Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2023
in de zaak tussen:
[eiser 1], geboren op [geboortedatum],
[ouder 1],geboren op [geboortedatum]
,allen van Armeense nationaliteit en tezamen aangeduid als verzoekers,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ambtshalvede eventuele niet-naleving van de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement moet vaststellen op basis van de gegevens in het dossier die haar ter kennis zijn gebracht en zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij haar gevoerde procedure op tegenspraak? Is de omvang van deze verplichting afhankelijk van de omstandigheid of de gevoerde procedure op tegenspraak is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming en is de omvang van deze verplichting dus anders indien een refoulementrisico wordt beoordeeld in het kader van toelating, dan wel in het kader van terugkeer?
voorafgaandaan het opleggen van een terugkeerbesluit en staat een vastgesteld refoulementrisico dan in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit of is een vastgesteld refoulementrisico in die situatie een uitzettingsbeletsel?
in elke procedurewaarin wordt vastgesteld dat (voorgezet) verblijf onrechtmatig is, verplicht is om
ambtshalvede eventuele niet-naleving van de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement vast te stellen op basis van de gegevens in het dossier die haar ter kennis zijn gebracht en zoals aangevuld of verduidelijkt in de bij haar gevoerde procedure op tegenspraak. De rechterlijke autoriteit is hiertoe verplicht ongeacht of de gevoerde procedure op tegenspraak is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming en de omvang van deze verplichting is identiek indien het refoulementrisico wordt beoordeeld in het kader van toelating, dan wel in het kader van terugkeer.
telkensindien de beslisautoriteit vaststelt dat (voortgezet) verblijf onrechtmatig is, het beginsel van non-refoulement dient te worden geëerbiedigd en dit een
actuele beoordeling van het refoulementrisicovereist.
Samenvatting
Procesverloop
Overwegingen
(…)
43 In dit verband dient er in de eerste plaats aan te worden herinnerd dat volgens artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/115, deze richtlijn van toepassing is op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen. Het begrip „illegaal verblijf” wordt in artikel 3, punt 2, van deze richtlijn omschreven als „de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat, van een onderdaan van een derde land die niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor toegang die zijn vastgesteld in artikel 5 van Pro de Schengengrenscode, of aan andere voorwaarden voor toegang tot, verblijf of vestiging in die lidstaat”.
44 Uit deze definitie volgt dat iedere onderdaan van een derde land die op het grondgebied van een lidstaat aanwezig is zonder te voldoen aan de voorwaarden voor toegang tot, dan wel verblijf of vestiging in die lidstaat, alleen al daardoor illegaal verblijft en dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt (zie in die zin arresten van 7 juni 2016, Affum, C‑47/15, EU:C:2016:408, punt 48, en 19 juni 2018, Gnandi, C‑181/16, EU:C:2018:465, punt 39).
45 Hieruit volgt dat de werkingssfeer van deze richtlijn uitsluitend wordt bepaald door de situatie van illegaal verblijf waarin een onderdaan van een derde land zich bevindt, ongeacht de redenen die aan die situatie ten grondslag liggen of de maatregelen die tegen hem kunnen worden genomen.
(…)
55 In dit verband moet nog worden gepreciseerd dat uit artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115 volgt dat de lidstaten, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dat artikel neergelegde uitzonderingen, verplicht zijn om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
(…)
uitsluitendten volle gewaarborgd indien de rechterlijke autoriteit verplicht is om ambtshalve na te gaan of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd en dus of is beoordeeld of het refoulementverbod aan (gedwongen) terugkeer in de weg staat.
voorafdient te gaan aan de oplegging van een terugkeerbesluit.
(…)
38 In herinnering dient echter te worden gebracht dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof is de juistheid te onderzoeken. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een verzoek van een nationale rechter wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen (arrest van 22 december 2008, Régie Networks, C‑333/07, EU:C:2008:764, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
(…)
(…)
84 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat de bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures alleen betrekking hebben op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten, aangezien deze richtlijn niet beoogt alle voorschriften van de lidstaten inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg regelt die richtlijn noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punten 44 en 45, en 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C‑673/19, EU:C:2021:127, punten 43 en 44].
