ECLI:NL:RBDHA:2025:12174

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
9 juli 2025
Zaaknummer
NL25.19686
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 4, vijfde lid, KwalificatierichtlijnArt. 31, zesde lid, Vwartikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering over reisroute en geloofwaardigheid

Eiser, een Somalische asielzoeker, diende op 29 april 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 2 april 2025 af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van de gestelde problemen met de terreurgroep Al-Shabaab. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht concludeerde dat de verklaringen over ontvoering en mishandeling niet samenhangend en aannemelijk waren, mede vanwege onlogische elementen zoals de eenvoudige ontsnapping en het terugkeren naar het ouderlijk huis.

Daarnaast stelde de minister dat eiser per vliegtuig van Mogadishu naar Bulo Burde kon reizen, maar de rechtbank stelt vast dat deze motivering onvoldoende is onderbouwd. Er is geen bewijs van reguliere passagiersvluchten en de veiligheid van de landroute is niet beoordeeld, wat een motiveringsgebrek oplevert.

De rechtbank wijst ook het beroep af dat het vier-ogenprincipe niet is toegepast, aangezien dit geen schending van zorgvuldigheid oplevert. De medische situatie van eiser is voldoende in acht genomen bij het gehoor. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering over de reisroute en onvoldoende beoordeling van de veiligheid, met opdracht tot nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.19686

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

geboren op [datum]
van Somalische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het niet mee eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft kunnen oordelen dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 29 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser verklaart dat hij op de terugweg vanuit school naar huis bij zijn naam werd geroepen door een onbekende man. De man toonde een pistool en dwong de eiser en diens metgezel mee te lopen. Ze werden naar een geblindeerde minibus gebracht, waar een tweede man hen opdroeg in te stappen. Vervolgens werden ze naar een bos gebracht daar ontmoetten zij een man die zich voorstelde als lid van Al-Shabaab. Op diens verzoek om zich aan te sluiten, gaf de eiser geen antwoord. De daaropvolgende drie dagen werd eiser mishandeld: hij moest water halen, werd in een kuil vastgezet en moest op zijn buik liggen met een zak zand op zijn rug en met zijn gezicht in de modder. Op de vierde dag werd eiser wederom op pad gestuurd om water te halen. Tijdens deze tocht merkte zijn vriend dat zij slechts werden begeleid door een oudere man met een stok. Daarop grepen zij hun kans en zijn zij gevlucht. Eenmaal thuis, kwamen er de volgende dag onbekende mannen bij eiser aan de deur. Kort daarna vond er een explosie plaats in de woning, waarbij eisers broer en zus om het leven kwamen. Uit vrees voor zijn leven is eiser daarop gevlucht.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- eisers problemen met Al- Shabaab.
4.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht de gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister acht de eenvoudige wijze waarop eiser is ontsnapt niet in verhouding met de inspanning die Al-Shabaab zou hebben verricht om eiser te rekruteren. Bovendien meent de minister het onlogisch is dat eiser is teruggekeerd naar de ouderlijke woning en daar enige tijd heeft verbleven, terwijl Al-Shabaab hem daar, volgens zijn eigen verklaringen, eenvoudig kon terugvinden. Verder acht de minister het verband tussen de bomaanslag en Al-Shabaab niet geloofwaardig, nu eiser dit verband niet met enig ondersteund bewijsmateriaal heeft onderbouwd en de problemen met Al Shabaab niet geloofwaardig worden geacht.
4.2.
De minister heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat
sprake is van gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, omdat de gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
5. Eiser kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens hem in dit verband is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in.
Het vier-ogenprincipe
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat het vier-ogenprincipe ten onrechte niet is toegepast. Volgens eiser is het onzorgvuldig dat één en dezelfde medewerker van de IND zowel het gehoor heeft afgenomen als het voornemen heeft opgesteld.
6.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) in haar uitspraak van 5 september 2019 [2] heeft geoordeeld dat het niet toepassen van het vier-ogenprincipe [3] op zichzelf genomen geen schending van de zorgvuldigheid oplevert. Er bestaat geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat het afnemen gehoor en het uitbrengen van het voornemen niet door een en dezelfde medewerker mag worden gedaan. De rechtbank ziet in het betoog van eiser geen aanleiding om in dit geval van dit oordeel af te wijken. De enkele stelling dat eiser kwetsbaar is en dat het voor de objectiviteit beter zou zijn geweest als verschillende medewerkers betrokken waren geweest, is daartoe onvoldoende. Uit het dossier blijkt niet dat sprake is geweest van onzorgvuldigheid of vooringenomenheid van de beslismedewerker. Bovendien is het bestreden besluit genomen door een andere medewerker dan degene die het gehoor heeft afgenomen en het voornemen heeft uitgebracht, zodat meer dan één medewerker betrokken is bij de besluitvorming.
