ECLI:NL:RBDHA:2025:22838

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25/1268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 AOWArt. 17c AOWArt. 24 AOWArt. 49 AOWArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering teveel betaalde AOW na onjuiste opgave burgerlijke staat afgewezen

Eiser ontving vanaf 2015 een AOW-pensioen op basis van de ongehuwdennorm, terwijl hij sinds 2014 gehuwd was. Hij had dit niet gemeld aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Nadat de SVB hiervan op de hoogte was, herzag zij het pensioen en vorderde zij het te veel betaalde bedrag terug, met een matiging van 50% vanwege het eigen aandeel van eiser.

Eiser voerde aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij het juiste pensioen ontving en dat de terugvordering verder gematigd of zelfs geheel afgezien moest worden vanwege zijn financiële situatie. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op het toegekende bedrag, mede omdat hij zijn huwelijk niet had gemeld zoals verplicht.

De rechtbank verwierp ook het beroep op verdere matiging van de terugvordering en het afzien daarvan wegens financiële draagkracht. De SVB handelde volgens haar beleidsregels en rekening werd gehouden met de draagkracht via een betalingsregeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de terugvordering bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van teveel betaalde AOW wordt ongegrond verklaard en de matiging van 50% gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Spek),
en

de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: W. van den Berg).

Inleiding

1. Eiser woont in Nederland en is op [dag] 2014 getrouwd in Marokko. Zijn echtgenote woonde op dat moment in Marokko en is later, in juni 2021, naar Nederland verhuisd. Eiser heeft op 25 januari 2015 een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd. Eiser heeft op de aanvraag vermeld dat hij ongehuwd was en alleen woonde. De SVB heeft met ingang van 3 mei 2015 aan eiser een AOW-pensioen toegekend naar de norm voor een ongehuwde.
1.1.
Op 8 februari 2017 heeft eiser bij de SVB een aanvraag gedaan voor een aanvulling op zijn AOW via de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO). Op deze aanvraag heeft eiser vermeld dat hij een partner in Marokko had. Op 13 juli 2021 heeft eiser aan de SVB doorgegeven dat hij vanaf 23 juni 2021 zou gaan samenwonen met zijn partner. Naar aanleiding daarvan heeft de SVB eisers dossier bekeken en gezien dat hij gehuwd was.
1.2.
Op 27 september 2021 heeft de SVB eisers AOW-pensioen, met terugwerkende kracht, herzien naar de gehuwdennorm (besluit 1). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en dit bezwaar werd op 19 januari 2022 ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en dit beroep werd op 9 mei 2023 door de rechtbank ongegrond verklaard. Eiser is tegen deze uitspraak in hoger beroep gegaan bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
1.3.
Op 23 februari 2022 heeft de SVB het primaire besluit in de huidige zaak genomen (besluit 2). Daarbij werd aan eiser een boete opgelegd en het te veel betaalde AOW-pensioen teruggevorderd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar werd aangehouden in afwachting van het bovengenoemde beroep tegen het besluit op bezwaar van 19 januari 2022, waarbij besluit 1 is gehandhaafd.
1.4.
Op 23 juli 2024 heeft de SVB het besluit op bezwaar tegen besluit 1 herzien en de herzieningsperiode met de helft beperkt tot juli 2018 tot en met augustus 2021. De CRvB heeft op 21 november 2024 uitspraak gedaan en geoordeeld dat de SVB geen aanleiding hoefde te zien voor een verdere matiging. [1]
1.5.
Op 15 januari 2025 heeft de SVB beslist op het bezwaar tegen besluit 2. Omdat de matiging van de terugvordering met de helft gunstiger was dan een matiging van de herziening met de helft, werd voor matiging van de terugvordering gekozen. De terugvordering werd gematigd tot € 10.682,98. De boete werd omgezet in een waarschuwing. Dit is in deze zaak het bestreden besluit.
1.6.
Eiser heeft op 17 februari 2025 beroep ingesteld en dit op 18 maart 2025 aangevuld. De SVB heeft op 26 februari 2025 gereageerd met een verweerschrift en dit op 2 oktober 2025 aangevuld. De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de SVB deelgenomen.