(…)
(…)
32. De Nederlandse regering betoogt in de eerste plaats dat de prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat zij voorbarig zijn gesteld door de verwijzende rechter. Aangezien richtlijn 2008/115 alleen van toepassing is wanneer de betrokken derdelander illegaal verblijft op het grondgebied, is de uitlegging van die richtlijn, gelezen in samenhang met het Handvest, volgens deze regering niet noodzakelijk voor de beslechting van het hoofdgeding. De verwijzende rechter moet immers eerst vaststellen of X recht heeft op een verblijfsvergunning in Nederland.
33. Ter weerlegging van dit argument is het voldoende om te wijzen op de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke de nationale rechterlijke instanties zich tot het Hof kunnen wenden op elk tijdstip in de procedure dat zij daarvoor geschikt achten, zodat een verzoek om een prejudiciële beslissing niet niet-ontvankelijk kan worden verklaard op grond van het enkele feit dat het in een te vroeg stadium van de nationale procedure is ingediend. Voorts heeft het Hof zich reeds bereid verklaard te antwoorden op door een nationale rechter voorgelegde prejudiciële vragen op een tijdstip waarop die rechter nog niet had onderzocht of het geschil uitsluitend op grond van de nationale wetgeving kon worden beslecht.
(…)
geen nieuw terugkeerbesluitis genomen in het in het hoofdgeding te toetsen besluit, maar enkel is verwezen naar een eerder opgelegde en in rechte vaststaande terugkeerplicht, overweegt de rechtbank dat deze prejudiciële vragen nu juist betrekking hebben op de vraag of een dergelijke verwijzing naar een eerder opgelegd terugkeerbesluit verenigbaar is met het Unierecht. Artikel 5 Terugkeerrichtlijn Pro bepaalt met welke belangen rekening moet worden gehouden bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn en de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten onrechtmatig verblijf moeten vaststellen indien niet tot verblijfsaanvaarding wordt overgegaan. In dat kader rijst in het hoofdgeding de vraag of de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement, wat een beoordeling van het risico op refoulement impliceert, vereist dat deze beoordeling
voorafgaandaan de hernieuwde vaststelling van onrechtmatig verblijf dan wel verwijzing naar eerder vastgesteld onrechtmatig verblijf, plaatsvindt en of deze beoordeling dan steeds actueel dient te zijn en of, indien een actuele beoordeling wordt verricht dan ook een nieuw terugkeerbesluit moet worden genomen.
Rechtsvragen
IPlicht tot ambtshalve nagaan eerbiediging beginsel non-refoulement ?
(...)
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 33).
80 Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van Pro die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C‑38/14, EU:C:2015:260, punt 34).
(…)
ambtshalvevaststelt dat het risico op refoulement niet actueel en volledig is beoordeeld terwijl een terugkeerbesluit wordt genomen dan wel herleeft, invulling kan geven aan zijn verplichting om een doeltreffende voorziening in rechte te bieden en rechtsbescherming kan bieden door de eerbiediging van het refoulementverbod te waarborgen.
1 De bestuursrechter doet uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.
2 De bestuursrechter vult ambtshalve de rechtsgronden aan.
3 De bestuursrechter kan ambtshalve de feiten aanvullen.”
(…)
45. The Court notes at the outset that, although it has – as mentioned by the Delegate of the Commission – held the prohibition of torture or inhuman or degrading treatment contained in Article 3 of the Convention to be absolute in expulsion cases as in other cases (see, inter alia, the above-mentioned Chahal judgment, p. 1855, § 80), applicants invoking that Article are not for that reason dispensed as a matter of course from exhausting domestic remedies that are available and effective. It would not only run counter to the subsidiary character of the Convention but also undermine the very purpose of the rule set out in Article 26 of the Convention if the Contracting States were to be denied the opportunity to put matters right through their own legal system. It follows that, even in cases of expulsion to a country where there is an alleged risk of ill-treatment contrary to Article 3, the formal requirements and time-limits laid down in domestic law should normally be complied with, such rules being designed to enable the national jurisdictions to discharge their caseload in an orderly manner.
buiten toepassing laten van nationale procedureregels wegens Bahaddar-omstandigheden” [34] .
ambtshalvede eventuele niet-naleving van een door de betrokkene niet aan de orde gestelde rechtmatigheidsvoorwaarde
moetvaststellen.” (cursivering en onderstreping door de rechtbank)”.
