De minister legde op 10 januari 2025 een maatregel van bewaring op aan eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De maatregel werd op 22 januari 2025 opgeheven vanwege haar uitzetting naar Nigeria.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen rechtmatig verblijf had en dat de lichte gronden 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats) en 4d (onvoldoende middelen van bestaan) juist waren vastgesteld en de bewaring konden dragen. De zware grond 3f (ontdoen van reisdocumenten) werd ten onrechte aan de maatregel ten grondslag gelegd, omdat niet was gebleken dat eiseres een actieve handeling had verricht.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de minister niet had voldaan aan de verplichting om het Openbaar Ministerie om toestemming te vragen voor de uitzetting, terwijl eiseres nog een gevangenisstraf van zeven dagen moest uitzitten. Hierdoor was de bewaring onrechtmatig vanaf 17 januari 2025, de dag waarop de vluchtgegevens bekend werden. De rechtbank kende een schadevergoeding toe voor zes dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de minister in de proceskosten van eiseres.
De rechtbank achtte verder dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel dan bewaring niet toereikend was. Ook was er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en had eiseres onvoldoende medewerking verleend aan haar uitzetting. Het beroep werd gegrond verklaard en de minister werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.