ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ5657
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke opheffing vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij artikel 64-aanvraag
Eiser zit sinds 21 januari 2009 in vreemdelingenbewaring en heeft op 15 april 2009 een aanvraag ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag vereist volgens de Vreemdelingencirculaire 2000 een voortvarende behandeling door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De wettelijke beslistermijn van acht weken werd overschreden, terwijl verweerder geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die de vertraging rechtvaardigen.
De rechtbank constateert dat verweerder de aanvraag niet tijdig heeft behandeld en dat na ontvangst van het advies van het Bureau Medisch Advies (BMA) op 26 juni 2009 nog vier weken zijn verstreken zonder beslissing. Verweerder kon niet overtuigend verklaren waarom de beslissing niet onverwijld werd genomen, en de stelling dat vertraging werd veroorzaakt door onduidelijkheid over de gemachtigde van eiser wordt verworpen.
Gelet op het feit dat de uitzetting van eiser gedurende de aanvraag niet kan worden geëffectueerd en de wettelijke voorschriften omtrent voortvarendheid, oordeelt de rechtbank dat de voortzetting van de bewaring in strijd is met de wet. De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de bewaring en kent een schadevergoeding toe van € 1.680,-- over 21 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming vanaf het instellen van het beroep op 30 juni 2009. Tevens worden proceskosten van € 644,-- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid bij de behandeling van de artikel 64-aanvraag en kent schadevergoeding en proceskosten toe.