(…)
81 Wat in de tweede plaats het recht van door een lidstaat in bewaring gestelde derdelanders op effectieve rechterlijke bescherming betreft, is het vaste rechtspraak dat de lidstaten krachtens artikel 47 van Pro het Handvest moeten zorgen voor effectieve rechterlijke bescherming van de aan het Unierecht ontleende individuele rechten (zie in die zin arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 142).
82 Voor de inbewaringstelling zijn gemeenschappelijke Unienormen inzake rechterlijke bescherming neergelegd in artikel 15, lid 2, derde alinea, van richtlijn 2008/115 en artikel 9, lid 3, van richtlijn 2013/33. Deze laatste bepaling is krachtens artikel 28, lid 4, van verordening nr. 604/2013 ook van toepassing op overdrachtsprocedures die onder deze verordening vallen.
83 Volgens deze bepalingen, die op het betrokken gebied een concrete invulling geven aan het in artikel 47 van Pro het Handvest gewaarborgde recht op effectieve rechterlijke bescherming (arrest van 14 mei 2020, Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Dél-alföldi Regionális Igazgatóság, C‑924/19 PPU en C‑925/19 PPU, EU:C:2020:367, punt 289), moet elke lidstaat, wanneer een administratieve autoriteit de inbewaringstelling heeft gelast, ambtshalve of op verzoek van de betrokkene voorzien in een „spoedige” rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring.
(…)
87 Wil een dergelijke beschermingsregeling daadwerkelijk de naleving verzekeren van de strikte voorwaarden waaraan de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring als bedoeld in richtlijn 2008/115, richtlijn 2013/33 of verordening nr. 604/2013 moet voldoen, dan moet de bevoegde rechterlijke autoriteit kunnen beslissen over elk relevant feitelijk en juridisch element om de rechtmatigheid te beoordelen. Daartoe moet zij rekening kunnen houden met de feitelijke omstandigheden en de bewijzen die zijn aangevoerd door de administratieve autoriteit die de aanvankelijke bewaring heeft gelast. Zij moet ook rekening kunnen houden met de feiten, bewijzen en opmerkingen die haar eventueel ter kennis zijn gebracht door de betrokkene. Zij moet ook elke andere voor haar beslissing relevante omstandigheid kunnen onderzoeken indien zij dat nodig acht. De bevoegdheden waarover zij bij een toetsing beschikt, kunnen in geen geval beperkt zijn tot louter de omstandigheden die door de administratieve autoriteit zijn aangevoerd (zie in die zin arresten van 5 juni 2014, Mahdi, C‑146/14 PPU, EU:C:2014:1320, punten 62 en 64, en 10 maart 2022, Landkreis Gifhorn, C‑519/20, EU:C:2022:178, punt 65).
88 Zoals de advocaat-generaal in punt 95 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, is het zo dat, gelet op het belang van het recht op vrijheid, de ernst van de inmenging in dat recht die voortvloeit uit de bewaring van personen om andere redenen dan de vervolging of bestraffing van strafbare feiten en de eis – die duidelijk naar voren komt in de door de Uniewetgever neergelegde gemeenschappelijke normen – om te zorgen voor een hoog niveau van rechtsbescherming waardoor wordt voldaan aan het absolute vereiste om de betreffende persoon in vrijheid te stellen wanneer niet of niet langer aan de voorwaarden voor de rechtmatigheid van de bewaring wordt voldaan, de bevoegde rechterlijke autoriteit rekening moet houden met alle haar ter kennis gebrachte, met name feitelijke, omstandigheden, zoals aangevuld of verduidelijkt in het kader van door haar naar nationaal recht nodig geachte procedurele maatregelen, en op basis daarvan, in voorkomend geval, de niet-naleving van een uit het Unierecht voortvloeiende rechtmatigheidsvoorwaarde moet vaststellen, ook al heeft de betrokkene daar niet op gewezen. Deze verplichting doet niet af aan de verplichting voor de rechterlijke autoriteit, die aldus een dergelijke rechtmatigheidsvoorwaarde ambtshalve aan de orde stelt, om elk van de partijen uit te nodigen om hun mening over deze voorwaarde kenbaar te maken overeenkomstig het beginsel van hoor en wederhoor.
