ECLI:NL:RBDHA:2025:22462

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.22015
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van een Jemenitische burger en de beoordeling van de humanitaire situatie in Jemen

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een Jemenitische eiser die een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd had ingediend. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen op 8 mei 2025, waarna de eiser beroep instelde. De rechtbank heeft de zaak op 24 oktober 2025 behandeld. De eiser, geboren in 1996, stelt dat hij en zijn familie bedreigd worden vanwege de politieke activiteiten van zijn vader in Jemen. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag ongegrond is verklaard. De rechtbank wijst op de hoge mate van willekeurig geweld in Jemen en de humanitaire omstandigheden die niet zijn meegenomen in de beoordeling. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. Tevens worden de proceskosten van de eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22015

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.E. Visscher),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 5 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 8 mei 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
Verweerder heeft desgevraagd op 17 oktober 2025 schriftelijk gereageerd op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3153).
1.3.
Eiser heeft op 22 oktober 2025 aanvullende stukken ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers vader was lid van de Socialistische Partij in Jemen en hierdoor werd zijn familie bedreigd. Het land wat eigendom is van eisers familie is gestolen en bij een poging dit terug te krijgen zijn eiser en zijn vader bedreigd. Verder vreest eiser voor de (gevolgen van de) oorlog in Jemen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • De problemen vanwege de politieke activiteiten van eisers vader.
Verweerder acht eisers nationaliteit, identiteit en herkomst geloofwaardig. De problemen vanwege de politieke activiteiten van eisers vader acht verweerder ongeloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser weliswaar aannemelijk gemaakt dat zijn vader politiek actief was, maar niet dat eiser zelf daardoor problemen heeft ondervonden of zal ondervinden bij terugkeer. Er is volgens verweerder sprake van een hoge mate van willekeurig geweld in Jemen (minder uitzonderlijke situatie). Niet gebleken is van individuele risico-verhogende omstandigheden waardoor eiser een hoger risico ten opzichte van andere burgers loopt om slachtoffer te worden van dat willekeurige geweld. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag als ongegrond kan worden afgewezen.
Herhaald en ingelast
4. Eiser stelt dat hetgeen namens hem is aangevoerd in de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
4.1.
Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet zonder meer afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
De problemen als gevolg van de politieke activiteiten van eisers vader
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat hij problemen heeft ervaren in Jemen of zal ervaren bij terugkeer naar Jemen. Eiser wijst hierbij op het gegeven dat geloofwaardig is geacht dat zijn vader een politieke functie had binnen de Socialistische Partij.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft ervaren als gevolg van de politieke activiteiten van zijn vader. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit namelijk op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen heeft ondervonden en hij persoonlijk heeft te vrezen voor geweld of vervolging vanwege de politieke activiteiten van zijn vader. Eiser heeft geen nadere toelichting gegeven waarom de door hem geschetste incidenten (zoals de verwoesting van zijn huis of de beschietingen) daadwerkelijke persoonlijke aanvallen gericht op zijn familie waren en geen incidenten die voortkomen uit de algemene oorlogssituatie in [plaats] , waar eiser verbleef en wat is gelegen in de frontlinie.
5.2.
De aanvullende stukken die eiser heeft ingediend op 22 oktober 2025 leiden niet tot een ander oordeel. Ook uit deze stukken blijkt immers niet dat de problemen die eiser heeft ervaren in Jemen zijn te herleiden tot de activiteiten van zijn vader en niet moeten worden geplaatst in het kader van de algehele situatie als gevolg van de oorlog in Jemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Algemene veiligheidssituatie in Jemen
Het juridisch kader
6. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (artikel 15c) biedt bescherming in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van een ernstige en individuele bedreiging van het leven. Deze uitzonderlijke situatie valt onder de ‘most extreme case of general violence’, bedoeld in het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 17 juli 2008, N.A. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0717JUD002590407. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof van Justitie) en de Afdeling volgt dat bij de beoordeling of zich de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld voordoet, onder meer het volgende van belang is:
  • de intensiteit van de gewapende confrontaties;
  • het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
  • de duur van het conflict;
  • de geografische omvang van de situatie van willekeurig geweld;
  • de daadwerkelijke bestemming van de verzoeker in geval van terugzending naar het betrokken land of gebied;
  • het eventuele opzettelijk geweld dat door de strijdende partijen wordt uitgeoefend tegen burgers;
  • de aanwezigheid van een veiligheidsstructuur; en
  • het aantal ontheemden.