Toetsingskader

2. De voor de beoordeling van het beroep relevante wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt aan de hand van eisers beroepsgronden of het college het bestreden besluit heeft mogen nemen.
Mocht eiser erop vertrouwen dat hij het juiste AOW-bedrag ontving?
4. Eiser stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat hij het juiste AOW-pensioen ontving. De tekst van de toekenningsbrief moet aangemerkt worden als een toezegging dat hij recht had op een AOW-pensioen voor een ongehuwde. Er wordt in deze brief verwezen naar eisers woonsituatie en niet naar zijn burgerlijke staat. De SVB heeft niet goed gemotiveerd waarom het voor eiser redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat er te veel werd betaald. Eiser woonde namelijk alleen en ontving een AOW-pensioen voor iemand die alleen woont. Het bedrag kon dus in het geheel niet worden teruggevorderd en de SVB kon het terugvorderingsbesluit bij het besluit op bezwaar niet in stand laten.
4.1.
Het college verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 21 november 2024 en stelt dat er geen sprake was van schending van het vertrouwensbeginsel. Eiser kon aan de toekenningsbesluit niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat iemand die gehuwd is, maar alleen woont (zonder duurzaam gescheiden van zijn echtgenoot te leven), recht heeft op een pensioen naar de ongehuwdennorm. In het besluit staat namelijk ook de mededeling dat een huwelijk altijd gemeld moet worden. Eiser heeft dat niet gedaan en kon er dus niet op vertrouwen dat zijn AOW-pensioen was afgestemd op zijn persoonlijke situatie.
4.2.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet eiser aannemelijk maken dat de SVB toezeggingen of andere uitlatingen heeft gedaan of gedragingen heeft verricht waaruit eiser, in de gegeven omstandigheden, redelijkerwijs kon en mocht afleiden hoe de SVB in dit concrete geval zijn bevoegdheid zou uitoefenen. [2]
4.3.
Bij zijn AOW-aanvraag van 25 januari 2015 heeft eiser bij onderdeel ‘burgerlijke staat’ ingevuld dat hij ongehuwd was en alleen woonde. In het toekenningsbesluit stond dat de toekenning afhing van eisers leefsituatie. Daarbij werd toegelicht: “de AOW kent bedragen voor gehuwden, samenwonenden en voor alleenstaanden en voor alleenstaande ouders. Omdat u niet met een (huwelijks)partner samenwoont, krijgt u het AOW-bedrag voor een alleenstaande.” Eiser had bij de aanvraag moeten aangeven dat hij gehuwd was en eiser heeft dat niet gedaan. Omdat de SVB bij de toekenning - op aangeven van eiser - uitging van een onjuiste situatie, kon eiser aan de tekst van het toekenningsbesluit niet het vertrouwen ontlenen dat hij in zijn situatie recht had op een pensioen naar de ongehuwdennorm. Bovendien stond in het toekenningsbesluit dat wijzigingen met betrekking tot eisers burgerlijke stand en woonsituatie, waaronder trouwen en duurzaam gescheiden leven, doorgegeven moesten worden aan de SVB. Ook daaraan had eiser kunnen zien dat hij zijn huwelijk aan de SVB had moeten doorgeven.
4.4.
Onder deze omstandigheden kon eiser aan de uitlatingen van de SVB niet het vertrouwen ontlenen dat zijn AOW-pensioen was afgestemd op zijn persoonlijke situatie. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Dient de terugvordering verder te worden gematigd?
5. Volgens eiser diende de terugvordering bij het besluit op bezwaar verder te worden gematigd tot het te veel betaalde pensioen in de periode van 3 mei 2015 tot 8 februari 2017. Vanaf die laatste datum was namelijk bij de SVB bekend dat eiser gehuwd is. Ook kan volgens de zogenaamde zesmaandenjurisprudentie de terugvordering niet langer doorlopen dan tot 8 augustus 2017, omdat de SVB toen een voldoende concreet signaal had ontvangen waaruit het bestuursorgaan had moeten afleiden dat te veel AOW werd uitbetaald. Eiser stelt verder dat zijn financiële draagkracht een dringende reden is om in het geheel van terugvordering af te zien. Hij heeft alleen een AOW-pensioen en geen ander inkomen. Eiser houdt elke maand maar een paar honderd euro over om van te leven en dit is zeker met een minderjarig kind erg weinig.
