ECLI:NL:RBDHA:2026:4900

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL26.9129
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.3 Vb 2000Art. 4 EU HandvestArt. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging maatregel van bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet

De rechtbank Den Haag heeft op 10 maart 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende de verlenging van een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister had de bewaring verlengd met maximaal twaalf maanden vanwege het ontbreken van benodigde documentatie en het niet meewerken aan uitzetting. Eiser stelde beroep in tegen dit verlengingsbesluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank onderzocht verschillende beroepsgronden, waaronder de geldigheid van de ondertekening van het besluit, de taal van het uitreikingsblad, de vermeende achteraf opmaak van het besluit, afwijkingen van vergelijkbare besluiten, het ontbreken van een vermelding van de versie van de Vreemdelingenwet, de noodzaak van een verzwaarde belangenafweging en de toetsing aan het non-refoulementbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het besluit rechtsgeldig was ondertekend door een bevoegde ambtenaar, dat het uitreikingsblad niet in een voor eiser begrijpelijke taal hoefde te zijn bij verlenging, en dat het besluit tijdig was genomen.

Verder concludeerde de rechtbank dat het verlengingsbesluit voldoende gemotiveerd was, ook zonder expliciete vermelding van de wetsversie, en dat de minister geen verzwaarde belangenafweging hoefde te maken. Ten aanzien van het non-refoulementbeginsel was geen sprake van een belemmering voor uitzetting, mede omdat eiser geen concrete elementen had aangevoerd. De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.9129

