ECLI:NL:RBDHA:2025:16382
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring wegens onvoldoende beoordeling uitvoerbaarheid terugkeerbesluit en non-refoulement
Eiser, met Marokkaanse nationaliteit en geboren in Nederland, werd op 19 augustus 2025 in bewaring gesteld op grond van een terugkeerbesluit van 29 maart 2024. Dit terugkeerbesluit vormde de grondslag voor de maatregel, maar bevatte geen beoordeling van het non-refoulementbeginsel en de belangen genoemd in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115. Eiser voerde aan dat de maatregel onrechtmatig was omdat verweerder niet had onderzocht of het terugkeerbesluit uitvoerbaar was zonder schending van het verbod op terugzending naar een land waar een reëel risico op onmenselijke behandeling bestaat.
De rechtbank stelt vast dat de bewaringsrechter volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling alleen mag toetsen of er een rechtsgeldig terugkeerbesluit is, maar oordeelt dat uit Unierecht volgt dat ook moet worden beoordeeld of het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Indien verwijdering niet mogelijk is, is de maatregel onrechtmatig en moet eiser onmiddellijk worden vrijgelaten. De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende heeft nagegaan of het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd zonder schending van het non-refoulementbeginsel en dat een inhoudelijke beoordeling hierover in een aanvullend terugkeerbesluit moet plaatsvinden.
De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel en invrijheidstelling van eiser. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1.500,- aan eiser en de proceskosten van €1.814,-. De rechtbank wijst erop dat verweerder een onderzoeksplicht heeft en dat de rechter ambtshalve moet toezien op naleving van het non-refoulementbeginsel. Het beroep wordt gegrond verklaard.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt onmiddellijk opgeheven en eiser wordt in vrijheid gesteld wegens onvoldoende beoordeling van de uitvoerbaarheid van het terugkeerbesluit.