89 In dit verband kan in het bijzonder niet worden aanvaard dat in de lidstaten waar de besluiten tot inbewaringstelling door een administratieve autoriteit worden genomen, de rechterlijke toetsing geen door de rechterlijke autoriteit op basis van de in het vorige punt van dit arrest genoemde omstandigheden verrichte beoordeling omvat waar het gaat om de vraag of er is voldaan aan een rechtmatigheidsvoorwaarde waarvan de betrokkene de schending niet aan de orde heeft gesteld, terwijl in de lidstaten waar besluiten tot inbewaringstelling moeten worden genomen door een rechterlijke autoriteit, die autoriteit een dergelijke beoordeling ambtshalve moet verrichten aan de hand van deze omstandigheden.
90 De in punt 88 van dit arrest gegeven uitlegging waarborgt dat de rechterlijke bescherming van het grondrecht op vrijheid in alle lidstaten effectief wordt gewaarborgd, ongeacht of deze lidstaten voorzien in een systeem waarin het bevel tot bewaring wordt gegeven door een administratieve autoriteit en aan rechterlijke toetsing is onderworpen, dan wel in een systeem waarin dat bevel rechtstreeks door een rechterlijke autoriteit wordt gegeven.
91 Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door de door de Raad van State aangehaalde rechtspraak van het Hof volgens welke het Unierecht, gelet op het beginsel dat in een geding het initiatief bij de partijen ligt, de nationale rechter niet verplicht om ambtshalve aan de schending van het Unierecht ontleende rechtsgronden in het geding te brengen wanneer hij voor het onderzoek van deze rechtsgronden buiten de grenzen van het door de partijen afgebakende geding zou moeten treden door zich te baseren op andere feiten en omstandigheden dan die welke de partij die belang heeft bij de toepassing van de desbetreffende bepalingen, aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (zie met name arresten van 14 december 1995, Van Schijndel en van Veen, C‑430/93 en C‑431/93, EU:C:1995:441, punten 21 en 22; 7 juni 2007, Van der Weerd e.a., C‑222/05–C‑225/05, EU:C:2007:318, punten 35 en 36, en 7 september 2021, Klaipėdos regiono atliekų tvarkymo centras, C‑927/19, EU:C:2021:700, punt 145).
92 Het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel leidt immers tot een situatie die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten.
93 Bijgevolg geldt de verplichting voor de met het toezicht op de rechtmatigheid van bewaringsmaatregelen belaste rechterlijke autoriteiten om, aan de hand van de in punt 88 van dit arrest genoemde omstandigheden, ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd, ongeacht de in punt 91 van dit arrest genoemde rechtspraak en de door de Raad van State in het licht van het arrest van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, EU:C:2007:318, punten 29‑31), gestelde vraag of de relevante wettelijke bepalingen van openbare orde zijn.
(…)
(…)
11 Het terugkeerhandboek is opgenomen in de bijlage bij aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk „terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken (PB 2017, L 339, blz. 83) (hierna: „terugkeerhandboek”). Zoals blijkt uit punt 2 van deze aanbeveling, vormt dit handboek het belangrijkste instrument voor de autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de uitvoering van taken in verband met de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.