Referentiekader
7. Eiser stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader, in het bijzonder zijn kwetsbaarheid als getraumatiseerde minderjarige asielzoeker. Hij voert aan dat hij als gevolg van zijn psychische toestand tijdens de reis geen kritische vragen kon stellen aan mensensmokkelaars en tijdens het gehoor geneigd was sociaal wenselijke antwoorden te geven.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn gestelde psychische klachten, en de invloed daarvan op zijn vermogen om te verklaren, met objectieve en controleerbare medische gegevens te onderbouwen. De overgelegde medische informatie, waaronder de ontslagbrief van de GGZ, bevat echter geen concrete aanknopingspunten om te onderbouwen dat eiser ten tijde van het gehoor dermate psychisch beperkt was dat hij niet in staat zou zijn geweest tot het afleggen van samenhangende verklaringen. In de ontslagbrief is evenmin toegelicht op welke wijze eventuele traumaklachten het gehoor zouden hebben beïnvloed.
7.2.
Daarnaast blijkt uit het advies van MediFirst — dat voorafgaand aan het gehoor is uitgebracht — dat eiser heeft aangegeven slaapklachten te hebben die kunnen leiden tot vermoeidheid overdag en tot concentratieproblemen en dat de minister hier extra rekening mee kan houden door het aanbieden van een extra pauze of wat drinken. Er zijn geen belemmeringen geconstateerd die maken dat eiser niet duidelijk en volledig zou kunnen verklaren. De minister heeft terecht gesteld dat dit advies is opgesteld door een deskundige en als leidend kan worden beschouwd bij de beoordeling van eisers vermogen om te verklaren. De minister heeft verder inzichtelijk gemaakt dat met deze medische beoordeling rekening is gehouden tijdens het gehoor. Zo is eiser aan het begin van het gehoor gevraagd of hij spanning ervaarde, waarop hij aangaf dat dit niet het geval was. Tevens is hem meegedeeld dat hij te allen tijde om een pauze kon verzoeken, ook los van het pauzemoment dat door de hoorambtenaar zou worden voorgesteld. Daarnaast is tijdens het gehoor herhaaldelijk gevraagd hoe het met hem ging, waarop eiser telkens antwoordde dat het goed ging. Verder is niet gebleken dat eiser moeite had met het gehoor of dat hij klachten hierover heeft geuit. Daarbij heeft de minister op de zitting toegelicht dat het gehoor is afgenomen door een ambtenaar die specifiek is opgeleid om minderjarigen te horen, hetgeen de zorgvuldigheid van het gehoor verder ondersteunt. Bovendien was tijdens het gehoor de wettelijk voogd van eiser aanwezig, hetgeen ook bijdraagt aan een zorgvuldige behandeling.
7.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende kenbaar en zorgvuldig rekening heeft gehouden met het referentiekader en de medische situatie van eiser, zowel bij het afnemen van het gehoor als bij de beoordeling van diens verklaringen in het bestreden besluit. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Toetsingskader
8. In de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling wordt onderscheid gemaakt tussen twee stappen. In stap 1 gaat het om het verzamelen van informatie. De vreemdeling zal alle relevante elementen ter staving van zijn asielaanvraag moeten indienen. Bij het vaststellen van de relevante feiten en omstandigheden is sprake van een samenwerkingsverplichting tussen de vreemdeling en de minister. De minister zal in stap 1 uiteindelijk de asielmotieven vaststellen en die daarna op geloofwaardigheid toetsen (stap 2). Stap 2 gaat over de daadwerkelijke beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. In stap 2 wordt onderscheid gemaakt tussen stap 2a en stap 2b. In stap 2a wordt beoordeeld of een vreemdeling voldoende bewijsmateriaal heeft overgelegd om het betreffende asielmotief aannemelijk te maken. Als aan stap 2a niet wordt voldaan, gaat de minister over naar stap 2b. In die stap toetst de minister aan de vijf cumulatieve voorwaarden om de geloofwaardigheid te beoordelen. In WI 2024/6 is bepaald dat als het asielmotief niet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden voldoet, het asielmotief niet geloofwaardig is. In de Vreemdelingencirculaire is aangegeven dat als niet aan alle vijf de voorwaarden is voldaan het asielmotief niet geloofwaardig is.
8.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het toetsingskader van de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals neergelegd in Werkinstructie 2024/6 en paragraaf C1/4.4.3. van de Vreemdelingencirculaire (Vc), strijdig is met het Unierecht. Eiser heeft in dat verband verwezen naar de inhoud van de prejudiciële vragen die door de rechtbank Roermond [4] zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof).
