer recente confrontaties in de Rode Zee [36] en de aantallen ontheemden. [37] Verder is in de brief [38] en de daaraan ten grondslag liggende bijlagen [39] ingegaan op de humanitaire situatie in Jemen, waarbij ook de humanitaire omstandigheden zijn betrokken die het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van de strijdende partijen. De minister heeft in de bijlage 15c-beoordeling namelijk erkend dat de humanitaire situatie slecht is en dat Jemen gekenmerkt wordt door armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise. Ook is daarbij betrokken dat de Houthi’s op grote schaal langs de frontlijnen landmijnen hebben geplaatst in bewoonde gebieden en landbouwgebieden waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, dat vooral de Houthi-beweging de toegang tot humanitaire hulp dwarsboomt waarbij zij de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp inzet als wapen in de strijd, dat de levering van humanitaire hulp bemoeilijkt werd doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden en humanitaire goederen het land hierdoor niet in konden komen en dat de niet-gouvernementele organisatie Assessment Capacities Project constateerde dat tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp zichtbaar was. [40] Daarnaast is bij de toelichting per provincie op de humanitaire situatie ingegaan [41] , waarbij ook specifiek Taiz is benoemd, en ook in de conclusie worden de humanitaire omstandigheden genoemd. Deze beoordeling is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser betoogt, volledig en komt tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor zover zij in voldoende rechtstreeks verband staan met willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [42] Niet is gebleken dat de minister dit uitgangspunt onvoldoende in acht heeft genomen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 25 november 2025 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak, waartegen hoger beroep is ingesteld, wordt ervan uitgegaan dat de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 niet bij de totstandkoming van het gewijzigde beleid zijn betrokken vanwege een oudere datum in de beslisnota. Die veronderstelling is onjuist: sprake is van een kennelijke fout in de datering van de beslisnota. [43] De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
10.4.
De minister hoefde de relevant te achten omstandigheden ook niet diepgaander in zijn beoordeling van de algemene situatie te betrekken. Uit het arrest CF en DN volgt dat bij die beoordeling alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name die welke de situatie in het land van herkomst kenmerken, globaal in aanmerking worden genomen. [44] De term ‘globaal’ dient, mede gelet op de andere taalversies [45] , aldus te worden verstaan dat de 15c-beoordeling allesomvattend moet zijn, in de zin dat alle relevante omstandigheden in de beoordeling betrokken moeten worden. Het betekent niet dat de minister ieder relevant aspect afzonderlijk tot in detail in het beleid moet analyseren, net zoals het niet betekent dat de minister kan volstaan met een oppervlakkige beoordeling van de situatie in het land van herkomst. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze beoordelingsmaatstaf op een juiste wijze heeft toegepast. Uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’ volgt dat de veiligheidssituatie in Jemen en Taiz is beoordeeld aan de hand van relevante indicatoren en actuele landeninformatie en deze beoordeling is niet oppervlakkig van aard. Daarmee is voldaan aan de vereisten uit het arrest CF en DN. De minister kon daarom volstaan met deze beoordeling. Ook in zoverre slaagt de beroepsgrond niet.
Had de minister een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?
11. Eiser betoogt dat hij niet kan terugkeren naar Taiz. De minister had volgens eiser in WBV 2025/20 moeten uitgaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in de provincie Taiz. Dat onderbouwt eiser met een verwijzing naar hetzelfde ambtsbericht waarop WBV 2025/20 is gebaseerd, notities van VluchtelingenWerk Nederland van
19 december 2925 en 5 januari 2026 en een groot aantal nieuwsberichten en artikelen die deels ook dateren van na de verslagperiode van het ambtsbericht van april 2025.
11.1.