(…)
kán en moetbieden afhankelijk is van deze keuze van de lidstaat. In die lidstaten waar de rechter belast is met de met de vaststelling van onrechtmatig verblijf en de oplegging van een terugkeerbesluit, is de rechter in staat en verplicht om te allen tijde de naleving van het refoulementverbod te waarborgen. In die lidstaten waar de administratieve autoriteit belast is met de met de vaststelling van onrechtmatig verblijf en de oplegging van een terugkeerbesluit, dient de rechter óók in staat en verplicht te zijn om te allen tijde de naleving van het refoulementverbod te waarborgen. Het refoulementverbod is immers absoluut en ongeacht in welke lidstaat wordt vastgesteld dat (voort)gezet verblijf onrechtmatig is, heeft de derdelander aan wie een terugkeerbesluit wordt opgelegd, dan wel daartoe een voornemen bestaat, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte om te voorkomen dat zijn grondrechten zoals gewaarborgd in artikelen 1, 2, 4 en 19, tweede lid, Handvest worden geschonden.
ambtshalvede eventuele niet-naleving van het door betrokkene niet (in volle omvang) aan de orde gestelde beginsel van non-refoulement
moetvaststellen.
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement
(…)
voorafgaandaan de oplegging van een terugkeerbesluit en ook aan de oplegging van een terugkeerbesluit in de weg kunnen staan. Artikel 9, eerste lid onder a, Terugkeerrichtlijn voorziet enkel in het uitstellen van de verwijdering door de lidstaat in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, maar bepaalt niet dat de vertrekplicht voor de niet rechtmatig verblijvende derdelander in die situatie ook moet worden uitgesteld. De vraag komt dan op of indien de vaststelling van onrechtmatig verblijf plaatsvindt in een procedure die niet is ingeleid met een verzoek om internationale bescherming, een mogelijk refoulementrisico aan de oplegging van een terugkeerbesluit in de weg staat, of dat een terugkeerbesluit dient te worden opgelegd en dit dan enkel een vertrekplicht voor de niet rechtmatig verblijvende derdelander behelst. Om vrijwillig te kunnen voldoen aan een vertrekplicht hoeft immers niet te worden teruggekeerd naar het land van herkomst, maar volstaat het als het grondgebied van de Unie wordt verlaten, terwijl de lidstaat de derdelander in beginsel dient te verwijderen naar zijn land van herkomst om aan zijn verwijderplicht te voldoen.
alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigentegen een niet-begeleide minderjarige, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig moet toetsen, rekening houdend met het belang van het kind en aldus geduid dat het ontbreken van adequate opvang in het land van herkomst in de weg staat aan de oplegging van een terugkeerbesluit. In het arrest X heeft het Hof het Unierecht aldus geduid dat de gezondheidstoestand van de betrokken derdelander betrokken moet wordt bij de vraag of een terugkeerbesluit kan worden opgelegd en dus niet enkel een uitzettingsbeletsel is als de terugkeerplicht reeds is vastgesteld door te overwegen dat “de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven
eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluitof verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd.”.
39 In casu heeft het hoofdgeding betrekking op een niet-begeleide minderjarige die volgens de betrokken lidstaat niet in aanmerking komt voor een vluchtelingenstatus of subsidiaire bescherming, en aan wie geen verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is toegekend.
40 Een onderdaan van een derde land die zich in een dergelijke situatie bevindt, valt op grond van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/115 – en onder voorbehoud van lid 2 van dat artikel – binnen de werkingssfeer van die richtlijn. Hij is dus in beginsel met het oog op zijn verwijdering onderworpen aan de gemeenschappelijke normen en procedures waarin die richtlijn voorziet, zolang zijn verblijf niet – in voorkomend geval – is geregulariseerd (zie in die zin arrest van 19 maart 2019, Arib e.a., C 444/17, EU:C:2019:220, punt 39).
41 In dit verband zij eraan herinnerd dat de lidstaten volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115, onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 van dit artikel vermelde uitzonderingen, een terugkeerbesluit uitvaardigen tegen onderdanen van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijven.
(…)
50 De Nederlandse regering leidt hieruit af dat de betrokken lidstaat een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige mag uitvaardigen zonder zich er vooraf van te overtuigen dat die minderjarige wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer. Volgens deze regering geldt die verplichting pas in de fase van de verwijdering van het grondgebied van de betrokken lidstaat.
