ECLI:NL:RBDHA:2026:16626

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.8944
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Tunesische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De verwijzing naar de Duitse wetgeving en de mogelijke detentie is niet voldoende om het vertrouwensbeginsel te weerleggen.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat bijzondere individuele omstandigheden zou rechtvaardigen om af te zien van overdracht, faalt omdat de minister dit naar behoren heeft gemotiveerd en de omstandigheden reeds zijn betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier V. Vegter en is openbaar gemaakt op 19 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8944

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Tunesische nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. W. Spijkstra (waarnemend voor de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 24 december 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 30 december 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser voert aan dat de minister ten aanzien van Duitsland ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiser wijst er op dat sinds februari 2024 het ‘Rückführungsverbesserungsgesetz’ in Duitsland van kracht is. Deze nieuwe wetgeving is specifiek bedoeld om het terugkeerbeleid van Duitsland te versnellen en vereenvoudigen en geeft de Duitse autoriteiten uitgebreidere bevoegdheden om vreemdelingen in (voorlopige) hechtenis is nemen. Verder wijst eiser er op dat zijn asielaanvraag in Duitsland eerder is afgewezen en hij in Duitsland formeel in een terugkeertraject is geplaatst. Overdracht naar Duitsland zal daarom niet betekenen dat zal asielaanvraag nog eens wordt bekeken maar zal betekenen hij terug moet keren naar Tunesië. Ook vreest eiser direct na aankomst in Duitsland in detentie te zullen worden geplaatst wegens openstaande boetes. Deze vrees wordt versterkt door de Duitse praktijk waarin vreemdelingenbewaring kan worden gecombineerd met ‘vervangende hechtenis’.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel. [2] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 3 van Pro het EVRM [3] en artikel 4 van Pro het Handvest. [4] Eiser kan dit vermoeden weerleggen door met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Hiervoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Duitsland overleggen. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, als eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Van belang is dat Duitsland zich met het claimakkoord heeft verplicht om te handelen conform de daarbij gestelde Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nieuwe Duitse wetgeving er toe leidt dat eiser een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. De enkele verwijzing naar de nieuwe wetgeving is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister er op de zitting terecht op gewezen dat de nieuwe Duitse wetgeving genoemd staat in het AIDA rapport, update 2024 [5] . De rechtbank is van oordeel dat dit AIDA rapport geen wezenlijk ander beeld laat zien dan het eerdere AIDA rapport, dat is beoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025. [6] Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht naar Duitsland direct in onrechtmatige (vreemdelingendetentie) zal worden geplaatst. Indien eiser in Duitsland problemen ondervindt, kan hij hierover klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan dan wel dat de (hogere) Duitse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser voert aan dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening ten onrechte niet is toegepast. Eiser wijst er op dat zijn eerdere asielaanvraag in Duitsland is afgewezen en heeft geleid tot een formele vertrekplicht waardoor er een verhoogd risico is op (voor)bewaring onder een verscherpt Duits detentieregime. Ook is sprake van een reële dreiging van detentie vanwege openstaande boetes. Tot slot is er gelet op de nieuwe wetgeving in Duitsland sprake van een steeds snellere verwijderingspraktijk die mogelijk de toegang tot effectieve rechtsbescherming belemmert.
6.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het aan de minister om te beoordelen of in het specifieke geval sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechter zal die beoordeling terughoudend moeten toetsen. [7] Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat de minister zijn besluit om geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid deugdelijk moet motiveren en moet reageren op wat een vreemdeling heeft aangevoerd. Wanneer een vreemdeling zich beroept op omstandigheden die verband houden met een verblijf in een andere lidstaat mag de minister volstaan met een kortere motivering. Als deze omstandigheden al zijn betrokken zijn bij de beoordeling of de minister voor die andere lidstaat mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag hij in beginsel verwijzen naar zijn standpunt daarover. [8]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangevoerde omstandigheden ook al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft, gelet op de overwegingen in 6.1, kunnen volstaan met een verwijzing naar dat standpunt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770) waarbij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBLIM:2025:8989) is bevestigd.
3.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Aida country report on Germany, update on 2024, gedateerd juni 2025.
7.Zie uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4.
8.Zie uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.