ECLI:NL:RBDHA:2025:11253

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 mei 2025
Publicatiedatum
26 juni 2025
Zaaknummer
NL24.46370
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 3 EVRMArtikel 15c KwalificatierichtlijnArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Jemenitische minderjarige wegens onvoldoende motivering

Eiser, een minderjarige Jemenitische asielzoeker, diende op 3 juni 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning. De minister wees deze af op 18 november 2024, waarbij de poging tot rekrutering door de Houthi’s als ongeloofwaardig werd beoordeeld en de humanitaire situatie in Jemen als verbeterd werd beschouwd. De rechtbank behandelde het beroep op 16 april 2025.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de poging tot rekrutering niet geloofwaardig zou zijn, ondanks summiere en vage verklaringen van eiser. Wel acht de rechtbank de minister terecht in het ongeloofwaardig achten van de specifieke rekruteringsvrees. Daarnaast heeft de minister de humanitaire situatie in Jemen onvoldoende individueel en samenhangend met de persoonlijke omstandigheden van eiser beoordeeld, terwijl het ambtsbericht en jurisprudentie wijzen op een precaire situatie met risico op ernstige schade.

Voorts heeft de minister nagelaten te beoordelen of eiser als minderjarige een reëel risico loopt op rekrutering door de Houthi’s, ondanks aanwijzingen dat kindsoldaten worden gerekruteerd. De rechtbank vernietigt daarom het besluit wegens schending van de motiveringsplicht en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.814,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Muijlkens).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser is van Jemenitische nationaliteit en geboren op [geboortedatum] 2009. Hij heeft op 3 juni 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Sharbat als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Jemen heeft verlaten nadat hij in een moskee door een groep Houthi’s is meegenomen om te vechten. Hij is in een auto geplaatst maar wist hieruit te ontsnappen door eruit te springen op het moment dat de motoren werden gestart. Eiser heeft daarbij aangegeven dat de Houthi’s niet specifiek op zoek naar hem waren, maar dat hij zich toevallig in de moskee bevond op het moment van de inval. Kort na het voorval is eiser samen met zijn moeder en zus naar Pakistan vertrokken, waar zijn vader zich reeds bevond. De vader van eiser heeft Jemen verlaten bij het uitbreken van de oorlog en was werkzaam als diplomaat voor de Jemenitische ambassade in Pakistan. Eiser heeft verklaard dat hij bij terugkeer naar Jemen vreest te worden opgepakt vanwege de diplomatieke functie van zijn vader en het feit dat hij en zijn gezinsleden beschikken over diplomatieke paspoorten. Voorts vreest eiser bij terugkeer opnieuw te worden gerekruteerd door de Houthi’s.
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst; en
2. de poging tot rekrutering door de Houthi’s.
6.1.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief wordt door de minister ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk zijn.i Daartoe overweegt de minister dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de gestelde rekruteringspoging door de Houthi’s. Ondanks de jonge leeftijd van eiser mag verwacht worden dat hij meer details kan overleggen over de ‘razzia’, nu eiser stelt deze zelf te hebben meegemaakt. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Hoewel de minister onderkent dat in Jemen sprake is van willekeurig geweld, is de algemene veiligheidssituatie volgens de minister zodanig verbeterd dat niet elke burger bij terugkeer gevaar loopt. Eiser heeft volgens de minister onvoldoende aangetoond dat hij, gelet op zijn individuele omstandigheden en de intensiteit van het willekeurig geweld, risico loopt op ernstige schade.
6.2.
Aan eiser wordt daarnaast geen reguliere vergunning verleend op grond van het zogenoemde buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. Volgens de minister is er adequate opvang voor eiser beschikbaar bij zijn ouders in Pakistan. Daarnaast is eisers meerderjarige zus in Nederland aanwezig en heeft zij verklaard voor eiser te zorgen. Nu ook aan haar een terugkeerbesluit is uitgereikt, acht de minister aannemelijk dat eveneens opvang in Jemen beschikbaar is. Verder stelt de minister zich op het standpunt dat op basis van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVKR) het in het belang van eiser is om terug te keren naar Jemen.