5.1.
Volgens de SVB is hetgeen eiser heeft aangevoerd een herhaling van de gronden die eiser heeft aangevoerd in de hoger beroepsprocedure. De CRvB heeft geoordeeld dat de SVB met matiging tot de helft van de periode voldoende rekening heeft gehouden met eisers eigen rol bij de teveelbetaling. Geheel afzien van invordering kan alleen onder zeer uitzonderlijke omstandigheden en die zijn in dit geval niet aan de orde, aldus de SVB. Eiser heeft in ieder geval niet aangetoond dat hij ernstig in de problemen komt door de terugvordering. Bovendien is het SVB met eiser in overleg over een betalingsregeling, waarbij rekening wordt gehouden met zijn financiële situatie. De SVB ziet dan ook geen redenen om voor het overgebleven bedrag af te zien van terugvordering.
5.2.
Op grond van artikel 24, eerste lid, van de AOW wordt het ouderdomspensioen dat onverschuldigd is betaald teruggevorderd. Op grond van het vijfde lid van dit artikel kan de SVB, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Zoals de CRvB in de hiervoor genoemde uitspraak van 21 november 2024 overwoog, geeft de SVB met zijn beleidsregel SB1407 een uitleg aan het begrip dringende redenen die strookt met de daarover geldende jurisprudentie. [3]
5.3.
Eiser heeft in eerste instantie AOW-pensioen ontvangen naar de ongehuwdennorm omdat hij had nagelaten te vermelden dat hij gehuwd was. Nadat eisers huwelijk bekend werd bij de SVB, heeft de SVB alsnog vier jaar lang uitgekeerd naar de ongehuwdennorm. Dit vormde een dringende reden op grond waarvan verweerder gedeeltelijk van herziening heeft moeten afzien. De SVB heeft daar, met de matiging van de terugvordering met 50%, uitvoering aan gegeven. Zoals de CRvB in zijn uitspraak van 21 november 2024 overwoog werd op die manier voldoende rekening gehouden met de eigen rol van de SVB bij de teveelbetaling, gelet op de ernst van het verwijt dat aan beide partijen gemaakt wordt en gelet op het beleid van de SVB over dit onderwerp. Met de CRvB is de rechtbank van oordeel dat de SVB niet gehouden is de terugvordering nog verder te matigen omdat de SVB te lang heeft doorbetaald.
5.4.
Op grond van de zesmaandenjurisprudentie van de CRvB mag de SVB de bevoegdheid tot terugvordering niet uitoefenen voor zover de terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal van de uitkeringsgerechtigde waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt betaald. [4] Het gaat daarbij echter om gevallen waarbij de SVB
bevoegdis om onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen, maar daartoe niet
verplichtis. De zesmaandenjurisprudentie is in dit geval niet van toepassing omdat de SVB op grond van artikel 17 van Pro de AOW verplicht was om de te veel ontvangen AOW terug te vorderen. De SVB mocht de periode waarover wordt teruggevorderd dus niet verder beperken op grond van de zesmaandenjurisprudentie.
5.5.
Voor wat betreft eisers draagkracht als dringende reden om geheel van terugvordering af te zien, overweegt de rechtbank dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat zijn financiële draagkracht zodanig is dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare of onevenredige gevolgen heeft. [5] Deze stelling levert daarom geen afzonderlijke dringende reden op die tot geheel afzien van de terugvordering had moeten leiden en de SVB heeft hierin dan ook geen dringende reden hoeven zien om geheel van terugvordering af te zien.
5.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de SVB het nettobedrag terugvorderen?
6. Volgens eiser had de SVB zich bij de beslissing op bezwaar moeten beperken tot terugvordering van een nettobedrag. Eiser wijst daarbij op de conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock bij de uitspraak van het CRvB van 10 november 2023. [6] Ook in het geval van eiser is het nog maar de vraag of hij de terug te betalen loonheffing via de Belastingdienst kan terugkrijgen.
6.1.
