ECLI:NL:RBDHA:2026:10443
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 augustus 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft deze maatregel reeds meerdere malen getoetst in eerdere uitspraken.
De beoordeling in deze zaak richt zich op de periode vanaf 3 april 2026, het moment van sluiting van het onderzoek waarop de vorige uitspraak was gebaseerd. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de behandeling van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro 2000, waardoor het voortduren van de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank oordeelt dat de minister vanaf 3 april 2026 actief heeft gehandeld om de benodigde medische gegevens te verkrijgen, ondanks afhankelijkheid van externe instanties. De minister heeft de aanvraag met voldoende voortvarendheid behandeld. De door eiser aangehaalde jurisprudentie is niet vergelijkbaar en verandert dit oordeel niet.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring tot 24 april 2026 rechtmatig was en dat er geen grond is voor toekenning van schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.