Geloofwaardigheid van de poging tot rekrutering
7. Eiser voert aan dat de minister zijn asielrelaas onvoldoende individueel heeft beoordeeld en onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. Hij stelt dat hij naar beste weten en kunnen heeft verklaard en dat niet inzichtelijk is gemotiveerd waarom zijn verklaringen ongeloofwaardig zouden zijn. Daarbij wijst eiser op zijn jeugdige leeftijd ten tijde van de gestelde gebeurtenissen en het gehoor, alsmede op de door MediFirst vastgestelde beperkingen bij het afleggen van verklaringen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het arrest van 2 december 2014 van A, B en C van het Hof van Justitie van de Europese Unieii (HvJEU) en naar een uitspraak van 27 augustus 2024 van deze rechtbank.iii
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de poging tot rekrutering door de Houthi’s niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij mocht de minister betrekken dat de verklaringen van eiser over de gestelde razzia vaag en weinig gedetailleerd zijn gebleven, ook na gerichte navraag van de gehoormedewerker. De verklaring over de ontsnapping acht de rechtbank eveneens summier en sterk afhankelijk van toevalligheden, zoals dat eiser gewoon is ontsnapt en uit de auto kon springen toen de Houthi’s even niet keken terwijl hij door een heleboel mannen is meegenomen. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat de door eiser gestelde vrees dat de Houthi’s hem thuis zouden komen opzoeken, niet strookt met zijn verklaring dat tijdens de razzia er geen specifiek oogmerk voor eiser bestond en dat alle aanwezige minderjarigen werden meegenomen. Voor zover eiser heeft gewezen op zijn leeftijd en beperkingen, overweegt de rechtbank dat uit het MediFirst-rapport enkel blijkt dat hij moeite heeft met het benoemen van exacte data. Hij is wel in staat om bij benadering te verklaren. De minister heeft hem dit daarom ook niet tegengeworpen. Verder blijkt uit het rapport van het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met eisers persoonlijke omstandigheden. Zo zijn er voldoende pauzes ingelast en heeft eiser voldoende rust- en bedenktijd gekregen om zijn verklaringen af te leggen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de poging tot rekrutering door de Houthi’s niet geloofwaardig is.
Reëel risico op ernstige schade
Algemene humanitaire situatie in Jemen
8. Eiser voert aan dat de minister de situatie in Jemen onjuist heeft beoordeeld en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom terugkeer naar Jemen geen verhoogd risico met zich mee zou brengen dat in Jemen sprake is van een situatie als bedoeld in Artikel 15, aanhef en onder c (15c), van de Kwalificatierichtlijn. Ter onderbouwing verwijst eiser naar diverse documenten, waaronder het ambtsbericht van Jemen van september 2023 (het ambtsbericht), de beslisnota van 29 september 2023iv, en uitspraken van deze rechtbank, waaronder die van zittingsplaatse Middelburg van 15 januari 2024, 30 januari 2025 en 17 maart 2025, zittingsplaats Utrecht van 13 december 2024 en zittingsplaats Amsterdam van 25 oktober 2024.v Daarnaast verwijst eiser naar het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011 en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 juli 2024.vi
8.1.