51 Het bestaan van die verplichting ontslaat de betrokken lidstaat evenwel niet van de andere controleverplichtingen krachtens richtlijn 2008/115. In het bijzonder bepaalt artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115, zoals in punt 43 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat in alle fasen van de procedure rekening wordt gehouden met het belang van het kind.
(…)
58 Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de lidstaten op grond van artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 („Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand”) verplicht zijn om bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn naar behoren rekening te houden met het belang van het kind, het familie- en gezinsleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land, alsook om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen [arresten van 11 december 2014, Boudjlida, C 249/13, EU:C:2014:2431, punt 48, en 8 mei 2018, K. A. e.a. („Gezinshereniging in België”), C 82/16, EU:C:2018:308, punt 102].
59 Hieruit volgt dat wanneer de bevoegde nationale autoriteit voornemens is een terugkeerbesluit uit te vaardigen, zij aan de door artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 opgelegde verplichtingen moet voldoen en zij de betrokkene daarover moet horen. Bovendien volgt uit deze rechtspraak dat de betrokken lidstaat, wanneer deze voornemens is een terugkeerbesluit tegen een niet-begeleide minderjarige uit te vaardigen, die minderjarige moet horen over de omstandigheden waarin hij in het land van terugkeer kan worden opgevangen.
(…)
79 Volgens de rechtspraak van het Hof verplicht artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/115 de lidstaten ertoe om, wanneer een terugkeerbesluit is uitgevaardigd tegen een onderdaan van een derde land maar deze niet aan de terugkeerverplichting heeft voldaan, ongeacht of dat het geval is binnen de voor vrijwillig vertrek toegestane termijn dan wel of geen termijn daarvoor is toegekend, teneinde de doeltreffendheid van de terugkeerprocedures te verzekeren, de nodige maatregelen te nemen voor de verwijdering van de betrokkene, namelijk diens fysieke verwijdering uit die lidstaat volgens artikel 3, punt 5, van die richtlijn (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C 38/14, E0. Voorts zij eraan herinnerd dat de lidstaten, zoals volgt uit zowel hun loyaliteitsplicht als de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 in herinnering worden gebracht, zo spoedig mogelijk moeten voldoen aan de hun bij artikel 8 van Pro die richtlijn opgelegde verplichting om bedoelde onderdaan in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen te verwijderen (arrest van 23 april 2015, Zaizoune, C 38/14, EU:C:2015:260, punt 34).U:C:2015:260, punt 33).
(…)
84 In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat de bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures alleen betrekking hebben op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten, aangezien deze richtlijn niet beoogt alle voorschriften van de lidstaten inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg regelt die richtlijn noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C 82/16, EU:C:2018:308, punten 44 en 45, en 24 februari 2021, M e.a. (Overbrenging naar een lidstaat), C 673/19, EU:C:2021:127, punten 43 en 44].
(…)
88 In de tweede plaats moet evenwel worden opgemerkt dat het hoofddoel van richtlijn 2008/115 erin is gelegen om een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zoals volgt uit de overwegingen 2 en 4 daarvan, met volledige eerbiediging van de grondrechten en de waardigheid van de betrokkenen (arrest van 19 juni 2018, Gnandi, C 181/16, EU:C:2018:465, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
89 Hieruit volgt dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, ook wanneer zij voornemens zijn een terugkeerbesluit of een verwijderingsmaatregel vast te stellen ten aanzien van een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander, de door het Handvest aan die derdelander toegekende grondrechten moeten eerbiedigen (arrest van 11 juni 2015, Zh. en O., C 554/13, EU:C:2015:377, punt 69).
90 Dat geldt onder meer voor het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie en gezinsleven van die derdelander, zoals gewaarborgd door artikel 7 van Pro het Handvest. Dit recht, dat de verwijzende rechter specifiek heeft aangeduid in zijn vierde vraag, komt overeen met het in artikel 8 EVRM Pro verankerde recht, zodat hieraan dezelfde inhoud en reikwijdte moet worden toegekend [arrest van 18 juni 2020, Commissie/Hongarije (Transparantie van verenigingen), C 78/18, EU:C:2020:476, punt 122 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91 In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat artikel 5, eerste alinea, onder b), van richtlijn 2008/115 zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het familie- en gezinsleven van de betrokken derdelander [arrest van 8 mei 2018, K.A. e.a. (Gezinshereniging in België), C 82/16, EU:C:2018:308, punt 104].