6.1.
Het Hof van Justitie heeft in het arrest X. en Y. nadere uitleg gegeven over de toepassing van artikel 15c (arrest van 9 november 2023, ECLI:C:EU:2023:843). Uit dit arrest volgt dat ook bij een mindere mate van willekeurig geweld sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade vanwege willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Dat is het geval als de betreffende vreemdeling met individuele elementen, voornamelijk eigen aan het privé-, familie- of beroepsleven, aannemelijk kan maken dat hij een verhoogd risico daarop loopt. Dit is de zogenaamde ‘minder uitzonderlijke situatie’ en hierbij geldt een glijdende schaal: hoe meer willekeurig geweld er plaatsvindt, hoe minder individuele elementen nodig zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
6.2.
Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij de beoordeling of zo’n uitzonderlijke situatie zich voordoet onder meer van belang is of de bij het gewapende conflict betrokken partijen zich richten tegen burgers of vechten op een manier die het risico op willekeurige burgerslachtoffers vergroot, of de geweldpleging wijdverspreid is, of het gewapende conflict al dan niet beperkt is tot bepaalde gebieden, en ook hoeveel burgers slachtoffer zijn geworden van het geweld of als gevolg daarvan ontheemd zijn geraakt (uitspraak van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1054, onder 2.1). Bij deze beoordeling moeten alle omstandigheden van het concrete geval, met name die welke kenmerkend zijn voor de situatie in het land van herkomst van de vreemdeling, globaal in aanmerking worden genomen (zie het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021, CF en DN tegen Bondsrepubliek Deutschland, ECLI:EU:C:2021:472, punten 39 tot en met 45).
6.3.
In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder bij het beoordelen van de toepassing van artikel 15c ook rekening moet houden met de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict.
Het landenbeleid ten aanzien van Jemen ten tijde van het bestreden besluit
7. Verweerder ging ten tijde van het bestreden besluit uit van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in heel Jemen. [1] Dit is het op één na hoogste niveau van willekeurig geweld. Dit betekent dat verweerder van eiser verlangt dat hij aan de hand van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom specifiek hij een risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld in Jemen.
7.1.
Bij de hiervoor genoemde uitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Jemen onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Bij de beoordeling van de toepassing van artikel 15c heeft verweerder namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen. Verweerder heeft ten onrechte geen rekening gehouden met:
  • De slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieven;
  • De recente confrontaties tussen strijdende partijen;
  • Het verhoogde percentages ontheemden;
  • De humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen en/of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlandse gewapende conflict in Jemen.
Het nieuwe landenbeleid ten aanzien van Jemen
8. Op 17 oktober 2025 is het landenbeleid ten aanzien van Jemen gewijzigd. [2] Deze wijziging houdt in dat verweerder per provincie heeft beoordeeld welk niveau van willekeurige geweld geldt. Verweerder geeft aan dat sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld in de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en [plaats] . Verweerder neemt aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah. Voor de overige provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra geldt volgens verweerder dat er geen sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Verweerder neemt verder in beginsel een binnenlands beschermingsalternatief aan in de provincies Al Mahra en Hadramaut indien vreemdelingen een reëel risico lopen op ernstige schade vanwege het willekeurige geweld in een andere regio.
Beroepsgrond
9. Eiser voert dat verweerder ten onrechte niet uit gaat van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Jemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit ten onrechte niet beoordeeld in welke mate de humanitaire omstandigheden worden veroorzaakt door de strijdende partijen. Uit het ambtsbericht lijkt volgens eiser namelijk juist naar voren te komen dat de strijdende partijen bewust de slechte humanitaire situatie creëren dan wel in stand houden of verergeren. Verweerder dient inzichtelijk te maken hoe dit weegt in de beoordeling, nu zonder deze afweging niet is uit te sluiten dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van geweld. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn individuele omstandigheden (dat zijn vader politiek actief was) zich verhouden tot de situatie in Jemen.
Beoordeling van het bestreden besluit door de rechtbank
10. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling heeft geoordeeld dat verweerder de beoordeling - in het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid in paragraaf C7/19.4.2 van de Vc of in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15c - niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Bij deze beoordeling zijn namelijk niet alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking genomen.
10.1.