De minister heeft in WBV 2025/20 aangenomen dat in de provincie Taiz sprake is van een hogere gradatie van willekeurig geweld. Daarin verwijst de minister naar de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van 8 oktober 2025. De minister heeft in die bijlage uit het ambtsbericht van april 2025 afgeleid dat sprake is van de middelste gradatie van willekeurig geweld, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, de gehanteerde oorlogsmethoden en de directe en indirecte gevolgen daarvan voor de humanitaire situatie, het aantal ontheemden en het aantal (dodelijke) burgerslachtoffers afgezet tegen de totale burgerbevolking. In het verweerschrift heeft de minister nader toegelicht waarom in de provincie Taiz geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hoewel in Taiz sprake is van een relatief hoge mate van willekeurig geweld, is de intensiteit en schaal van het geweld niet zodanig dat burgers alleen al door hun aanwezigheid in deze provincie een reëel risico lopen op ernstige schade. Het geweld is volgens de minister weliswaar aanhoudend en ernstig, maar beperkt zich in belangrijke mate tot confrontaties tussen de gewapende strijdkrachten langs bestaande frontlinies. Ook acht hij van belang dat het aantal burgerslachtoffers, afgezet tegen de omvang van de bevolking van de provincie, relatief beperkt is. De minister neemt daarnaast in aanmerking dat de humanitaire situatie in Taiz slecht is, maar hij acht deze omstandigheden niet van zodanige aard dat zij zelfstandig of in samenhang met het geweld leiden tot de conclusie dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. De minister blijft daarom bij de kwalificatie dat sprake is van een relatief hoger, maar niet een uitzonderlijk, niveau van willekeurig geweld.
11.2.
De rechtbank stelt vast dat uit de ambtsberichten van september 2023 [46] en april 2025 [47] volgt dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen zich sinds het bestand van 2022 en het daaropvolgende de facto bestand kenmerkt door een structurele afname van grootschalige militaire escalaties. Waar voorheen sprake was van wijdverspreide gevechten en regelmatige luchtaanvallen, is sindsdien een meer stabiele, zij het fragiele, situatie ontstaan met vooral lokale en langs frontlinies geconcentreerde soms oplaaiende vijandelijkheden. [48] Gegevens van Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED [49] ) laten zien dat de geregistreerde incidenten, gecodeerd als ‘gevechten’ en ‘explosies en geweld op afstand’, en het aantal dodelijke slachtoffers daarbij [50] , sinds 2022 gestaag daalden. Uit deze gegevens blijkt wel dat tegenover de daling van de vijandelijkheden aan de bestandslijnen een stijging van het aantal incidenten van geweld tegen burgers stond, hoewel aantallen geregistreerde dodelijke slachtoffers daarbij niet stegen. De twee grootste veroorzakers van burgerslachtoffers waren landmijnen en explosieve oorlogsresten door de toenemende bewegingsvrijheid [51] en willekeurige aanvallen op burgerdoelen (door de Houthi’s met drones of luchtaanvallen door de internationale coalitie [52] en Israël). Het Civilian Impact Monitoring Project (CIMP) registreerde in 2023 de laagste aantallen burgerslachtoffers in Jemen sinds jaren en in 2024 daalde dat aantal verder. [53] Al het voorgaande wijst op een afgenomen intensiteit van het conflict op nationaal niveau.
Voor de provincie Taiz, dat een inwonertal van circa 3.516.000 heeft, blijkt uit deze ambtsberichten dat het geweld zich concentreert langs langdurige frontlinies tussen Houthi-troepen en anti-Houthi-coalities, waarbij de controle over gebieden sterk is verdeeld. Hoewel Taiz nog steeds een van de provincies is met de meeste gewelddadige incidenten [54] , blijkt uit de ambtsberichten dat het geweld zich vooral concentreert langs vaste bestandslijnen en niet het gehele grondgebied in gelijke mate treft. De recente gegevens laten bovendien zien dat het aantal burgerslachtoffers in Taiz in 2023 en 2024 is gedaald (naar 222 en 189) [55] , wat door de minister terecht is betrokken als indicatie dat de intensiteit van het geweld niet het niveau bereikt dat vereist is voor de meest uitzonderlijke situatie.