92 Hoewel dit artikel 5 het Pro privéleven van de illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander niet vermeldt als een van de factoren waarmee de lidstaten rekening moeten houden bij de uitvoering van richtlijn 2008/115, volgt uit de punten 88 tot en met 90 van het onderhavige arrest dat geen terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel kan worden vastgesteld indien daarmee inbreuk zou worden gemaakt op het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken derdelander.
95 Zoals wordt bevestigd door artikel 5, eerste alinea, onder c), en artikel 9, lid 2, onder a), van richtlijn 2008/115, kan de bevoegde nationale autoriteit dus pas een terugkeerbesluit vaststellen of overgaan tot de verwijdering van een derdelander wanneer zij rekening heeft gehouden met de gezondheidstoestand van de betrokkene.
(…)
(…)
22 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat het belang van het kind en zijn familie- en gezinsleven worden beschermd in het kader van een procedure die leidt tot de vaststelling van een ten aanzien van een minderjarige uitgesproken terugkeerbesluit, dan wel of het volstaat dat deze minderjarige zich dienstig op deze twee beschermde belangen kan beroepen in het kader van een daaropvolgende procedure betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van dat besluit, teneinde in voorkomend geval opschorting van die tenuitvoerlegging te verkrijgen.
23 In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 niet restrictief mag worden uitgelegd, gelet op de doelstelling ervan om in het kader van de bij deze richtlijn ingestelde terugkeerprocedure de eerbiediging te waarborgen van meerdere grondrechten, waaronder de grondrechten van het kind, zoals die zijn neergelegd in artikel 24 van Pro het Handvest [arrest van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C‑112/20, EU:C:2021:197, punt 35].
24 Artikel 5, onder a), van richtlijn 2008/115 en artikel 24, lid 2, van het Handvest vereisen dus dat het belang van het kind in alle fasen van de procedure wordt beschermd [zie in die zin arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van een niet-begeleide minderjarige), C‑441/19, EU:C:2021:9, punt 54], terwijl artikel 5, onder b), van deze richtlijn de lidstaten verplicht ook naar behoren rekening te houden met het gezinsleven [zie in die zin arrest van 11 maart 2021, Belgische Staat (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C‑112/20, EU:C:2021:197, punt 41].
25 Artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 verzet er zich dan ook tegen dat een lidstaat een terugkeerbesluit uitvaardigt zonder rekening te houden met de relevante aspecten van het gezinsleven van de betrokken derdelander die deze heeft aangevoerd om zich tegen de vaststelling van een dergelijk besluit te verzetten [arrest van 8 mei 2018, K. A. e.a. (Gezinshereniging in België), C‑82/16, EU:C:2018:308, punt 104].
26 Meer bepaald moet de betrokken lidstaat, alvorens tegen een niet-begeleide minderjarige een terugkeerbesluit uit te vaardigen, de situatie van die minderjarige algemeen en grondig toetsen, rekening houdend met het belang van het kind [zie in die zin arrest van 14 januari 2021, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Terugkeer van de ouder van een minderjarige), C‑441/19, EU:C:2021:9, punt 60].
27 Bijgevolg verzet artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich tegen nationale rechtspraak volgens welke de verplichting om bij de uitvaardiging van een bevel om het grondgebied te verlaten op straffe van verwijdering rekening te houden met het belang van het kind en het familie- en gezinsleven van het kind, wordt geacht te zijn nageleefd zolang de verwijdering niet wordt uitgevoerd.
28 Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat het belang van het kind en zijn familie- en gezinsleven worden beschermd in het kader van een procedure die leidt tot de vaststelling van een ten aanzien van een minderjarige uitgesproken terugkeerbesluit, en dat het niet volstaat dat deze minderjarige zich dienstig op deze twee beschermde belangen kan beroepen in het kader van een daaropvolgende procedure betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van dat besluit, teneinde in voorkomend geval opschorting van die tenuitvoerlegging te verkrijgen.