Gelet hierop – en dit heeft verweerder ook ter zitting erkend – is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het is immers gebaseerd op beleid dat onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. Omdat inmiddels sprake is van een nieuw ambtsbericht en nieuw beleid, zal de rechtbank – gelet op de ex-nunc toets in asielberoepen – beoordelen of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
10.2.
Verweerder heeft voorafgaand aan de beleidswijziging van 17 oktober 2025 opnieuw beoordeeld of in Jemen sprake is van een artikel 15c-situatie en zo ja, welke gradatie. Dit heeft geleid tot het beleid zoals weergegeven onder 8. Deze beleidswijziging heeft verweerder primair gebaseerd op het algemeen ambtsbericht Jemen van april 2025. De rechtbank zal dus hierna beoordelen of verweerder nu wel deugdelijk, met inachtneming met hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 16 juli 2025, heeft gemotiveerd dat geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld die valt onder artikel 15c. Zij doet dat aan de hand van het onder 6 weergegeven juridisch kader.
Standpunt verweerder
11. Verweerder heeft zich ter zitting en in de brief van 17 oktober 2025 primair op het standpunt gesteld dat met het nieuwe landenbeleid de door de Afdeling geconstateerde motiveringsgebreken van het oude landenbeleid zijn hersteld. Aan de hand van het ambtsbericht van april 2025 is per provincie beoordeeld wat de situatie precies is. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in de provincies Al Mahra en Hadramaut. In die provincies is volgens verweerder (en het nieuwe landenbeleid) geen sprake van een 15c-situatie.
Oordeel van de rechtbank ten aanzien van het nieuwe landenbeleid
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de beleidswijziging van 17 oktober 2025 niet heeft voldaan aan de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en de gradatie van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn nog steeds niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij overweegt daartoe als volgt.
12.1.
De beleidswijzing van 17 oktober 2025 is aangekondigd bij brief van 8 oktober 2025. [3] In deze brief heeft verweerder onder meer verwezen naar de beslisnota en de bijlage daarbij. Uit die bijlage van 18 juni 2025 zou blijken op welke wijze de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van de strijdende partijen zijn betrokken bij de beoordeling of er sprake is van (een gradatie van) een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank stelt echter vast dat de bijlage bij de 15c-beoordeling dateert van (bijna een maand) vóór de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. De rechtbank ziet dan ook niet in hoe in dat kader rekening kon worden gehouden met het (voor een deel nieuwe) beoordelingskader dat volgt uit de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025. Desgevraagd heeft verweerder dit ter zitting niet nader kunnen toelichten. Uit de bijlage van 18 juni 2025 blijkt verder weliswaar dat de humanitaire omstandigheden zijn opgesomd op pagina 1 t/m 3, maar de humanitaire omstandigheden komen niet terug in de lijst van elementen op pagina 4 e.v. die zijn geanalyseerd om te komen tot een beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Deze elementen (op pagina 4) betreffen:
  • de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers tot doel nemen;
  • de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;
  • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;
  • de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;
  • de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;
  • de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.
Door zich te beperken tot het beoordelen van die elementen heeft verweerder niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling. De humanitaire omstandigheden zijn ten slotte weliswaar genoemd in de conclusie van de bijlage (pagina 9), maar niet is gebleken dat deze daadwerkelijk zijn betrokken; van een kenbare en deugdelijke motivering is niet gebleken. Die conclusie lijkt vooral gebaseerd op het aantal (dodelijk) burgerslachtoffers afgezet tegen het totaal aantal burgers. Vooral nu wel uit de beschikbare landeninformatie – waaronder het algemeen ambtsbericht van april 2025 – volgt dat de humanitaire situatie zeer zorgelijk is, ligt het op de weg van verweerder om deugdelijk te motiveren welke rol die humanitaire situatie precies speelt in de beoordeling van artikel 15c ten aanzien van Jemen. Hierbij komt overigens dat verweerder, gelet op de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 [4] en het arrest CF en DN van het Hof van justitie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:472), ook het gebied van terugkeer dient te betrekken, zijnde in eisers geval gelegen in de frontlinie. Daarvan is in dit geval evenmin gebleken. Het is bovendien opvallend dat de Afdeling en de verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag hebben geoordeeld dat verweerder zijn eerdere beleidswijziging ten aanzien van Jemen (verweerder ging vóór die beleidswijziging nog uit van de hoogste gradatie van 15c) onvoldoende had gemotiveerd. [5] Dat verweerder ná de Afdelingsuitspraak toch tot de conclusie is gekomen dat niet alleen geen sprake is van de hoogste gradatie van 15c, maar dat in bepaalde provincies een relatief lager niveau van willekeurig geweld is of zelfs helemaal geen sprake is van willekeurig geweld, is in theorie mogelijk, maar dient gestoeld te zijn op een deugdelijke en uitgebreide motivering. Die ontbreekt. Uiteraard is het mogelijk dat het ambtsbericht van april 2025 blijk geeft van een substantiële verbetering van de situatie in heel Jemen of in bepaalde provincies – wat de rechtbank overigens waagt te betwijfelen gelet op de inhoud van het ambtsbericht – maar dan moet verweerder dat wel op een deugdelijke wijze en conform het door de Afdeling geschetste beoordelingskader onderzoeken en onderbouwen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet gebeurd.