De minister heeft er in het verweerschrift daarnaast terecht op gewezen dat de meest recente ontwikkelingen in 2025 en begin 2026 weliswaar wijzen op fluctuaties in de veiligheidssituatie, maar dat deze ontwikkelingen niet hebben geleid tot een structurele verslechtering of tot grootschalige nieuwe escalaties in de provincie Taiz zelf. De situatie blijft volgens de minister gekenmerkt door lokale confrontaties en wisselende frontactiviteit, zonder dat dit leidt tot een fundamenteel ander geweldsniveau.
Taiz is één van de provincies waar de meeste landmijnen liggen. Deze liggen vooral in gebieden rondom frontlinies. Deze vormen een blijvend veiligheidsrisico voor de burgerbevolking, maar uit de landeninformatie volgt ook dat ruimingsactiviteiten worden uitgevoerd [56] en dat achtergebleven mijnen vooral plaatselijk, namelijk langs voormalige frontlijnen, slachtoffers veroorzaakten. [57] Dit maakt duidelijk dat het gevaar reëel is, maar niet zodanig diffuus en alomtegenwoordig dat iedere burger alleen al door aanwezigheid een reëel risico loopt.
Voorts volgt uit de ambtsberichten dat Taiz behoort tot de provincies met een groot aantal ontheemden, circa 490.000 personen. [58] De ontheemdenproblematiek hangt nauw samen met het conflict en de verslechterende leefomstandigheden. Het aantal nieuwe ontheemden in Jemen is in 2024 echter wel gedaald ten opzichte van voorgaande jaren.
De humanitaire omstandigheden in Jemen zijn slecht. Uit de landeninformatie volgt dat miljoenen Jemenieten afhankelijk zijn van humanitaire hulp en dat de voedselonzekerheid in zowel regeringsgebied als Houthi-gebied is toegenomen. Deze humanitaire situatie is mede een gevolg van het handelen van strijdende partijen, in het bijzonder de Houthi’s, door aanvallen op landbouwgronden, waterinfrastructuur en andere voorzieningen die essentieel zijn voor de voedselvoorziening. Daarnaast hebben de Houthi’s op grote schaal landmijnen geplaatst in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie, en de toegang tot humanitaire hulp, waaronder voedseldistributie, werd beperkt. Hierdoor kwam de toegang van de bevolking tot voedsel en water verder onder druk te staan. [59] In delen van het land, waaronder een district in Taiz, is sprake geweest van hongersnood, hoewel tegelijkertijd Taiz niet wordt genoemd in de opsomming van provincies met de hoogste voedselonzekerheid. [60] Daar komt bij dat overstromingen, aardverschuivingen en extreme weersomstandigheden aanzienlijke schade hebben toegebracht aan infrastructuur, landbouwgronden en watervoorzieningen, waardoor de toch al kwetsbare leefomstandigheden van de bevolking verder zijn verslechterd. [61] Hoewel de humanitaire situatie zorgelijk is, hebben die niet de door eiser bedoelde betekenis. Zoals volgt uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend voor de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. [62] Daarnaast heeft de slechte humanitaire situatie deels ook andere oorzaken die niet in een voldoende rechtstreeks verband staan met het willekeurig geweld in Taiz.
11.3.
