ECLI:NL:RVS:2024:2927
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- N. Verheij
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling toepassing individuele omstandigheden bij subsidiaire bescherming op grond van artikel 15 lid c Kwalificatierichtlijn
Deze uitspraak behandelt het hoger beroep van de minister van Asiel en Migratie en het incidenteel hoger beroep van een Libisch gezin met zes kinderen tegen de afwijzing van hun asielaanvragen. De kernvraag betreft de uitleg van artikel 15, onderdeel c, van de Kwalificatierichtlijn (Kri) en de mate waarin individuele omstandigheden van vreemdelingen moeten worden betrokken bij de beoordeling van het reële risico op ernstige schade.
De Raad van State volgt het arrest van het Hof van Justitie van 9 november 2023, waarin is bepaald dat de toepassing van artikel 15 lid Pro c uit twee fasen bestaat: eerst het verzamelen en onderzoeken van alle relevante feitelijke omstandigheden, inclusief persoonlijke omstandigheden, en vervolgens het juridisch beoordelen van het soort ernstige schade. De Afdeling komt terug op eerdere rechtspraak en stelt dat ook bij een lagere mate van willekeurig geweld de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling moeten worden betrokken.
In deze zaak is vastgesteld dat in Tripoli sprake is van gewapende conflicten met willekeurig geweld, maar niet in die mate dat iedereen door aanwezigheid een reëel risico loopt. De minister heeft terecht geoordeeld dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun persoonlijke omstandigheden, zoals het beroep van de echtgenoot als beveiliger en het hebben van minderjarige kinderen, leiden tot een verhoogd risico. Ook is de beschieting van de echtgenoot tijdens het hardlopen door de minister terecht als ongeloofwaardig beoordeeld.
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de rechtsgevolgen van de besluiten niet in stand liet en bepaalt dat de besluiten van 24 december 2020 in stand blijven. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat de individuele omstandigheden bij de toepassing van artikel 15 lid Pro c Kri een wezenlijk onderdeel vormen van de beoordeling, ook bij minder uitzonderlijke geweldssituaties.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister en het incidenteel hoger beroep van de vreemdelingen zijn gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtsgevolgen van de besluiten van 24 december 2020 blijven in stand.