Het college wijst op twee uitspraken van de CRvB waarin een beroep op netto terugvordering werd afgewezen. [7] In dit geval heeft eiser volgens het college geen stukken aangeleverd waaruit een dringende reden blijkt om van bruto terugvordering af te wijken.
6.2.
Artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht schrijft voor dat de SVB dient te handelen overeenkomstig diens beleidsregels, tenzij dat voor een belanghebbende gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. De SVB heeft in dit geval gehandeld overeenkomstig zijn beleidsregel SB1250, waarin staat dat het te veel of ten onrechte betaalde wordt teruggevorderd op basis van bruto bedragen. Het is daarbij volgens vaste jurisprudentie niet van betekenis of aan de onverschuldigde betaling een fout van het SVB of een verzuim van betrokkene ten grondslag heeft gelegen. [8]
6.3.
Eiser heeft in dit geval niet onderbouwd dat de bruto terugvordering in zijn geval onevenredig is, bijvoorbeeld omdat het zou leiden tot ernstige financiële gevolgen. Ook hier overweegt de rechtbank dat bij de invordering met eisers draagkracht rekening zal worden gehouden door middel van een betalingsregeling. De SVB mocht in dit geval het onterecht ontvangen bedrag bruto terugvorderen.
6.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de terugvordering in stand blijft. Eiser krijgt het griffierecht niet terug en krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van
mr.R. de Boer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
de griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de CRvB waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de CRvB vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84
Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Algemene Ouderdomswet
Artikel 17
1. Het ouderdomspensioen wordt door de Sociale verzekeringsbank ingetrokken of herzien, wanneer degene, aan wie het is toegekend, ingevolge het bij of krachtens deze wet bepaalde daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt. (…)
Artikel 17c
1. De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel 49. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 49, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. (…)
8 De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. (…)
Artikel 24
1.
Het ouderdomspensioen dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 17 onverschuldigd Pro is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door de Sociale verzekeringsbank teruggevorderd van de pensioengerechtigde of zijn wettelijke vertegenwoordiger, dan wel van de erfgenaam van de pensioengerechtigde voor zover het onverschuldigd betaalde in het vermogen van die erfgenaam is gevallen. (…)
5
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. (…)
Artikel 49
De pensioengerechtigde, zijn echtgenoot, alsmede zijn wettelijke vertegenwoordiger of de instelling waaraan ingevolge artikel 20 ouderdomspensioen Pro wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt betaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Voetnoten

1.Uitspraak van de CRvB van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2236.
2.Zie de uitspraak de CRvB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.
3.Uitspraak van de CRvB van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2236, r.o. 4.3.3.
4.Zie o.a. de uitspraak van de CRvB van 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:952 en de uitspraak van de CRvB van 7 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1388, r.o. 4.7.
5.Vgl. de uitspraak van de CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, r.o. 4.11-4.12.
6.Conclusie van raadsheer advocaat-generaal De Bock van 10 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2086.
7.Uitspraak van de CRvB van 21 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2254 en uitspraak van de CRvB van 29 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1689.
8.Zie o.a. de uitspraak van de CRvB van 24 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:708, r.o. 5.1.2.