Alles in onderlinge samenhang bezien – de afgenomen algemene geweldsintensiteit, het geconcentreerde karakter van de gevechten langs bestandslijnen, de daling van het aantal burgerslachtoffers afgezet tegen het inwonertal, de lokale aanwezigheid van mijnen en opruimingsactiviteiten, de omvangrijke ontheemdenstromen en de slechte maar niet doorslaggevende humanitaire situatie – biedt de landeninformatie onvoldoende grond voor het oordeel dat in de provincie Taiz sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Dat wat eiser daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser zich deels beroept op dezelfde landeninformatie als die aan het gewijzigde beleid ten grondslag ligt. Uit het voorgaande volgt al dat de minister in die informatie geen aanleiding heeft hoeven zien om voor Taiz uit te gaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld. Voor zover eiser heeft gewezen op meer recente informatie, leidt dit niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt daarbij allereerst op dat eiser heeft verwezen naar omvangrijke producties, zonder concreet te duiden op welke passages hij zich beroept. Uit de overgelegde stukken blijkt verder hoofdzakelijk van de aanvallen van de Houthi’s op internationale scheepvaart in de Rode Zee en de daaropvolgende luchtaanvallen van de Verenigde Staten op doelen in Houthi-gebied, van spanningen in Zuid-Jemen en van Israëlische aanvallen op doelen in Sanaa. Deze ontwikkelingen hebben echter geen of slechts een beperkte relatie met de veiligheidssituatie in Taiz. Ook uit de door eiser overgelegde notities van VluchtelingenWerk Nederland volgt niet dat de veiligheidssituatie in Taiz wezenlijk is verslechterd ten opzichte van het beeld dat uit het ambtsbericht van april 2025 naar voren komt. Hoewel uit die notitie blijkt dat zich in 2025 nog steeds geweldsincidenten, aanvallen op burgers en gevechten langs de frontlinies hebben voorgedaan, bevestigt deze informatie het beeld van een militaire patstelling met periodieke escalaties. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de minister in zijn beleid niet mocht uitgaan van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincie Taiz, zonder dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
Loopt eiser een verhoogd risico het slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
12. Zoals volgt uit het arrest X en Y [63] , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
12.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan aannemelijk is dat juist hij een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hij heeft erop gewezen dat eiser zelf tijdens zijn nader gehoor heeft verklaard dat hij geen verhoogd risico loopt. [64] Tegen dit standpunt heeft eiser niets aangevoerd in beroep. Eiser heeft wel in beroep genoemd dat hij in Taiz geen woning, werk en netwerk heeft. Eiser heeft echter eerder verklaard dat zijn familieleden en zijn vrouw in de provincie Taiz verblijven en is tijdens zijn eerdere verblijf in Jemen ook door familieleden geholpen. Los hiervan zijn deze omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om aan te nemen dat eiser op grond daarvan een verhoogd risico loopt in Taiz het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De beroepsgrond slaagt niet.
Slaagt het beroep op het arrest Sufi en Elmi?
13. Eiser betoogt dat uit de door hem overgelegde landeninformatie blijkt dat de humanitaire situatie in Jemen zodanig ernstig is dat hij bij terugkeer niet in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Daarom heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Sufi en Elmi. [65]
13.1.
Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn van een situatie waarin de algemene humanitaire omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Wanneer sprake is van humanitaire omstandigheden die het gevolg zijn van doelbewust handelen of nalaten van partijen bij een conflict, zoals hier, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’). [66]
13.2.
De rechtbank volgt de minister erin dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het risico loopt dat hij niet zal kunnen voorzien in zijn basisbehoeften. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser kan terugvallen op familieleden in Jemen, waaronder zijn vrouw, schoonouders en oom, die zich daar staande kunnen houden. [67] De situatie van eiser is dus niet vergelijkbaar met de situatie van de twee Somalische vreemdelingen uit het arrest Sufi en Elmi die geen familie hadden naar wie ze konden terugkeren en die in vluchtelingenkampen terecht zouden komen waar de slechte humanitaire omstandigheden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM zouden leiden. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten aanwezig dat eiser in Jemen geen toegang zal hebben tot basisvoorzieningen als onderdak, voedsel of medische zorg. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser eerder in staat was om in Jemen te studeren, wat het doel was van zijn reis naar Taiz. [68] De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade wegens verblijf in het Westen?
14. Eiser betoogt dat de minister zijn langdurige verblijf in Nederland van anderhalf jaar had moeten betrekken in de beoordeling of eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hij verwijst daartoe naar informatie van een onderzoeker aan het Sanaa Center for Strategic Studies. Daaruit volgt dat elke Jemeniet die banden heeft met het Westen ervan beschuldigd kan worden een verrader te zijn in de door de Houthi's gecontroleerde gebieden.
