AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig asielrelaas en toepassing nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling
Eiser, afkomstig uit Somalië, verzocht om asiel vanwege bedreigingen door Al-Shabaab na weigering medische assistentie te verlenen. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat het asielrelaas onvoldoende geloofwaardig werd geacht, mede door het ontbreken van ondersteunende documenten en een niet samenhangend verhaal.
De rechtbank toetste de toepassing van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling WI 2024/6, die sinds 1 juli 2024 geldt, en oordeelde dat deze in overeenstemming is met het Unierecht en het EU-Handvest. Eiser betoogde dat het beleid en de Kwalificatierichtlijn strijdig zijn met hogere verdragen, maar deze bezwaren werden verworpen.
De rechtbank stelde vast dat de minister terecht het nieuwe beleid toepaste en dat de cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, Vw 2000 correct werden gehanteerd. De minister motiveerde voldoende waarom de verklaringen van eiser niet als samenhangend en aannemelijk konden worden beschouwd, mede gezien de feitelijke situatie in Mogadishu en het ontbreken van bewijs van rekrutering door Al-Shabaab in dat gebied.
De rechtbank concludeerde dat de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas juist heeft beoordeeld en dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft daarmee in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Voetnoten
1.Richtlijn 2011/95.
3.Artikel 1.27 van het Vb 2000.
4.Artikel 3.103 van het Vb 2000, zie ook de toelichting op artikel 3.103 van het Vb 2000, Stb. 2000, 497, p. 172 en de toelichting op artikel 1.27 van het Vb 2000, Stb. 2012, 308, p. 13 en 14. Zie ook Stb. 2019, 143, p. 8.
6.Zie onder meer het arrest van 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, overwegingen 47-49.
7.Artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 10, derde lid, onder a, van de Procedurerichtlijn. Zie ook het arrest van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518, onder 68, en naar analogie arresten van 26 februari 2015, ECLI: EU:C:2015:117, onder 26, en 9 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:101, onder 36.
8.Artikel 10, derde lid, en artikel 31, eerste lid, van de Procedurerichtlijn. Zie ook punt 18 van de Preambule.
9.Zie onder meer het arrest van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:13, onder 38.
10.Punt 3 en 4 van de preambule van de Kwalificatierichtlijn.
11.Punt 18 van de Kwalificatierichtlijn.
12.COM(2001) 510 def., p. 165.
13.Zie de UNHCR-comments bij dit artikellid: [website].
14.Ook in het UNHCR Handboek, paragrafen 195 tot en met 197 en 210, wordt
15.Paragraaf 4.2. Zie ook UNHCR Handboek, paragraaf 196.
16.Pagina 2 van WI 2024/6, laatste zin van paragraaf 2.
17.2 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2406, onder 58, 19 november 2020, ECLI:EU:C:2020:945, onder 55, 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:13, onder 38 en 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, onder 88-89.
18.Zie ook HvJ EU 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, onder 49.
19.HvJ EU 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, onder 87-94.
20.Zie ook de betekenis van de woorden ‘coherent’ en ‘plausibel’ in de Dikke van Dale.
21.P. 128.
22.Ambtsbericht van december 2021, p. 16 en ambtsbericht van juni 2023, p. 10, 12 en 18.
23.Ambtsbericht 2023, p. 36.
24.Ambtsbericht 2021, p. 15.
25.P. 33 en 38.
26.Nader gehoor, p. 6 en 11.