8.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De minister mag van de eiser verlangen dat hij zijn asielaanvraag, waar mogelijk, met objectieve bewijsmiddelen onderbouwd. In het geval van eiser zijn er geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn relaas. Dit laat onverlet dat eiser ook zonder objectieve documenten alsnog de gelegenheid moet krijgen om zijn asielmotieven aannemelijk te maken door samenhangende en aannemelijke verklaringen daarover af te leggen. [5] De minister moet alle omstandigheden van het specifiek geval in samenhang beoordelen om tot een conclusie over geloofwaardigheid te komen. Toegepast op de zaak van eiser betekent dit dat de minister, net als voorheen, geen stukken of verklaringen buiten beschouwing mag laten. De minister heeft in het onderhavige geval alle feiten en omstandigheden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en is uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser. Niet gebleken is dat de beoordeling van eisers aanvraag inhoudelijk afwijkt van de beoordeling die onder de voorgaande werkinstructie zou hebben plaatsgevonden. De beroepsgrond van eiser dat de minister met de in eisers zaak gevolgde werkwijze een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd slaagt dus niet. De rechtbank acht gelet hierop het niet noodzakelijk om de beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag door het Hof af te wachten en is dan ook in staat om uitspraak te doen in de onderhavige procedure.
Heeft de minister de problemen met Al-Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig geacht?
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat de door eiser gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. De minister heeft in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat eisers verklaringen over de ontvoering, ontsnapping en de gebeurtenissen nadien geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, en deels berusten op niet-onderbouwde aannames.
9.1.
Ten aanzien van de gestelde ontsnapping van eiser en de andere jongen heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over de plotselinge verminderde van de bewaking op de vierde dag van zijn gevangenschap onvoldoende overtuigend is. Hoewel eiser in zijn zienswijze heeft toegelicht dat hij en de andere jongen zwaar zijn gemarteld en zich 'meer dood dan levend' voelden, heeft de minister in redelijkheid kunnen oordelen dat dit onvoldoende verklaart waarom eiser, ondanks het bestaande wervingsbelang van Al-Shabaab, al op de vierde dag enkel onder toezicht van een ongewapende oudere man zou zijn geplaatst. De minister heeft er in dit verband terecht op gewezen dat, gelet op het door eiser gestelde belang van Al-Shabaab bij zijn rekrutering en de moeite die reeds in de rekrutering van eiser was gestoken, een voortzetting van de strenge en voortdurende bewaking te verwachten was. Daarbij komt dat eiser heeft verklaard dat hij in de voorgaande dagen werd bewaakt door meerdere, met vuurwapens uitgeruste mannen. Zo werden hij en zijn vriend bij het ophalen van water telkens begeleid door meerdere gewapende mannen. In het licht van deze verklaringen
heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat eiser en zijn vriend — ondanks hun fysieke toestand — op enig moment slechts onder toezicht van een ongewapende oudere man zouden zijn gelaten.
9.2.
Daarnaast heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser na zijn ontsnapping is teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis en daar een nacht en een deel van de volgende dag heeft verbleven. Niet valt in te zien waarom eiser naar eigen zeggen naar zijn ouderlijk huis zou terugkeren, nu hij zelf heeft verklaard dat Al-Shabaab hem eerder herkende en op straat aansprak, en hem dus zeker eenvoudig kon lokaliseren in de woning van zijn ouders. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat het ook onaannemelijk is dat eisers ouders hem thuis zouden laten verblijven, gelet op de gestelde dreiging van Al-Shabaab en de wetenschap van zijn ouders dat dit een gevaarlijke groepering betreft. De stelling van eiser dat Al-Shabaab overal is geïnfiltreerd en dat hij niemand anders in de stad kon vertrouwen, maakt dit niet anders. Juist als Al-Shabaab overal aanwezig is, ligt het niet voor de hand dat eiser na zijn vlucht op zo’n bekende plek zou blijven.
9.3.
De minister heeft verder in redelijkheid geoordeeld dat het door eiser gestelde verband tussen zijn problemen met Al-Shabaab en de bomaanslag op zijn woning niet geloofwaardig is. De minister heeft, anders dan eiser stelt, niet ten onrechte geoordeeld dat zijn verklaringen over de betrokkenheid van Al-Shabaab bij latere problemen en de bomaanslag op aannames berusten. Eiser heeft deze verklaringen niet onderbouwd. Er is geen sprake van ondersteunend bewijs, zoals documenten, foto’s of getuigenverklaringen, en de stelling dat “Al-Shabaab alles weet” betreft niet meer dan een vermoeden. Daarnaast is van belang dat eiser heeft verklaard dat hij niet wist wie er aan de deur stond voorafgaand aan de bomaanslag — het ging volgens hem om onbekende personen. Daarbij komt dat de eerdere ontvoering door Al-Shabaab ongeloofwaardig is geacht, zodat er voor de minister geen aanleiding bestaat om eisers stelling, dat het wel Al-Shabaab moet zijn gezien zijn eerdere problemen, te volgen.