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het besluit tot verlenging van de aan eiser opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel is opgelegd op 11 augustus 2025.
Bij besluit van 2 februari 2026 (het verlengingsbesluit) heeft de minister de maatregel van bewaring met ten hoogste twaalf maanden verlengd op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000.
Eiser heeft het verlengingsbesluit beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000 mag de maatregel van bewaring na afloop van zes maanden met maximaal nog eens twaalf maanden worden verlengd als de uitzetting (alle redelijke inspanningen ten spijt) wellicht meer tijd zal vergen als de daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt (voorwaarde a) of als de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting (voorwaarde b).
1.1.
De minister moet in het verlengingsbesluit conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. Als dit voldoende gemotiveerd is, wordt hiermee voldaan aan alle uit de Terugkeerrichtlijn en het arrest Mahdi [1] voortvloeiende vereisten voor het nemen van een verlengingsbesluit. [2]
Ondertekening van het verlengingsbesluit en de uitreiking van het uitreikingsblad
2. Eiser voert aan dat het besluit niet is ondertekend door regievoerder [persoon A], die namens de minister hiertoe gemachtigd zou zijn. Er is bij afwezigheid getekend door een niet kenbaar persoon. Om die reden is er geen rechtsgeldig besluit. Daarnaast voert eiser aan dat het uitreikingsblad van het verlengingsbesluit is uitgereikt in het Nederlands, en niet in een voor hem begrijpelijk taal. Aan het uitreikingsblad dat door eiser zou zijn ondertekend, komt dan ook geen bewijswaarde toe.
2.1.
De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 3 oktober 2023, [3] waarin is geoordeeld dat de waarborgen uit artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) alleen van toepassing zijn bij het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel en bij voortzetting van de bewaring op een andere wettelijke grondslag. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bevestigd, waarbij nadrukkelijk is overwogen dat artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb 2000 (te weten dat de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte moet worden gebracht) niet van toepassing is in het geval van een verlenging van de maatregel. [4]
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de minister een mailwisseling van 2 maart 2026 aan het rechtbankdossier heeft toegevoegd, waaruit blijkt dat een collega-regievoerder het verlengingsbesluit heeft ondertekend en uitgereikt in aanwezigheid van regievoerder [persoon A]. Tijdens de zitting heeft de minister terecht toegelicht dat het verlengingsbesluit hiermee is ondertekend door een daartoe bevoegde ambtenaar en verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 16 april 2025. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is het verlengingsbesluit achteraf opgemaakt?
3. Eiser voert aan dat het vermoeden bestaat dat het verlengingsbesluit achteraf is opgemaakt, waardoor deze niet tijdig is opgelegd. Het verlengingsbesluit is op 17 februari 2026 door de minister aan het dossier toegevoegd, terwijl alle andere stukken al op
12 februari 2026 waren toegevoegd.
3.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het verlengingsbesluit achteraf is opgemaakt. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat dit eenvoudig te achterhalen is, door het verlengingsbesluit (dat in het digitale dossier zit) op te slaan, en vervolgens de documenteigenschappen te raadplegen.
De rechtbank stelt vast dat uit de documenteigenschappen blijkt dat het verlengingsbesluit is aangemaakt op 2 februari 2026, en voor het laatst is gewijzigd op 2 februari 2026. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te oordelen dat het verlengingsbesluit niet tijdig is opgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Wijkt het verlengingsbesluit af van vergelijkbare besluiten?
4. Eiser voert aan dat het verlengingsbesluit afwijkt van vergelijkbare besluiten. Gangbaar is dat een dergelijk besluit digitaal wordt opgemaakt en ondertekend, zodat direct te zien is wie het besluit heef opgemaakt, of het besluit is opgesteld door een persoon die hiertoe bevoegd is en op welke datum en tijdstip.
4.1.
De minister moet in het verlengingsbesluit, conform het beleid van paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000, nagaan of er voldaan is aan de voorwaarden voor verlenging, of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank stelt vast dat de minister bovenstaande voldoende heeft gemotiveerd in het verlengingsbesluit. Het verlengingsbesluit vermeldt bovendien eisers naam, geboortedatum en land van herkomst en is– zoals onder 2.1 overwogen – ondertekend door een daartoe bevoegde ambtenaar. Dat het verlengingsbesluit zoals eiser betoogt afwijkt van vergelijkbare besluiten, doet daar niet aan af. De beroepsgrond slaagt niet.
Versie Vreemdelingenwet
5. Eiser voert aan dat in het verlengingsbesluit niet staat opgenomen om welke versie van de Vreemdelingenwet het gaat. Dit is in strijd met het unierechtelijk inleesverbod en het arrest Mahdi. [6]
5.1.
De rechtbank constateert dat in het verlengingsbesluit inderdaad niet is vermeld om welke versie van de Vreemdelingenwet het gaat. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit echter niet mee dat het verlengingsbesluit onrechtmatig is. Er gelden op dit moment namelijk niet meerdere versies van de Vreemdelingenwet, maar er is er maar één. De verwijzing daarnaar met de afkorting ‘Vw’ is dan ook voldoende.
Had de minister een verzwaarde belangenafweging moeten maken?
6. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage (M120) van 12 februari 2026 niet blijkt dat een verzwaarde belangenafweging heeft plaatsgevonden.
6.1.
De rechtbank merkt op dat eiser deze grond eerder heeft aangevoerd in het (vervolg)beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van
23 februari 2026. [7] De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 3.1 van deze uitspraak. De beroepsgrond slaagt niet.
Het beginsel van non-refoulement
7. Eiser voert onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 [8] aan dat de minister het verlengingsbesluit niet kenbaar heeft getoetst aan het beginsel van non-refoulement, neergelegd in artikel 4 van Pro het EU Handvest.
7.1.
De rechtbank merkt op dat de minister in het verlengingsbesluit onder het kopje ‘zicht op uitzetting’ een vinkje heeft gezet bij de woorden ‘
Niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, dan wel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van uw uitzetting.’.
7.2.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 12 februari 2026 het volgende overwogen:
7.4.
Als naar aanleiding van de door de minister gestelde vragen in het gehoor voorafgaand aan de bewaring, de verklaringen van een vreemdeling geen grond bieden voor het oordeel dat hij of zij zich beroept op het beginsel van non-refoulement, kan de minister hem of haar in bewaring stellen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. De minister mag in dat geval in de maatregel in het kader van het zicht op uitzetting volstaan met de motivering dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet.
7.3.
Toepassend op onderhavige zaak, overweegt de rechtbank als volgt. Voorafgaand aan het nemen van een verlengingsbesluit, vindt geen gehoor plaats. Wel heeft eiser de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op het voornemen van de minister tot het nemen van een verlengingsbesluit.
7.4.
Eiser heeft op 27 januari 2026 een zienswijze ingediend op het voornemen van de minister om de maatregel van bewaring te verlengen. Hiermee heeft de minister eiser de mogelijkheid gegeven om elementen aan te kaarten die relevant zouden kunnen zijn in het kader van non-refoulement. In deze zienswijze stelt eiser – samengevat – dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Eiser heeft immers multiple sclerose (MS) en is rolstoelgebonden, wat detentie voor hem extra zwaar maakt. Om die reden is een procedure op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 opgestart, wat de vraag opwerpt of eiser op korte termijn kan vertrekken naar zijn land van herkomst. Omdat eiser in een rolstoel zit, maakt dit ook dat er geen onttrekkingsgevaar is. De rechtbank merkt op dat eiser in zijn zienswijze niets heeft aangevoerd in het kader van non-refoulement. De minister heeft in het verlengingsbesluit gereageerd op de zienswijze van eiser. De minister geeft aan dat, in afwachting van de beslissing op de artikel 64-procedure, er momenteel geen bezwaar is voor de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) om door te gaan met het voorbereiden van eisers naar Algerije, en dat er zicht op uitzetting bestaat binnen een redelijke termijn. Ook is er voor de oplegging van het verlengingsbesluit een vetrekgesprek op 27 januari 2026 met eiser gevoerd, waarin eiser de mogelijkheid heeft gekregen om een eventueel non-refoulement risico toe te lichten. Hier is besproken dat, indien sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat de voortzetting van de maatregel van bewaring bij afweging van alle betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, eiser dit kan aangeven. Hiermee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzoek gedaan naar een mogelijk non-refoulement risico.
7.5.
Gelet op de geciteerde rechtsoverweging 7.4 van bovengenoemde uitspraak, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister in dit geval in het verlengingsbesluit heeft mogen volstaan met de motivering dat niet is gebleken dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat het verlengingsbesluit onrechtmatig is. [9]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie 5 juni 2014, Bashir Mohamed Ali Mahdi, ECLI:EU:C:2014:1320.
2.ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4460.
4.ABRvS 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2204.
6.HvJEU 5 juni 2014, ECLI:EU:C:2014:1320.
9.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.