Uitspraak
zo nodig ambtshalveeen volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak?
zo nodig ambtshalveeen volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden te verrichten, met inbegrip van een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn 2011/95 op basis van de haar ter kennis gebrachte elementen van het dossier, zoals aangevuld of toegelicht na een procedure op tegenspraak.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
1. De lidstaten mogen van de verzoekster verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient. De lidstaat heeft tot
taak om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoekster te beoordelen.
2. De in lid 1 bedoelde elementen bestaan in de verklaringen van de verzoekster en alle documentatie in het bezit van de verzoekster over zijn leeftijd, achtergrond, ook die van relevante familieleden, identiteit, nationaliteit(en), land(en) en plaats(en) van eerder verblijf, eerdere verzoeken, reisroutes, reisdocumenten en de redenen waarom hij een verzoek om internationale bescherming indient.
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
kunnen indienen, teneinde na te gaan of de betrokkene, in geval van terugkeer naar dat land, door die activiteiten aan vervolging of ernstige schade zou worden blootgesteld;
4. Het feit dat de verzoekster in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke
5. Wanneer lidstaten het beginsel toepassen, volgens welk het de taak van de verzoekster is zijn verzoek om internationale bescherming te staven, wordt de verzoekster ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van de verklaringen van de verzoekster, geloofwaardig geacht en wordt hem het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is:
a) de verzoekster heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
verzoek;
1. De lidstaten zorgen ervoor dat verzoeken om internationale bescherming niet worden afgewezen of van behandeling worden uitgesloten louter op grond van het feit dat zij niet zo snel mogelijk zijn gedaan.
(…)
3. De lidstaten zien erop toe dat de beslissingen van de beslissingsautoriteit over verzoeken om internationale bescherming zijn gebaseerd op een deugdelijk onderzoek. Daartoe zorgen de lidstaten ervoor dat:
(…)
1. De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoeksters een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:
a) een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:
i) om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;
(…)
3. Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU, zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.
Nederlands recht en beleid
1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.
1 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt Pro afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
2 De vreemdeling brengt alle elementen ter staving van zijn aanvraag zo spoedig mogelijk naar voren. Onze Minister beoordeelt in samenwerking met de vreemdeling de relevante elementen.
3 De elementen, bedoeld in het tweede lid, omvatten de verklaringen van de vreemdeling en alle relevante documentatie in het bezit van de vreemdeling.
4 Bij de beoordeling van de aanvraag wordt onder meer rekening gehouden met:
5 Het feit dat de vreemdeling in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, of dat hij hiermee rechtstreeks is bedreigd, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de vreemdeling voor die vervolging gegrond is en het risico op die ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of die ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.
6 Indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, worden deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a.de vreemdeling heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven;
documentenkan onderbouwen, terwijl in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95 de situatie wordt beschreven dat
bewijsmateriaalvoor een aantal van de verklaringen van de verzoeker ontbreekt. Hoewel het Unierecht de primaire rechtsbron is, wordt na de omzetting van richtlijn 2011/95, de nationale vreemdelingenwet als uitgangspunt gehanteerd voor het formuleren van nationaal beleid en voor het beoordelen van verzoeken om internationale bescherming. De rechtbank acht het reeds daarom noodzakelijk een nadere precisering van het Hof te verkrijgen over de wijze waarop artikel 4 van Pro richtlijn 2011/95 en meer in het bijzonder het vijfde lid van deze bepaling, moet worden uitgelegd en toegepast.
kanworden geacht. Indien dit het geval is, vindt er geen nader onderzoek plaats van of naar de overige elementen zoals benoemd in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2011/95. Verweerder volstaat na “de toets aan de voorwaarden” met het beoordelen of internationale bescherming moet worden verleend op grond van asielmotieven die (wel) geloofwaardig zijn bevonden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat indien na deze aanvankelijke beoordeling alsnog authentieke objectief verifieerbare documenten worden overgelegd door de verzoeker, deze documenten zullen worden beoordeeld. Verweerder zal evenwel niet uit eigen beweging nader onderzoek naar overig bewijsmateriaal doen.
