ECLI:NL:RBDHA:2026:16626
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Tunesische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De verwijzing naar de Duitse wetgeving en de mogelijke detentie is niet voldoende om het vertrouwensbeginsel te weerleggen.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden zou rechtvaardigen om af te zien van overdracht, faalt omdat de minister dit naar behoren heeft gemotiveerd en de omstandigheden reeds zijn betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier V. Vegter en is openbaar gemaakt op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.