Het landenbeleid van de minister voor Jemen volgt uit paragraaf C7/19.4.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Dit beleid is gewijzigd met de WBV 2024/9 op 22 april 2024. Sindsdien gaat de minister er niet langer vanuit dat sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld in Jemen, waarin iemand door zijn enkele aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Het HvJEU heeft in het arrest van X. en Y. van 9 november 2023 uitleg gegeven over de toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn en de verschillende gradaties van willekeurig geweld die voor kunnen komen.vii De minister heeft voor Jemen een hoge mate van willekeurig geweld aangenomen. Dat houdt in dat een vreemdeling uit Jemen op basis van zijn individuele omstandigheden aannemelijk moet maken waarom juist hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van de hoge mate van willekeurig geweld ten opzichte van andere burgers.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, gezien de algemene situatie in Jemen, al dan niet in samenhang met zijn individuele omstandigheden, niet in aanmerking komt voor bescherming. De minister kan daarbij niet volstaan met een algemene verwijzing naar het landenbeleid in de Vc. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst de rechtbank naar de overwegingen in de uitspraak van deze rechtbank van 28 november 2024.viii De rechtbank maakt die overwegingen tot de hare. De minister dient te motiveren waarom de – ook door hem erkendeix – (precaire) humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate het gevolg is van het directe handelen van de strijdende partijen. De enkele verwijzing naar de Kamerbrief van 18 maart 2024x en de beslisnota van 29 september 2023 is daartoe onvoldoende, nu de minister daarmee niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de humanitaire situatie wordt beoordeeld, noch hoe is vastgesteld dat deze situatie niet in overwegende mate voortvloeit uit het handelen van strijdende partijen. Evenmin heeft de minister toegelicht op welke wijze het ambtsbericht, het arrest Sufi en Elmi en de door eiser overgelegde uitspraken van de nationale rechters zijn betrokken bij de beoordeling in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Zonder een duidelijke afweging hierover is niet uit te sluiten dat nog altijd sprake is van de meest uitzonderlijke situatie. De minister dient zowel de algemene veiligheidssituatie als de persoonlijke omstandigheden van eiser in samenhang te beoordelen. Het is zijn verantwoordelijkheid om vast te stellen of de humanitaire omstandigheden in Jemen voor eiser een daadwerkelijk risico opleveren op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer. Nu de minister dit heeft nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.
Individuele omstandigheden
8.3.
Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat hij minderjarig is en daardoor aantrekkelijk is om te worden gerekruteerd door de Houthi’s. Eiser heeft namelijk verklaard dat de Houthi’s zich specifiek richten op kinderen onder de 18 jaar. Hij verwijst hierbij naar een uitspraak van 11 februari 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen.xi
8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser met hem persoonlijk betreffende individuele omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Weliswaar heeft de rechtbank ten aanzien van de vrees voor rekrutering door de Houthi’s in rechtsoverweging 7.1 geoordeeld dat de minister deze vrees ongeloofwaardig heeft kunnen achten, maar dat laat onverlet dat de minister had moeten beoordelen of eiser als minderjarige bij terugkeer risico loopt op rekrutering door de Houthi’s. De rechtbank stelt vast dat in het ambtsbericht is gesteld dat alle bij het conflict betrokken strijdende partijen tijdens deze rapportageperiode kindsoldaten hebben gerekruteerd, ook al is dat geen formeel beleid; noch in Houthi-gebied, noch in door de regering gecontroleerd gebied.xii Ook staat in het ambtsbericht dat er onverminderd een economische drijfveer bestond voor de praktijk van rekrutering van kindsoldaten, omdat gegeven de slechte economische situatie soldij een welkome aanvulling was voor inkomens van gezinnen. Milities boden vaak de enige beschikbare werkgelegenheid. Ook zou er sprake zijn van sociale druk om kinderen te laten dienen bij de strijdkrachten.xiii De minister heeft deze omstandigheid ten onrechte niet meegewogen in zijn beoordeling van de vraag of er sprake is van een reëel risico op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Gezien het voorgaande is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit vernietigt omdat deze in strijd met de motiveringsplicht is genomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
10. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 18 november 2024;
  • draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 mei 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i Artikel 31, zesde lid aanhef en onder c, Vreemdelingenwet.
ii ECLI:EU:C:2014:2406.
iv Zie nota Landenbeleid Jemen van 29 september 2023 met kenmerk 4939551.
vi ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 en ECLI:RVS:2024:2927.
vii ECLI:EU:C:2023:843.
ix Zie pagina 3 van het bestreden besluit.
x Zie Kamerbrief over aanpassing landenbeleid Jemen van 18 maart 2024, nr. 3215.
xii Zie pagina 37 van het ambtsbericht.
xiii Idem, pagina 38.