kanachten. Verweerder heeft in het hoofdgeding “voorwaarde d” tegengeworpen omdat verzoekster haar verzoek om internationale bescherming niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en verweerder dit niet verschoonbaar heeft geacht. Verweerder heeft in zijn beleid opgenomen dat van een vreemdeling die stelt te vrezen voor vervolging of voor ernstige schade bij terugkeer, verlangd mag worden dat hij zo spoedig mogelijk asiel aanvraagt en dat hiervan in beginsel sprake is als een asielaanvraag binnen 48 uur na binnenkomst is ingediend. Indien dit niet binnen 48 uur is gebeurd en de vreemdeling hiervoor geen goede reden heeft, wordt niet voldaan aan deze voorwaarde [18] . Reeds hierdoor lijkt de op de Vreemdelingenwet 2000 en het gewijzigde beleid gebaseerde nieuwe werkwijze bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de verklaringen die een verzoeker om internationale bescherming aflegt niet verenigbaar met het Unierecht en meer in het bijzonder op gespannen voet te staan met artikel 10, eerste lid, van richtlijn 2013/32. Zoals verzoekster in haar beroepsgronden heeft aangevoerd kan het immers zo zijn dat verweerder de redenen waarom niet binnen 48 uur na aankomst in Nederland een verzoek om internationale bescherming is ingediend, niet verschoonbaar acht voor deze termijnoverschrijding en daardoor “voorwaarde d” tegenwerpt. Op grond van zijn actuele beleid zal verweerder dan de verklaringen van de verzoeker, als die niet volledig zijn onderbouwd met authentieke en/of objectief verifieerbare documenten en/of openbare bronnen, ongeloofwaardig achten uitsluitend omdat niet aan “voorwaarde d” is voldaan. Indien verweerder op deze wijze invulling geeft aan artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, lijkt verweerder voorbij te gaan aan zijn verplichtingen om alle elementen die een verzoek om internationale bescherming kunnen staven, te verzamelen, te onderzoeken en te beoordelen en zodoende een grondige en volledig beoordeling van het verzoek te verrichten.
zalachten. In “voorwaarde d” zit immers alleen beoordelingsruimte ten aanzien van de redenen waarom de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Indien verweerder dit geen “goede redenen” als bedoeld in artikel 31, zesde lid onder d, van de Vw 2000 (en dus artikel 4, vijfde lid onder d, van richtlijn 2011/95) vindt , is deze voorwaarde onverkort van toepassing. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt niet dat indien enkel aan deze voorwaarde niet wordt voldaan, verweerder een nadere beoordeling zal verrichten of het redelijk is dat hij deze voorwaarde als enige zal “tegenwerpen” met het ongeloofwaardigheidsoordeel tot gevolg. Zoals hiervoor is overwogen is de inhoud van het beleid nu juist dat als “aan de voorwaarden wordt getoetst”, ook aan alle voorwaarden moet worden voldaan om de verklaringen geloofwaardig te achten. Verweerder heeft ook “voorwaarde c” aan verzoekster tegengeworpen, maar reeds omdat verweerder “voorwaarde d” van toepassing acht, kan verzoekster niet meer aan alle cumulatieve voorwaarden voldoen en zal het asielmotief van verzoekster niet geloofwaardig worden geacht.
87 Vanuit deze optiek heeft het Hof met betrekking tot de omvang van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, zoals omschreven in dit artikel 46, lid 3, geoordeeld dat de bewoordingen „[ervoor] zorgen [...] dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex-nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat”, aldus moeten worden uitgelegd dat de lidstaten krachtens deze bepaling verplicht zijn hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de bedoelde beroepen een onderzoek, door de rechter, omvat van alle elementen feitelijk en rechtens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 110).
88 In dit verband zij allereerst opgemerkt dat de term „ex nunc” de verplichting van de rechter benadrukt om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld. Bij een dergelijke beoordeling kan het verzoek om internationale bescherming namelijk uitputtend worden behandeld zonder dat het dossier naar de beslissingsautoriteit hoeft te worden terugverwezen. De bevoegdheid die de rechter daarmee krijgt om rekening te houden met nieuwe elementen waarover deze autoriteit geen uitspraak heeft gedaan ligt in lijn met de doelstelling van richtlijn 2013/32, zoals in herinnering is gebracht in punt 78 van het onderhavige arrest (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punten 111 en 112).