12.2.
Het valt de rechtbank verder op dat verweerder in de beslisnota bij de brief van 8 oktober 2025 de volgende zin heeft opgenomen: ‘De hier bedoelde humanitaire omstandigheden zien uitdrukkelijk niet op de algemene humanitaire/socio-economische leefomstandigheden in een land van herkomst, noch op de cumulatieve gevolgen van een langdurige oorlog voor de humanitaire situatie in een land van herkomst.’ [6] De rechtbank begrijpt niet hoe die passage – en dan vooral het uitsluiten van die cumulatieve gevolgen van de oorlog – zich precies verhoudt tot het onder 7.1. weergegeven oordeel van de Afdeling. De (cumulatieve) gevolgen van een langdurige oorlog dienen namelijk uitdrukkelijk wél te worden meegewogen bij de 15c beoordeling, zolang die gevolgen direct of indirect zijn veroorzaakt door het handelen of nalaten van de strijdende partijen.
12.3.
De rechtbank merkt daarbij overigens ten overvloede op dat, ingevolge de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025, humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert. Verweerder dient zich daarvan, voor zover dit naar voren toe is gebracht, eveneens rekenschap te geven.
Binnenlands beschermingsalternatief
13. De rechtbank is van oordeel dat het subsidiaire standpunt van verweerder dat sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief in de provincies Al Mahra en Hadramaut ook geen stand kan houden.
13.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [7] volgt dat verweerder een binnenlands beschermingsalternatief, in de zin van een vlucht- of vestigingsalternatief, mag tegenwerpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en daar ook geen reëel risico op ernstige schade loopt. Verder moet dat deel van het land toegankelijk zijn voor die vreemdeling en moet hij op een veilige en wettige manier daarnaartoe kunnen reizen. Ook moet verweerder redelijkerwijs van de vreemdeling mogen verwachten dat hij zich er vestigt.
13.2.
Verweerder heeft niet gemotiveerd dat de genoemde provincies toegankelijk zijn voor eiser en dat hij daar op een veilige en wettige manier naartoe kan reizen. Bovendien heeft verweerder in het geheel niet gemotiveerd waarom van eiser redelijkerwijs verwacht kan worden dat hij zich vestigt in die provincies. Nu de bewijslast voor het tegenwerpen van een binnenlands beschermingsalternatief in eerste instantie op verweerder rust, heeft verweerder niet – nog los van de vraag of in die provincies inderdaad geen sprake is van een 15c-situatie – op deugdelijke wijze beoordeeld of in het geval van eiser sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is om de hierboven genoemde redenen in strijd is met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet zoals overwogen geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. De rechtbank bepaalt daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.D. Osborne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Paragraaf C7/19.4.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) ten tijde van het bestreden besluit.
2.Paragraaf C7/19.4.2. ten tijde van het onderzoek ter zitting.
3.Kamerbrief over het landenbeleid Jemen, KST 19637 nr. 3489.
4.Zie overweging 4.2 en 5.6.
5.Zie naast de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 ook de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 14 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3537, maar ook bijvoorbeeld de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17489, de uitspraak van zittingsplaats Middelburg van 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6703 en de uitspraak van zittingsplaats Utrecht van 28 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1449.
6.Beslisnota bij Kamerbrief over het landenbeleid Jemen, bijlage bij KST 19637 nr. 3489, pagina 3.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1328, 24 september 2024,