9.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser zijn verklaringen over de gestelde problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat dit asielmotief ongeloofwaardig is.
Reëel risico op ernstige schade
Recente landeninformatie
10. Ten aanzien van het betoog van eiser dat de minister ten onrechte het nieuwe ambtsbericht niet bij de beoordeling heeft betrokken, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het algemene ambtsbericht Somalië van april 2025 eerst op 4 april 2025 is gepubliceerd, terwijl het bestreden besluit dateert van 2 april 2025. Aangezien het nieuwe ambtsbericht ten tijde van het bestreden besluit nog niet beschikbaar was, kon het niet worden betrokken bij de besluitvorming. Van een motiverings- of zorgvuldigheidsgebrek is dan ook geen sprake.
Kan eiser vanuit vanuit Mogadishu naar Bulo Burde reizen?
11. Eiser betwist de stelling van de minister dat hij per vliegtuig van Mogadishu naar Bulo Burde zou kunnen reizen en verwijst naar een tweetal documenten. Eiser stelt dat hij in het verleden met hulp van derden per vrachtvliegtuig van Bulo Burde naar Mogadishu is gereisd, en dat er geen sprake is van reguliere passagiersvluchten op deze route. Het vliegveld in Bulo Burde is bovendien herhaaldelijk aangevallen en passagiersvluchten tussen beide locaties zijn niet beschikbaar en niet te boeken. Eiser is dan ook van mening dat de minister, gelet op de samenwerkingsverplichting, had moeten onderbouwen dat een reis per passagiersvlucht naar Bulo Burde wel mogelijk is, zeker in het licht van de recente veiligheidssituatie in en rond de stad.
11.1.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat de motivering in het bestreden besluit, voor zover daarin is aangenomen dat eiser per vliegtuig van Mogadishu naar Bulo Burde kan reizen, onvoldoende deugdelijk is. Het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 geeft een overzicht van onder meer de binnenlandse vliegverbindingen. [6] Uit dit overzicht volgt niet dat er reguliere binnenlandse passagiersvluchten worden aangeboden op Bulo Burde. De enkele omstandigheid dat eiser in het verleden met hulp van derden per vrachtvliegtuig naar Mogadishu is gereisd, vormt onvoldoende grond om aan te nemen dat deze route voor eiser momenteel toegankelijk is. Niet is gebleken dat eiser destijds heeft gereisd met een reguliere binnenlandse vlucht, en evenmin dat dergelijke vluchten thans beschikbaar zijn. In het licht van de actuele veiligheidssituatie en de eerdere herhaalde aanvallen op het vliegveld in Bulo Burde, had het op de weg van de minister gelegen om nader te onderbouwen dat deze reisroute daadwerkelijk een realistische en veilige optie vormt. In zoverre slaagt deze beroepsgrond van eiser.
11.2.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het bestreden besluit ook niet is ingegaan op de door eiser in zijn zienswijze overgelegde documenten en aangehaalde informatie met betrekking tot de veiligheid van de route over land van Mogadishu naar Bulo Burde. Gelet op hetgeen onder 11.1 is overwogen – waarin is geconcludeerd dat het standpunt dat eiser per vliegtuig naar Bulo Burde kan reizen onvoldoende is gemotiveerd – acht de rechtbank een beoordeling van de landroute noodzakelijk. Nu de minister in het bestreden besluit niet gemotiveerd is ingegaan op de gestelde risico’s van de route over land en evenmin concreet heeft onderbouwd dat eiser deze reis zonder reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM kan afleggen, is ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. De motivering in het bestreden besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk.
12. Het beroep is gelet op de bovenstaande overwegingen onder 11.1. en 11.2. gegrond.
Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
13. Voor wat betreft de beroepsgrond gericht tegen artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, waarin eiser stelt dat de minister – gelet op recente landeninformatie – nader had moeten motiveren waarom geen sprake is van een situatie van willekeurig geweld in de regio van herkomst, overweegt de rechtbank als volgt. Nu het beroep al gegrond is op basis van de hiervoor besproken gronden, komt de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond niet toe. De minister zal zich hierover moeten uitlaten bij het nemen van een nieuw besluit, mede op basis van de dan beschikbare informatie.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister heeft het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De minister dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 2 april 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Het vier-ogenprincipe houdt in dat minimaal twee medewerkers van de IND kenbaar worden betrokken bij het horen van de vreemdeling, het uitbrengen van het voornemen en het nemen van het besluit.
5.De voorwaarden ex artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, in Nederland geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw.
6.Zie Algemeen Ambtsbericht Somalië, 4 april 2025, p. 84.