89 Voorts bevestigt het woord „volledig” in artikel 46, lid 3, van deze richtlijn dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had kunnen houden, als die welke zich hebben aangediend nadat deze autoriteit de beslissing heeft vastgesteld (arrest van 25 juli 2018, Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 113).
90 Ten slotte wijzen de woorden „indien van toepassing”, die zijn opgenomen in de zinsnede „met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig richtlijn [2011/95]”, op het feit dat het volledige en ex-nunc onderzoek dat de rechter moet uitvoeren niet noodzakelijkerwijs betrekking hoeft te hebben op het onderzoek ten gronde van de behoeften aan internationale bescherming en dat dit dus betrekking kan hebben op de procedurele aspecten van een verzoek om internationale bescherming (zie in die zin arrest van 25 juli 2018,Alheto, C‑585/16, EU:C:2018:584, punt 115).
91 De aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst behoort tot deze procedurele aspecten van verzoeken om internationale bescherming, aangezien een dergelijke aanmerking, gelet op de overwegingen in de punten 48 tot en met 50 van dit arrest, gevolgen heeft voor de behandelingsprocedure van dergelijke verzoeken.
(…)
93 De aanmerking van dit derde land als veilig land van herkomst vormt dus een van de elementen van de zaak die ter kennis van de verwijzende rechter zijn gebracht en die deze rechter in het kader van het beroep tegen deze beslissing dient te onderzoeken.
94 Hieruit moet worden geconcludeerd dat in dergelijke omstandigheden, zelfs indien verzoeker in het hoofdgeding zich niet uitdrukkelijk als zodanig heeft beroepen op de eventuele niet-inachtneming van de voorschriften waarin richtlijn 2013/32 met het oog op een dergelijke aanmerking voorziet om een verzoek om internationale bescherming van een uit dat derde land afkomstige verzoeker te kunnen behandelen volgens de bijzondere regeling die voortvloeit uit de aanmerking van dat land als veilig land van herkomst, deze eventuele niet-inachtneming een juridische grond is die de verwijzende rechter in het kader van het door artikel 46, lid 3, van deze richtlijn voorgeschreven volledige en ex-nunc onderzoek dient te onderzoeken.
(…)
97 Bovendien heeft het Hof reeds gepreciseerd dat wanneer een onderdaan van een derde land voldoet aan de in deze richtlijn geformuleerde voorwaarden voor toekenning van internationale bescherming, de lidstaten in beginsel de gevraagde status moeten toekennen zonder dat zij daarbij over een discretionaire bevoegdheid beschikken (zie in die zin arrest van 29 juli 2019, Torubarov, C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
98 Uit de voorgaande overwegingen volgt dat op de derde vraag moet worden geantwoord dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in het licht van artikel 47 van Pro het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat wanneer bij een rechterlijke instantie beroep wordt ingesteld tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat is onderzocht in het kader van de bijzondere regeling voor verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit derde landen die overeenkomstig artikel 37 van Pro richtlijn 2013/32 als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, deze rechterlijke instantie er in het kader van het krachtens artikel 46, lid 3, vereiste volledige en ex-nunc onderzoek, op basis van de elementen van het dossier en de elementen die haar in de loop van het geding ter ore zijn gekomen, rekening mee moet houden dat de in bijlage I bij die richtlijn geformuleerde materiële voorwaarden voor een dergelijke aanmerking niet zijn vervuld, ook wanneer dit niet uitdrukkelijk tot staving van dit beroep is aangevoerd.
45 Volgens artikel 13, lid 1, van richtlijn 2008/115 moet aan de betrokken onderdaan van een derde land een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar worden toegekend dat hij bij een bevoegde rechterlijke of administratieve autoriteit of bij een onpartijdig samengestelde bevoegde instantie waarvan de onafhankelijkheid is gewaarborgd, kan aanwenden tegen de in artikel 12, lid 1, van die richtlijn bedoelde besluiten in het kader van terugkeer.
