Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
te kunnendoen op het beroep en heeft deze vragen dan ook gesteld. Op dezelfde dag dat het Hof aan de rechtbank heeft medegedeeld dat op 4 september 2025 arrest zou worden gewezen, heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de voortzetting van het beroep op 9 september 2025 om 11:00 uur zou plaatsvinden met een geplande zittingstijd van een uur. Deze rechtbank en zittingsplaats behandelt beroepen tegen de oplegging van een bewaringsmaatregel op dinsdagen. Dinsdag 9 september 2025 is de eerste bewaringszitting na het wijzen van het arrest op 4 september 2025. De rechtbank heeft aldus slechts 5 dagen nadat arrest is gewezen de behandeling van het beroep voortgezet. Het beroep is geagendeerd op 9 september 2025 om 11:00 uur. De feitelijke behandeling van het beroep is aangevangen om 11:55 uur vanwege vertraging aan de zijde van de gemachtigde van eiser en de rechtbank heeft het onderzoek om 12:40 uur gesloten. De rechtbank heeft eiser aansluitend aan het sluiten van het onderzoek ter zitting toegezegd om op 10 september 2025 om 10:00 uur uitspraak te doen. De rechtbank doet dus binnen 24 uur na het sluiten van het onderzoek - uitgebreid gemotiveerd - uitspraak. Voor zover de rechtbank invloed heeft op het tijdsverloop in deze prejudiciële procedure, geeft de rechtbank te kennen dat de rechtbank eenvoudigweg niet (nog) sneller kan werken dan dit, zonder dat dit afbreuk doet aan de kwaliteit die zij met haar inspanningen probeert te leveren. Anders dan gemachtigde van eiser stelt, is de rechtbank niet gehouden om eiser in vrijheid te stellen in afwachting van de antwoorden van het Hof. Ook een lichter middel enkel om eiser in de gelegenheid te stellen om buiten het DTC de beantwoording van de vragen af te wachten is niet aan de orde. De toepassing van een lichter middel is aan de orde als het niet noodzakelijk is om de maatregel op te leggen om het beoogde doel te bereiken of als de oplegging van de maatregel of de voortduring hiervan onevenredig bezwarend is. Eiser heeft bij herhaling verklaard niet terug te zullen keren naar Algerije en dat hij zodra hij wordt vrijgelaten onmiddellijk naar Frankrijk zal vertrekken. Dat de maatregel op enig moment onevenredig bezwarend is, is nimmer gebleken. De rechtbank realiseert zich buitengewoon goed dat en maakt dit -altijd- onderdeel van haar overwegingen om al dan niet prejudiciële vragen te stellen, dat het voor de betrokken vreemdeling betekent dat langer moet worden gewacht op een uitspraak van de rechtbank. Tegelijkertijd heeft te gelden dat indien gemachtigde van eiser moet worden gevolgd dat -in wezen- een vreemdeling niet in bewaring kan worden gehouden in verband met een verwijzing, dit zou betekenen dat het niet mogelijk is om prejudiciële vragen te stellen. Een vreemdeling die illegaal verblijft zal doorgaans niet in vrijheid blijven wachten op het arrest om te bezien of hij al dan niet kan worden verwijderd en overigens zal een mogelijk zaak overstijgend belang voor hem geen enkele waarde hebben.