(…)
alvorenseen terugkeerbesluit wordt opgelegd.
nadatwordt vastgesteld dat (voortgezet) verblijf onrechtmatig is, het risico op refoulement dient te worden beoordeeld
alvorenseen terugkeerbesluit wordt opgelegd en of indien in deze situatie en in deze fase van het geding wordt geoordeeld dat het refoulementrisico aan terugkeer naar het land van herkomst in de weg staat, het refoulementrisico in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, dan wel de lidstaat wel verplicht is een terugkeerbesluit te nemen maar vervolgens de verwijdering moet uitstellen.
de aard van het beletselom een terugkeerbesluit op te kunnen leggen, ook de mogelijkheden voor de derdelander om vrijwillig te kunnen voldoen aan een vertrekplicht.
75 Ten aanzien van de aanwijzing van de verwijzende rechter dat de indiening van een asielverzoek door een persoon die voorwerp van een terugkeerprocedure is, volgens zijn eigen rechtspraak tot gevolg heeft dat enig terugkeerbesluit dat in het kader van die procedure is vastgesteld van rechtswege vervalt, moet worden benadrukt dat het nuttig effect van richtlijn 2008/115 hoe dan ook vereist dat een krachtens deze richtlijn ingeleide procedure, in het kader waarvan een terugkeerbesluit, in voorkomend geval gepaard gaand met een inreisverbod, is vastgesteld, kan worden hervat in het stadium waarin zij is onderbroken als gevolg van de indiening van een verzoek om internationale bescherming, zodra dat verzoek in eerste aanleg is afgewezen. De lidstaten mogen immers niet de verwezenlijking van de met deze richtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van een doeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen, in gevaar brengen (zie in die zin arrest El Dridi, C 61/11 PPU, EU:C:2011:268, punt 59).
76 Zowel uit de loyaliteitsverplichting van de lidstaten die uit artikel 4, lid 3, VEU voortvloeit en die in punt 56 van het arrest El Dridi (C 61/11 PPU, EU:C:2011:268) in herinnering is gebracht, als uit de vereisten van doeltreffendheid die met name in overweging 4 van richtlijn 2008/115 zijn vermeld, volgt immers dat aan de bij artikel 8 van Pro die richtlijn aan de lidstaten opgelegde verplichting om in de in lid 1 van dat artikel genoemde gevallen tot verwijdering over te gaan, zo spoedig mogelijk moet worden voldaan (zie in die zin arrest Achughbabian, C 329/11, EU:C:2011:807, punten 43 en 45). Aan die verplichting zou niet zijn voldaan indien de verwijdering vertraging zou oplopen als gevolg van het feit dat een procedure als in het vorige punt omschreven niet in het stadium waarin zij is onderbroken moet worden hervat, maar van het begin af aan zou moeten worden gevoerd na de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming in eerste aanleg.
(…)
80 Zoals reeds is vastgesteld in de punten 75 en 76 van het onderhavige arrest, moet een procedure die krachtens richtlijn 2008/115 is ingeleid, in het kader waarvan een terugkeerbesluit, in voorkomend geval gepaard gaand met een inreisverbod, is vastgesteld, worden hervat in het stadium waarin zij is onderbroken als gevolg van de indiening van een verzoek om internationale bescherming zodra dit verzoek in eerste aanleg is afgewezen, zodat een dergelijke procedure nog steeds „hangende” is in de zin van artikel 5, lid 1, onder f, tweede zinsdeel, van het EVRM.
(…)
(…)
12. PROCEDURELE WAARBORGEN
wélvereist is indien de naleving van dat beginsel niet reeds in eerdere procedures is beoordeeld, dan wel dat sinds deze beoordeling aanzienlijke tijd is verstreken. In het Terugkeerhandboek is in paragraaf 9 ook gewezen op het absolute karakter van het verbod van refoulement:
Conclusie en prejudiciële vragen
Beslissing
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 133 geformuleerde vragen;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.