46 De kenmerken van dit rechtsmiddel moeten worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van Pro het Handvest, volgens hetwelk eenieder wiens door het Unierecht gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dat artikel gestelde voorwaarden, en in overeenstemming met het beginsel van non-refoulement, dat met name wordt gewaarborgd door artikel 19, lid 2, van het Handvest en artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 (arrest van 30 september 2020, CPAS de Liège, C‑233/19, EU:C:2020:757, punt 45). Zoals in punt 35 van het onderhavige arrest is aangegeven, verplichten deze bepalingen de nationale autoriteiten om met dit beginsel rekening te houden in alle stadia van de procedure, vanaf het moment waarop een terugkeerbesluit wordt vastgesteld tot het moment waarop de uitvoering van dat besluit door de rechter wordt getoetst.
(…)
49 Hieruit volgt dat, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, de procedurevoorschriften van artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 tot doel hebben te waarborgen dat een derdelander jegens wie een terugkeerbesluit is vastgesteld, niet wordt verwijderd in omstandigheden die in strijd zijn met artikel 5 van Pro deze richtlijn. Zij beogen aldus de eerbiediging te waarborgen van het beginsel van non-refoulement dat, zoals in punt 36 van het onderhavige arrest is vastgesteld, een absoluut karakter heeft. Het is aan de bevoegde nationale rechterlijke instanties om, in voorkomend geval ambtshalve, erop toe te zien dat dit beginsel in acht wordt genomen wanneer gegevens uit het dossier die hun ter kennis zijn gebracht doen vermoeden dat afbreuk aan dat beginsel zou kunnen worden gedaan.
50 Zoals de advocaat-generaal in punt 51 van zijn conclusie benadrukt, zou de door artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde en in artikel 13, leden 1 en 2, van richtlijn 2008/115 geconcretiseerde rechterlijke bescherming immers noch doeltreffend noch volledig zijn indien de nationale rechter niet verplicht zou zijn om ambtshalve vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden wanneer de hem ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor hem gevoerde procedure op tegenspraak, lijken aan te tonen dat het terugkeerbesluit berust op een achterhaalde beoordeling van de door dit beginsel verboden risico’s op behandelingen die de betrokken derdelander loopt indien hij naar het betrokken derde land zou terugkeren, en om daaraan alle consequenties te verbinden voor de uitvoering van dat besluit. Een beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter ter zake zou tot gevolg kunnen hebben dat het besluit in kwestie wordt uitgevoerd, ook al wijzen die elementen erop dat de betrokkene in dat derde land aan dergelijke door artikel 4 van Pro het Handvest absoluut verboden behandelingen zou kunnen worden onderworpen [zie in die zin arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Ambtshalve onderzoek van de bewaring), C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punt 94].
51 Het bestaan van deze verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, geldt op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming als in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding, die is ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht. Zoals blijkt uit de punten 31 tot en met 34 van het onderhavige arrest, is richtlijn 2008/115, waarvan artikel 13, leden 1 en 2, de grondslag vormt voor die verplichting, immers van toepassing op iedere onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft.
51 Het bestaan van deze verplichting van de nationale rechter om, in voorkomend geval ambtshalve, toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, geldt op dezelfde wijze in het kader van een procedure inzake internationale bescherming als in het kader van een procedure als die in het hoofdgeding, die is ingeleid met een aanvraag voor een verblijfsvergunning naar nationaal recht. Zoals blijkt uit de punten 31 tot en met 34 van het onderhavige arrest, is richtlijn 2008/115, waarvan artikel 13, leden 1 en 2, de grondslag vormt voor die verplichting, immers van toepassing op iedere onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft.
kunnenzijn omdat verzoekster door het niet geven van goede redenen voor het niet zo spoedig mogelijk indienen niet meer kan voldoen aan alle in artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, en dus ook niet aan alle in artikel 4, vijfde lid, van richtlijn 2011/95, genoemde voorwaarden.