14.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer naar Jemen een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat de informatie, die dateert van juli 2024, betrekking heeft op een persoon die werkzaam was voor de Nederlandse ambassade en juist vanwege die werkzaamheden problemen heeft ondervonden. Niet is gebleken dat dit een vanuit het Westen teruggekeerde Jemeniet betrof, dat eiser vergelijkbare werkzaamheden heeft verricht of zich in vergelijkbare omstandigheden bevindt, zodat hieruit niet volgt dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat het motiveringsgebrek in beroep is hersteld. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
15.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 16 februari 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay – Cenik, voorzitter, en mr. G.W.B. Heijmans en mr. H. van Eijken, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Stcrt. 2025, nr. 35447.
2.HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448.
6.Rb. Den Haag 12 november 2025, NL25.41617 (niet gepubliceerd).
7.ECLI:NL:RBDHA:2025:16613, onder 7.1.3.
8.P. 5.
9.P. 3.
10.Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).
11.HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.
12.Nader gehoor, p. 7.
13.Nader gehoor, p. 9.
14.Nader gehoor, p. 8.
15.Nader gehoor, p. 11.
16.P. 58.
17.[website 1] .
18.Aanmeldgehoor, p. 10.
19.Correcties en aanvullingen op het aanmeldgehoor, p. 2.
20.Onder 6.2.
21.Zie onder 7.
22.Onder 7.3.1.
23.Punt 45.
24.Punt 49 en 50.
25.Nader gehoor, p. 4.
26.Zie WBV 2016/18 en (laatstelijk) WBV 2022/26.
27.Stcrt. 2024, nr. 13067.
28.HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843.
29.ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.
30.19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.
31.25 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.
32.17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12920.
33.14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
34.Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.
35.P. 2 en 4 tot en met 6.
36.P. 2, 5 en 8.
37.P. 8 tot en met 10.
38.P. 2 en 3.
39.Bijlage 15c-beoordeling: p. 1,3,4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.
40.P. 1 en 2.
41.P. 4 en 5.
42.Rb Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595.
43.Zie ECLI:NL:RBDHA:2025:9143, onder 20.
44.HvJ EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, onder 40 en 45. Zie ook ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2, ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927, onder 5.4 en 6.1 en ABRvS 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, onder 7.
45.Volgens de Engelse versie moet de minister een ‘comprehensive appraisal of all the relevant
46.P. 7, 17 en 20.
47.P. 17.
48.Ambtsbericht 2023, p. 22. Ambtsbericht 2025, p. 17 en 18.
49.ACLED is een niet-gouvernementele organisatie die zich heeft gespecialiseerd in het verzamelen, analyseren en in kaart brengen van conflictgegevens. ACLED registreert alleen dodelijke slachtoffers, en maakt geen onderscheid tussen burgers en combattanten.
50.Ambtsbericht 2025, p. 17-19.
51.Deze slachtoffers vielen hoofdzakelijk in de provincie Al Hudayda aan de westkust van Jemen.
52.In reactie op de Houthi-aanvallen in de Rode Zee lanceerden de Verenigde Staten in
53.Ambtsbericht 2025, p. 20 en 21.
54.Ambtsbericht 2025, p. 20 en 59.
55.Ambtsbericht 2025, p. 60.
56.[website 2] .
57.Ambtsbericht 2025, p. 20.
58.Ambtsbericht 2025, p. 100.
59.Ambtsbericht 2025, p. 14.
60.Ambtsbericht 2025, p. 13.
61.Ambtsbericht 2025, p. 15 en 16.
62.ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.
63.Punt 42 van het arrest.
64.Nader gehoor, p. 17.
65.EHRM (Sufi en Elmi) 28 november 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.
66.Punt 279.
67.Nader gehoor, p. 18.
68.Nader gehoor, p. 7.